Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

Kathedraal van Sint-Michiels en Sint-Goedele

Wat historici ook mogen beweren: het is duidelijk dat de kathedraal speciaal gebouwd werd om slechtvalken te kweken. Dat had men toen al door.

SM-SG

Slechtvalken zijn de snelste vogels ter wereld: met een snelheid van om en bij de 400 km per uur kunnen ze zich op een prooi storten! Die roofvogel was bijna verdwenen uit Europa en Noord-Amerika. Maar sinds 1994 is ze terug in België!  Het eerste koppel installeerde zich in de top van een koeltoren van de kerncentrale van Tihange. In 2015 werden er al tussen de 145 en 155 koppeltjes gemeld in België. Sommige nestelen zich op klippen, andere op telefoonmasten, nog andere helemaal op de top van een hoog gebouw. In de lente van 2004 installeerde zich een koppel op de top van de noordelijke toren van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal in het hart van Brussel. Jaar na jaar steeg het aantal Slechtvalken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In  2015 werden er 12 koppels geteld. Het wijfje op de kathedraal werd in 2002 geboren in 2002 in Duitsland. Samen met haar mannetje (een zoon uit 2008) heeft ze in april 2016 op de kathedraal 3 eieren uitgebroed. Het jongste kuiken heeft het niet overleefd.

Al in de 9de eeuw  stond hier een kapel, waarschijnlijk toegewijd aan St.-Michiel. In de 11de eeuw werd op dezelfde plek een Romaanse kerk gebouwd. In 1047 werden de relikwieën van Sint-Goedele er begraven. Vanaf dan werd het een kapittelkerk met de dubbele naam “collegiale kerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele”.  In 1226 startte de bouw van het gotische koor, waarrond de rest van de kerk in Brabantse gotiek werd opgetrokken. In februari 1962 kreeg ze de rang van kathedraal en sindsdien is ze samen met de St-Romboutskathedraal te Mechelen de zetel van de aartsbisschop van Mechelen-Brussel. Tijdens de restauratie van 1982 tot eind 1999 werden de restanten van de voormalige romaanse kerk blootgelegd, evenals de  romaanse crypte onder het hoogkoor.

In de kerk zijn veschillende kunstwerken te bewonderen : glasramen en biechtstoelen uit de 16de eeuw, biechtstoelen uit de 17de eeuw, wandtapijten uit de 19de eeuw en vijftien neogotische glasramen uit de 19de eeuw in beide zijbeuken van het schip.

Eén van de glasramen verwijst naar legende van het Sacrament van het Mirakel. In 1370 zouden hosties op miraculeuze wijze beginnen bloeden zijn nadat ze door de Brabantse joden in de synagoge van Brussel met messteken waren doorboord. De relieken werden vereerd als het Sacrament van Mirakel. Daarna werden een zestal joden uit Brussel en Leuven op de brandstapel terechtgesteld. Ze werden beschuldigd van diefstal en profanatie (heiligschennis) van het Heilig Sacrament. Joodse goederen werden verbeurd verklaard. Later, in de 17de en 18de eeuw, werd beweerd dat de joden in 1370 voor eeuwig uit het hertogdom Brabant werden verbannen. De schuld van de joden werd uiteraard nooit bewezen, integendeel, net zoals het materiële feit van de hostieprofanatie nooit vastgesteld werd. Alleen het geloof in het zogenaamde mirakel van de bloedende hosties legitimeerde de terechtstelling. De joden werden beschuldigd om het mirakel geloofwaardig te maken. Het zogenaamde mirakel bood een welgekomen gelegenheid om zich van de Joden te ontdoen. Tegelijk gold het voor de eenvoudige gelovigen als een materieel bewijs van de werkelijke aanwezigheid van Christus in de Eucharistie. Gelijkaardige eucharistische bloedwonderen, gekoppeld aan de beschuldiging van joden, kwamen in de Middeleeuwen vaak ook elders in Europa voor. Men interpreteerde zelfs schimmelvlekken op hostiebrood als sporen van het bloed van Christus.

Er wordt verteld dat het glasraam dat de legende van het Sacrament van Mirakel weergeeft, gefinancierd werd door het koningshuis.

Monument aan de Arbeid

Het Monument aan de Arbeid is één van de belangrijkste werken van Constantin Meunier. Hij werkte er de laatste tien jaar van zijn leven aan.

Monument arbeidHalverwege de jaren 1880 verwierf Constantin Meunier (eindelijk) naambekendheid. Sinds het einde van de jaren 1870 interesseerde hij zich voor de industrie en de toestand van de arbeidersklasse. Dat zien we in een aantal van zijn schilderijen, maar voornamelijk in zijn beeldhouwwerken. Hij kreeg het idee om verschillende sculpturen samen te brengen in één monument, dat de bekroning van zijn oeuvre zou vormen.

In 1901 riep Meunier de hulp in van Victor Horta die vijf varianten ontwierp voor de architecturale opstelling van de reliëfs en de beelden.

Onder druk van de publieke opinie kocht de overheid het werk in 1903 aan.

Bij zijn overlijden in 1905 was nog niets beslist over de installatie. Uiteindelijk werd het Laken, vlakbij het kanaal.

Voor de onthulling was het wachten tot 12 oktober 1930, maar liefst 25 jaar na zijn dood. Maar koning Albert en koningin Elisabeth waren wel aanwezig.

Het Meuniermuseum is in Elsene, Abdijstraat 59: zijn oude atelier.

Kanaal Brussel-Charleroi

Het idee om Charleroi en Brussel te verbinden via een kanaal ontstond al in de 16de eeuw. De Zenne kon toen door dichtslibbing niet meer functioneren als ontsluitingsvaarweg voor Brussel en het nieuwe kanaal dat Brussel vanaf 1561 verbond met de Rupel en de Schelde inspireerde. Onder Willem in, in 1827 werd de eerste spadesteek gezet. Pas in 1832 was het Kanaal van Charleroi naar Brussel klaar. Het verbond de steenkoolbekkens rond Charleroi met Brussel en Antwerpen. Dat laatste stuk verloopt langs het kanaal Brussel-Willebroek. De namen van de kaaien in Anderlecht en Sint-Jans-Molenbeek herinneren ons aan die periode.

brussel02xg3
Een “bakeke” dat aanvankelijk alleen geschikt was voor de “baquets” die gebruikt werden voor kolentransport. 

Het werd een kanaal van maar 2m diep, slechts bevaarbaar voor kleine boten tot 70 ton. Over een afstand van 74,5km moesten 55 sluizen gebouwd worden, 2 bruggen en een tunnel. Om van Charleroi naar Brussel te varen waren 3 dagen nodig! Het kanaal werd vooral gebruikt voor de afvoer van steenkool.

Onder weg moest er een hoogteverschil van 70 meter overwonnen worden. Hiervoor werd de vallei van de Samme gevolgd. Omdat de streek arm aan water is, werd er in plaats van nog meer kleine sluizen de 1267 m lange Tunnel van La Bête Refait gebouwd. Deze tunnel was zo donker dat de paarden die de schepen door het kanaal trokken er niet door durfden. Hierdoor moesten de schepen met mankracht door de tunnel getrokken worden.

Ondanks de vele nadelen was het kanaal lange tijd één van de belangrijke watertransportassen in België. Het verbindt immers het Scheldebekken met het Samber- en Maasbekken: via het Centrumkanaal staat het in verbinding met de Bovenschelde en via de gekanaliseerde Samber met de Maas.

Al snel was er behoefte aan grotere capaciteit. Tussen 1854 en 1857 werd het kanaal vergroot voor schepen tot 350 ton. De oude tunnel kon niet aangepast worden. In 1885 kwam er een nieuwe tunnel: 1050m lange en 8m breed: de Tunnel van Godarville.

In de jaren 20 van de 20ste eeuw werd het kanaal tussen Brussel en de staalfabrieken van Clabecq vergroot naar 600 ton. De sluizen werden aangepast voor schepen tot 1350 ton, voor het geval het kanaal verder verbouwd zou moeten worden.

Slachthuis_Anderlecht_Postkaart_7_Spoorwegbrug
Spoorwegbrug over het kanaal, slachthuizen Anderlecht

Na de Tweede Wereldoorlog werd beslist het gehele kanaal bevaarbaar te maken voor schepen tot 1350 ton. Aangezien de Samme noch de Tunnel van Godardville de aanpassingen aankonden, diende tussen Ronquières en Godarville een nieuw tracé gebouwd te worden. De oplossing was het hellend vlak van Ronquières: over een afstand van 1400 m wordt 68 m hoogteverschil overbrugd door de schepen in een gesloten waterbak over een helling van 5% omhoog te rollen. Ter hoogte van de Tunnel van Godarville werd de heuvel nu doormidden gegraven zodat een nieuwe tunnel overbodig werd.

Sinds 1970 wordt het kanaal steeds minder gebruikt. De hoge eisen van het hedendaagse scheepvaartverkeer, de scherpe concurrentie van weg- en spoortransport, het wegvallen van het steenkooltransport en de algemene economische recessie in Wallonië zijn daar de belangrijkste oorzaken van. Pas vrij recent is opnieuw een lichte kentering merkbaar. Ook de pleziervaart vindt meer en meer zijn weg naar de vele bezienswaardigheden van dit toch wel vreemde kanaal. Restanten van de eerste tunnel zijn terug te vinden langs de oevers van het nieuwe kanaal. De vele sluizen en de Tunnel van Godarville op de gekanaliseerde Samme raakten in verval.

Nu vaart een schip op één dag van Charleroi naar Brussel.

Histoire & origine de Manneken-Pis

Préface

Le Manneken-Pis est, comme on sait, le plus fidèle habitant et le plus ancien bourgeois de Bruxelles.
Pour le Manneken-Pis, la patrie c’est le coin de la rue de l’Etuve et de la rue du Chêne, à Bruxelles.

Il a été Bourguignon sous les ducs de Bourgogne; Allemand sous Maximilien; Espagnol sous Charles-Quint; gueux sous les troubles; Autrichien sous Marie-Thérèse ; républicain en 1794 ; Français sous Napoléon ; quasi-Hollandais sous Guillaume ; Belge sous Léopold ; et jamais on ne l’a vu plus satisfait qu’aujourd’hui.

Tout le monde sait que Manneken-Pis est la gracieuse représentation en bronze d’un petit homme (Manneken), d’un enfant haut de coudée, d’un amour fixé dans nos murs, car il n’a pas d’ailes, occupé à pisser, et produisant ainsi un filet d’eau limpide.

Il est élevé sur un piédestal, en-châssé dans une coquille de bon goût, garanti par une grille en fer, et pisse depuis des temps très reculés; il est habituellement nu; les étrangers verront bientôt qu’on l’habille en noble Seigneur et en Garde-civiqueaux jours de grandes fêtes.

histoire-et-origine-de-manneken-pis

Histoire et origine de Manneken-Pis

Toutes les villes comptant un passé antique, possédaient autrefois quelque vénérable souvenir, cher au cœur des habitants, et dont les origines se perdaient dans la nuits des légendes.

Paris avait sa Samaritaine, resplendissant sur le Pont-Neuf ; son joyeux carillon rassemblait les oisifs et les chanteurs. Bien des gens du peuple de Paris n’ont jamais pardonné à Napoléon Ier de leur avoir enlevé ce vieux souvenir de la cité.

Gand tient à son Gros Canon, Liège à son Perron, et Bruxelles conserve avec un soin jaloux le palladium de ses ancêtres, représenté jadis par une naïve statue de pierre connue sous le nom de Fontaine du Petit Julien.

L’Europe dans ses grandes prétentions à la moderne civilisation, a supprimé presque partout avec dédain ces antiquités, pou les remplacer par de froides colonnes ; toutefois nous doutons fort que même la Colonne du Congrès puisse jamais atteindre l’âge respectable de notre Petit Julien !

« Plus constants et plus sages, dit l’auteur de la Chroniques des rues de Bruxelles, les Belges ont su respecter ce qu’avaient affectionné leurs pères, et sans nous occuper ici des autres villes du royaume, le Manneken-Pis n’a rien perdu parmi nous de sa splendeur des autres siècles.

Nous l’honorons toujours comme le plus ancien bourgeois de Bruxelles, nous le recommandons à tout étranger qui visite notre facétieux petit compatriote.

On s’est beaucoup occupé de cette petite statue très célèbre sous le nom de Manneken-Pis, qui est, comme l’on sait, la gracieuse représentation en bronze d’un petit homme (Manneken), d’un enfant haut d’une coudée, « d’un amour fixé dans nos rues, dit un de ses panégyristes, car il n’a pas d’ailes, occupé à… fonctionner et reproduisant ainsi un filet d’eau limpide ».

Il est élevé sur un piédestal, enchâssé dans une coquille de bon goût, garanti par une grille en fer, et… fonctionne depuis des temps très reculés au coin de la rue de l’Etuve et de la rue du Chêne.

Tous ceux qui ont écrit sur les faits et gestes du vieux Bruxelles lui ont consacré au moins un chapitre, et nous manquerions à tous nos devoirs, si nous ne suivions pas le bon exemple de nos devanciers, en rappelant à nos lecteurs fin de siècle le souvenir de cet ancien bourgeois de Bruxelles, qui a fait la joie de nos ancêtres.
Des volumes ont été publiés, racontant par le menu les diverses légendes des origines de ce petit bonhomme qui, pendant des siècles, a excité les sympathies bruxelloises.

Les plus savantes recherches, toutefois, ne sont point parvenues fixer d’une façon précises les commencements du culte de cette quasi-divinité du vieux Bruxelles.
Elles n’ont servi qu’à constater toutes sa très haute antiquité.

Une des légendes les plus répandues veut que la fontaine du Manneken-Pis ait été élévée par un riche bourgeois de Bruxelles – d’aucuns disent même un duc de Brabant – qui, ayant perdu dans une fête populaire son fils unique âgé de trois à quatre ans et qu’il aimait beaucoup, le retrouva au bout de cinq jours au coin de la rue de l’Etuve, occupé à… fonctionner comme il le fait encore.

D’autres, plus amis du merveilleux, font intervenir dans son origine une légende de sorcière.

Quelques savants assurent que cette statue a été élevée en l’honneur d’un petit garçon qui sauva la ville de Bruxelles vers le treizième siècle, en éteignant une mèche au moyen de laquelle les ennemis voulaient y mettre le feu. Il éteignit cette mèche en l’arrosant dans la position où nous le voyons encore aujourd’hui, tout comme Gulliver en usa su le palais impérial de Lilliput !
En ce temps de dynamite, cette façon d’éteindre une mèche mériterait certes encore l’honneur d’une statue.

D’autres histoires, plus merveilleuses les unes que les autres, circulent sur ce sujet.

Nous renvoyons nos lecteurs curieux de détails aux abondantes monographies du petit homme. Tout cela prouve, comme je l’ai dit, une antiquité respectable.

D’après le savant archiviste de la ville, ces légendes et histoires du Manneken-Pis bruxellois sont de purs contes, et son origine, qui n’offrit sans doute rien de particulier, est complètement inconnue. « Sa forme, dit-il, doit être attribuée à une de ces bizarreries d’artiste si goûtées de nos aieux ». Quoi qu’il en soit, il paraît bien établi que cette fontaine déjà citée sous le nom de Manneken-Pis en 1452, portait aussi à la même époque le nom Fontaine du Petit Julien.
Elle était alors décorée d’une statue en pierre.

Ce fut le 13 août 1619 que le célèbre sculpteur Jérôme Duquesnoy fut chargé par les receveurs de faire une nouvelle statue en bronze du Manneken-Pis, pour le prix de 50 florins du Rhin, et qu’il produisit la charmante œuvre que l’on admire encore aujourd’hui.

En 1747, les Anglais venus à Bruxelles, toujours amateurs d’originalités, emportaient le Manneken-Pis dans un fourgon, quand les habitants de Grammont trouvèrent le moyen de le reprendre en secret, et après que l’ennemi eût quitté la contrée, ils l’exposèrent sur la Grand Place de leur ville, où l’on peut encore en voir une copie, l’original ayant été bientôt réclamé par les Bruxellois. Peu de temps après, Louis XV entra à Bruxelles. Les Français à leur tour volèrent la petite statue qu’ils ne tardèrent pas à trouver embarrassante, devant l’émoi et la colère de la population bruxelloise.

Ils la déposèrent à la porte d’un cabaret, au coin de la Petite-Ile. Cet événement qui avait causé une grande fermentation dans Bruxelles, faillit s’aggraver encore. Le petit bonhomme, remis en place, fut insulté par quelques grenadiers français, Louis XV, pour éviter une grave collision, fut obligé d’intervenir. Il donna au Manneken-Pis un habit de chevalier, avec le droit de porter l’épée ; il lui conféra la noblesse personnelle – il ne manquait plus que de la donner à ses descendants ! – et le décora de la Croix de Saint-Louis, ce qui imposa aux troupes la nécessité de le respecter, même de lui rendre le salut militaire.

Une fois encore au commencement de ce siècle, en 1817, volé par un forçat libéré, nommé Lycas, Manneken-Pis fut heureusement retrouvé, avec la même chance heureuse qui nous l’a conservé jusqu’ici.
Le voleur fut condamné aux travaux forcés, comme destructeur de monuments publics !

Un fait prouve combien la conservation du plus ancien bourgeois de Bruxelles est, dans l’opinion populaire, le gage de la prospérité de la ville : c’est lors du bombardement de la vieille cité par le maréchal de Villeroy, la première chose mise en lieu sûr, à l’abri des bombes de Louis XIV, ce fut la statue de l’antique Petit Julien.

Le 10 avril 1695, les bourgeois de Bruxelles le replacèrent sur son piédestal, au milieu d’un grand enthousiasme.

A maintes reprises, du reste, ce symbole du porte-bonheur de la cité fut l’objet de grandes distinctions.

Les faveurs de Louis XV avaient eu des précédents. Déjà en 1698, l’Electeur de Bavière lui donna de riches habits, lors d’une fête offerte par ce prince au Grand Serment des Arquebusiers.
L’empereur Maximilien le décora de ses ordres. Après l’expulsion des Autrichiens, on le para en 1789 de la cocarde de Brabant.

Napoléon Ier sollicité de lui accorder aussi une faveur, lui conféra le titre de chambellan. Des poètes lui ont dédié leurs ouvrages; des parfumeurs ont illustré de son nom leurs eaux de senteur;
de riches bourgeois et des princes lui ont constitué des rentes. Vers 1822 encore, une dame de Bruxelles lui laissait mille florins dans son testament !
Il possède huit habits de grande tenue, sans compter la blouse patriotique de 1830; son valet de chambre, chargé de sa toilette et nommé par la commune de Bruxelles, touche par an deux cents florins de gage.

Il a parfois inspiré les rimeurs, voici un quatrain composé en son honneur par un écrivain de l’an XI.

Ma nudité n’a rien de dangereux.
Sans péril, regardez-moi faire ;
Je suis ici comme l’enfant heureux
Qui fait pipi sur le sein de sa mère.

Il y a quelques années ce poste de confiance était occupé par M. Théodore Delsaux, inspecteur général des eaux de la ville de Bruxelles. Il nous a été donné à cette époque de pouvoir visiter la garde-robe du Petit-Julien, précieusement conservée dans une armoire de l’Hôtel de Ville, et nous pouvons certifier qu’il possédait alors, entre autres souvenirs d’une munificence royale : un jabot et des manchettes en dentelles du plus fin point de Bruxelles.

Enfin, ses revenus assez considérables sont assis sur des biens fonds, et ce n’est pas notre précieux Manneken-Pis qu’on eût jamais attrapé à se faire nommer administrateur des sociétés du comte Lagrand-Dumonceau, ni à placer ses revenus en actions de Panoramas. L’administration de ses biens est confiée à un avocat distingué de Bruxelles. En 1843; M. L’avocat Strass occupait ces fonctions aussi recherchées que, de nos jours, celles d’aide de camp du général Belliard.

Les étrangers comprennent plus difficilement l’enthousiasme des Bruxellois pour cet antique palladium, considéré comme le dieu protecteur de la cité.
Il est curieux de réunir leurs impressions.

Un auteur anglais, en 1843, écrivait ces lignes : « Derrière l’Hôtel de Ville de Bruxelles se trouve la célèbre statue nommée le Manneken-Pis (sic); une statue beaucoup plus inconvenante( indélicate) que gracieuse, et à laquelle je n’aurais certainement fait aucune allusion, si ce n’était que cette petite figure indécente est considérée par le peuple de Bruxelles comme une sorte de patron de la ville, un dieu du foyer domestique sans lequel leur cité se perdrait».

Ce qui n’empêche pas l’auteur anglais de consacrer six pages de son volume à notre indécent Manneken-Pis !
Dix ans plus tard, un écrivain français juge le même sujet avec une légèreté toute parisienne.

Nous ne saurions, dit-il, décemment omettre, en fait de monuments ou de curiosités bruxelloises, le Manneken-Pis.
Qui ne connaît, au moins de réputation, cette facétie locale, d’un sel un peu gros et d’une définition assez embarrassante en la prude langue française ?
Le Flamand ne connaît aucune de nos vergognes ; le Flamand dans les mots brave l’honnêteté.
Hier is’t verboden te pissen est une inscription qui se lit fréquemment sur les monuments publics.
Or le Manneken-Pis est l’ornement assez flamand d’une assez hideuse fontaine (oh ! oh !) formant l’angle des rues de l’Etuve et du Chêne. La statuette elle-même est jolie; elle est de Duquesnoy, en bronze, et a été substituée au XVIIe siècle à une précédente en pierre, qui existait là de temps immémorial. Il n’est sorte de contes qu’on n’ait fait à propos de cette petite impudicité artistique.»

Puis l’auteur continue :

C’était le palladium de la ville, comme l’est le fameux Perron à Liège; y toucher eût été comme porter la main sur les dieux-oignons ou dieux chats de l’Egypte. Ce qu’il y a de certain, c’est que cette gaillardise très hardie (sic) a été depuis plusieurs siècles et est encore parfois un prétexte de plaisanteries.

«Le Manneken-Pis est chevalier de je ne sais combien d’ordres. A certains grands jours on l’habille de pied en cap; on lui met l’épée au côté et ses crachats en sautoir.
C’est dans cet équipage qu’il remplit son office de borne-fontaine : le quartier ne se sent pas d’aise et les passants rient à se tordre ».

Voilà un beau sujet de gaieté, en effet.
Plusieurs souverains ont cru faire leur cour aux Bruxellois en flattant cette assez ridicule manie, et c’est ainsi que ce petit bonhomme est à lui tout seul chambellan de l’Electeur de Bavière, chevalier de St-Louis, grenadier de la garde, officier de la garde-civique, etc.

« Pour le Manneken-Pis, la patrie c’est le coin de la rue de l’Etuve et de la rue du Chêne, à Bruxelles.

Il a été Bourguignon sous les ducs de Bourgogne; Allemand sous Maximilien; Espagnol sous Charles-Quint; gueux sous les troubles; Autrichien sous Marie-Thérèse ; républicain en 1794 ; Français sous Napoléon ; quasi-Hollandais sous Guillaume ; Belge sous Léopold ; et jamais on ne l’a vu plus satisfait qu’aujourd’hui… »

 

Source: http://www.manneken-pis.be/histoires-et-origines-de-manneken-pis/ 

Simonis

Thuis in Koekelberg

Eugene_SimonisOp 11 juli 1810 zag Louis-Eugène Simonis het levenslicht in Luik, waar hij o.m. beeldhouwen studeerde aan de Académie Royale des Beaux-Arts. Op zijn 19de trok hij naar Rome en Bologne om zicht te verdiepen in de beeldhouwkunst. Bij zijn terugkeer werd hij leraar aan de Luikse Academie.

In 1842 verhuisde hij naar Koekelberg. Hij woonde er in een groot landhuis met een tuin van wel 160 are, vlakbij de spoorweg in de buurt van het huidige Simonisplein. Bij het huis hoorde ook een groot atelier waar hij zijn beeldhouwwerken maakte. Naast beeldhouwer gaf hij les aan de Academie voor Schone Kunsten te Brussel, waarvan hij directeur werd. Hij zetelde ook in de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en was gemeenteraadslid in Koekelberg.

GodfrieBouillonIn Brussel kunnen we belangrijke werken van hem bewonderen: het fronton van de Muntschouwburg is van zijn hand, net zoals de twee leeuwen die de wacht…

View original post 22 woorden meer

Water in Brussel

media_xll_8537507Het jaar 977
Het Vlaamse ‘Broek’ betekent moeras. In het Keltisch verwees ‘bruoc’ naar de plantengroei van de moerassen, de heide, en ‘sella’ stond voor kapel. Vandaar de naam ‘Bruocsella’ die evolueerde tot… Brussel. Op het moment dat de stad ontstaat, rond het jaar 977, leiden de onstuimige en wisselende loop van de Zenne en de veel voorkomende hoge waterstanden er inderdaad tot moerasvorming.

De 12e eeuw
De eerste bekende waterwinning werd aangelegd door de abdissen van de Abdij van Vorst. Ze bracht het water van een bron tot in de leidingen onder hun gebouwen.

De 13e eeuw
De zusters van de Abdij van Terkameren leggen kanaaltjes aan die water aanvoeren vanuit het Terkamerenbos.

1302
De gemeentelijke overheid plaatste op de Grote Markt een pomp. Het water daarvoor kwam door loden buizen van de put de ‘Pollepel’.

1300-1500
Het stadsbestuur neemt allerlei initiatieven om water in de stad te brengen. Het verwerft gronden met bronnen op en draagt bij in de kosten voor de aanleg van de leidingen die het water tot bij de openbare pompen en in enkele kloosters brengen.

1477
De Zenne is in die tijd een heuse open riool, hoewel veel inwoners er water uit blijven putten. Die toestand leidt tot tal van epidemieën, waaronder cholera. Een eerste stuk van de rivier wordt in 1477 gedempt en vervangen door het kanaal van Willebroek en zijn talrijke bekkens. Deze worden in de loop van de 19e eeuw om dezelfde reden overwelfd.

De 17e eeuw
Een eerste volledige installatie komt tot stand. Een pomp, aangedreven door de sterke stroming van de Maalbeek in Etterbeek, haalt elke dag tot 1.000 m3 op uit de bronnen van de Broebelaarbeek. Dat water is echter nog voorbehouden voor het Paleis en enkele andere bevoorrechten.

De 18e eeuw
Het overgrote deel van de bevolking bevoorraadt zich nog steeds bij de 29 fonteinen, 76 openbare waterputten, 91 putten op gemeentegrond en 8.027 private putten.

1855
De stad neemt haar eerste waterwinning in gebruik. Ze gebruikt daarvoor de bronnen van de Hain in Eigenbrakel. De hoofdtoevoer is aangelegd en wordt in gebruik genomen door het water te midden van het Park van Brussel symbolisch te laten opborrelen. 

1858

Het distributienet is nu operationeel maar het bedient voorlopig alleen de stad Brussel en niet de randgemeenten.

1891
Om over het hele grondgebied van de stad een globaal beleid inzake watervoorziening te kunnen voeren wordt de Compagnie intercommunale des eaux (CIE) voor de Brusselse agglomeratie opgericht.

1895
De chaotische aanleg van een aquaduct dat het water van de bronnen van de Bocq naar Brussel moest brengen vormde voor die tijd ongetwijfeld een titanenwerk.

1899
Elsene, Sint-Gillis , Sint-Joost en Schaarbeek krijgen water uit de bron van de Bocq.

1904-1913
Naast de oprichtende gemeenten die hun verbruik voortdurend zagen stijgen, bediende de CIE ook tal van Waalse gemeenten en nadien ook enkele steden in Vlaanderen. Omdat de oorspronkelijke winning niet meer volstond werden er nieuwe geopend: Crupet, St.-Servais, Plancenoit, Onoz. De Compagnie koopt de mijnen van Vedrin. Ze bouwt fabrieken en graaft tunnels. Uiteindelijk legt ze zich toe op Modave dat gezien wordt als de enige site die volgens specialisten op lange termijn een voldoende productie kan verzekeren.

1922-1923
Na een onderbreking vanwege de wereldoorlog van 1914-1918 worden de werken in Modave en aan de toevoer van het water naar Brussel voltooid. Er komen ook leidingen die het water naar Brugge, Gent, Oostende en Blankenberge brengen.

1933
Er komt een betere controle op de kwaliteit van het water: in het Terkamerenbos wordt in 1933 een modern laboratorium geïnstalleerd. Niet veel later wordt gestart met het gebruik van chloor om het water kiemvrij te krijgen.

Tot op vandaag
In de loop der jaren is de watervoorziening blijven evolueren en almaar moderner en veiliger geworden. Die pionierstijd lijkt vandaag tot een ver verleden te behoren. Iedereen is vandaag verzekerd van een regelmatige bevoorrading met water van prima kwaliteit. Het is echter goed om te beseffen dat een dergelijk recht lange tijd een luxe is geweest. 

 

Overgenomen van Hydrobru

 

 

 

Het Egmontpaleis

Dit statige stadspaleis in de Wolstraat nabij de Brusselse Kleine Zavel was ooit de residentie van invloedrijke adellijke families. Hoewel het gebouw met zijn indrukwekkende tuin in de loop der tijden tal van renovaties onderging, blijft het nog steeds tot de verbeelding spreken.

Egmontpaleis-cc

Hoe het begon

De onfortuinlijke LamoraalDe eigenlijke geschiedenis van het Egmontpaleis begint in 1548. In dat jaar koopt de prinses van Gavere, Françoise van Luxemburg (1495-1557), een rij huizen op in het Brusselse die ze laat slopen om er vervolgens een stadsresidentie te laten optrekken. Het is uiteindelijk haar zoon, Lamoraal van Egmont (1522-1568), tweede kind uit haar huwelijk met de graaf van Egmont, Jan IV (1499-1528), die de werken aan het paleis zal voortzetten en er zijn naam aan geeft.

In 1564 is het paleis vrijwel volledig afgewerkt in een voornamelijk Vlaamse renaissancestijl en wordt het met de nodige luister plechtig ingehuldigd. Lang heeft Lamoraal niet kunnen genieten van zijn Brusselse residentie. Verwikkeld in vermeende politieke intriges met andere edellieden waaronder Willem van Oranje wordt hij in 1567 valselijk beschuldigd van hoogverraad en op bevel van de Spaanse koning Filips II gearresteerd en opgesloten. Op vier juni 1568 wordt Lamoraal, vierde graaf van Egmont en ridder in de Orde van het Gulden Vlies door de Raad van Beroerte ingesteld door de hertog van Alva, Fernando Alvarez de Toledo (1507-1582) ter dood veroordeeld. De daaropvolgende dag wordt hij samen met de graaf van Hoorn, Filips van Montmorency, publiekelijk onthoofd op de Brusselse Grote Markt.

De hertog van Arenberg

Begin achttiende eeuw huwt Leopold Filips van Arenberg (1690-1754), hertog van Arenberg, met Maria Clara, de dochter van Lodewijk Filips van Egmont en verwerft zo de vroegere residentie van de graven van Egmont. Vrij snel nadien geeft hij opdracht aan de vermaarde Florentijnse architect Jean-Nicolas Servandoni (1695-1766) om het paleis ingrijpend te verfraaien. Zo werd het ereplein, afgesloten met een monumentaal portiek, samen met de hoofd- en rechtervleugel gerestaureerd in een neoclassicistische stijl.

De daaropvolgende jaren

In 1853 voegde de Belgische architect Tielemans-Franciscus Suys (1783-1861) aan de linkervleugel een manege en stallingen toe. Tegen het einde van de negentiende eeuw vernielde een hevige brand de volledige rechtervleugel van het gebouw. De heropbouw ervan gebeurde volgens de plannen van de Brusselse architect Octave Flanneau (1860-1937). Aansluitend gaf de landschapsarchitect Edmond Galopin (1851-1919) de tuin zijn huidig uitzicht. Met een oppervlakte van anderhalve hectare kan men echter beter spreken van een park. In deze groene oase kan de wandelaar enkele bijzondere beelden en monumenten bewonderen. Zo is er de kopie van een sculptuur dat de bekende Britse beeldhouwer George Frampton (1860-1928) maakte en Peter Pan voorstelt.

Enigszins vooraan in het park is er het standbeeld van de in Brussel geboren veldmaarschalk prins Charles-Joseph de Ligne (1735-1814) wiens militair talent tot uiting kwam tijdens de Russisch-Turkse oorlog van 1787 tot 1792. Maar het meest merkwaardige bouwwerk is ongetwijfeld een vijftiende-eeuws stenen waterreservoir dat onder de Brusselaars bekend staat als ‘de Groote Pollepel’. Het achthoekig bouwsel speelde in de middeleeuwen een belangrijke rol in de watervoorziening van de stad.

Een bijzondere herbestemming

In 1918 wordt het Egmontpaleis van de Arenbergs eigendom van de stad Brussel die het enkele decennia later doorverkoopt aan de Belgische Staat.

Tussen 1966 en 1971 wordt het gebouw opnieuw grondig gerenoveerd waarna het overgedragen wordt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Sindsdien fungeert het paleis als locatie voor de ontvangst van staatshoofden, het organiseren van internationale congressen, seminaries en colloquia. Met de installatie begin eenentwintigste eeuw van een kinderdagverblijf in de vroegere stallen kreeg het gebouw er zo een sociale dimensie bovenop.

 

 

Bron: Rudi Schrever op historiek.net

Het warandepark

Eens maakte dit park deel uit van het geliefkoosde jachtterrein van de Hertogen van Brabant. Later werd er zelfs een oefenterrein aangelegd voor middeleeuwse steekspelen en ten tijde van Keizer Karel werd het een plezierplaats voor hem en zijn hofadel.

In de woelige septemberdagen van 1830 was deze Warande de stille getuige van het strijdtoneel dat uiteindelijk zou leiden tot de onafhankelijkheid van België. Nu is het park voor menig wandelaar en kunstliefhebber uitgegroeid tot een groene oase in het hart van Brussel. Een kennismaking:

P1

De voorgeschiedenis

Omstreeks 979 van onze jaartelling bouwde Karel van Neder-Lotharingen (953-992) op een eilandje in de Zenne zijn castrum en een kapel gewijd aan de heilige Gorik. Al snel vestigden zich in de omgeving handelaars en ambachtslui en vormden zo een kleine nederzetting. Deze zou later uitgroeien tot de stad Brussel, hoofdstad van Europa. Maar laten we niet vooruitlopen. Reeds in de elfde eeuw vormde een heuvelachtig en bosrijk terrein in de bovenstad het jachtgebied van deze Franse dynastie.

Met de komst van de Hertogen van Brabant veranderde echter heel wat. Een eerdere vesting uit de elfde eeuw op de Coudenberg werd door hertog Jan III (ca. 1300-1355) tot een heus kasteel verbouwd. Het aanpalend jachtgebied, het latere Warandepark, nam daardoor in belang toe. Het jachtdomein werd in de vijftiende eeuw onder de Bourgondische hertog Filips de Goede (1396-1467) en later door Keizer Karel (1500-1558) nog verder uitgebreid. In de daaropvolgende jaren werd de Warande dan ook voor hen en de hofadel een echt plezieroord.

Medio zestiende eeuw vond er een belangrijke historische gebeurtenis plaats. In 1555 vertrok Keizer Karel uit één van de paviljoenen in de Warande per stoet naar de Aula Magna in het paleis op de Coudenberg. Daar deed hij als Keizer van het Heilig Roomse Rijk afstand van zijn troon ten gunste van zijn zoon Filips II (1527-1598).

Met de Vrede van Utrecht in 1713 kwamen onze gewesten onder het bewind van de Oostenrijkse Habsburgers. Amper twee decennia later, in 1731, vernielde een reusachtige brand het kasteel op de Coudenberg. Ook een groot deel van de Warande viel toen ten prooi aan de vlammen. Bij gebrek aan financiële middelen werd het paleis nooit heropgebouwd. Ook het vroegere jachtgebied bleef er jarenlang verwaarloosd bij liggen.

De heraanleg

In 1776 werd onder impuls van keizerin Maria-Theresia (1717-1780) besloten om van het voormalig hertogelijk jachtgebied een park te maken. De regering zou instaan voor de herbeplanting en een derde van de gronden afstaan aan de stad Brussel. In ruil hiervoor diende de stad het terrein te nivelleren en omsluitende straten aan te leggen. Voor het ontwerp van het toekomstige park werd een beroep gedaan op de Oostenrijker Joachim Zinner (1742-1814) en de Franse architect Barnabe Guimard (1731-1805). Zich inspirerend op de symboliek van de vrijmetselarij voorzag het plan in een cirkelvormig bekken van waaruit een centrale laan met twee diagonale dreven zou vertrekken. De uitvoering ervan verliep echter niet zonder moeilijkheden. Zo waren bijvoorbeeld de nivelleringswerken dermate omvangrijk dat alle inwoners van de stad verplicht werden om hun afval als stortmateriaal naar de bouwplaats te brengen.

Het uiteindelijk resultaat was een rechthoekig park van dertien hectare groot. Oorspronkelijk voorzag het ontwerp eveneens in het plaatsen van monumentale toeganspoorten en dito omheiningen. Wegens geldgebrek vond de bouw daarvan slechts gedeeltelijk plaats. Pas medio negentiende eeuw werd door de Belgische architect Tilman-François Suys (1783-1861) een eerder sobere omheining verder rondom het park geplaatst.

De onafhankelijkheidsstrijd

Brussel, 25 augustus 1830. In de Muntschouwburg wordt de door de Franse toondichter Daniël Auber (1782-1871) gecomponeerde opera “De stomme van Portici” opgevoerd. Toen de tenor Lafeuillade en de bariton Cassel het lied“Amour sacré de la patrie” begonnen te zingen, raakten de gemoederen van de toeschouwers dermate verhit dat heel snel overal spontane rellen uitbraken tegen het beleid van de Nederlandse koning Willem I (1772-1843).

Na de nederlaag van Napoleon in 1815 hadden de grote mogendheden met het Congres van Wenen immers besloten om definitief een staatkundige herordening van Europa uit te tekenen. Groot-Brittannië dat op het vasteland een machtsevenwicht nastreefde, wist grootmachten zoals Rusland, Pruisen en Oostenrijk te overtuigen om de Zuidelijke Nederlanden aan te hechten bij de Verenigde Provinciën om zo een halt toe te roepen aan eventuele verdere territoriale verzuchtingen van de Duitse Statenbond en Frankrijk.

Beide landsdelen hadden sinds hun scheiding in de zestiende eeuw echter op cultureel, taalkundig en religieus gebied nog weinig gemeenschappelijke raakvlakken. Hoewel Willem I het eigenlijk helemaal niet zo slecht voorhad met de Zuidelijke Nederlanden, ontpopte hij zich als een absoluut monarch en verlicht despoot. Daardoor nam de weerstand tegen zijn autoritair beleid zienderogen toe. Op 25 augustus 1830 groeiden de rellen naar aanleiding van Auber’s opera dan ook uit tot een heuse revolte. Nadat besprekingen en onderhandelingen op niets waren uitgelopen besloot Willem I tot een gewapend ingrijpen. Op 23 september rukte een Nederlands leger van zowat 12.000 man onder leiding van diens zoon, Prins Frederik (1797-1881) op naar Brussel. Na vier volle dagen van hevige stadsgevechten, voornamelijk rond en in het Warandepark blies het Nederlandse leger de aftocht. Reeds enkele dagen later, op 4 oktober, riep het ‘Voorlopig Bewind’  de onafhankelijkheid van België uit.

Sculpturen en mondain parkleven

Na de eigenlijke heraanleg van het park werd resoluut gekozen om verscheidene sculpturen als opsmuk in de plantsoenen te plaatsen. Heel wat van deze beelden waren na de dood van Karel van Lorreinen (1712-1780) afkomstig uit de tuin van diens kasteel in Tervuren.

Maar ook nieuwere kunstwerken werden aangevoerd. Eén van de opmerkelijkste beeldhouwwerken is van Jean-Baptiste Van der Haegen (1688-1739). Het stelt Leda voor, de dochter van de Spartaanse koning Tyndareos die, naar een verhaal uit de Griekse mythologie, verleid werd door de oppergod Zeus. Een ander sculptuur door François-Joseph Janssens (1744-1816) beeldt Apollo uit. Naast enkele beeldengroepen, onder meer van de Brusselse beeldhouwer Gilles-Lambert Godecharle (1750-1850), staan er in totaal een zestigtal beelden.

Ook de volgende decennia gingen de verfraaiingswerken aan het park onverdroten verder. In 1841, wordt er door de Nederlandse architect Jan-Pieter Cluysenaer (1811-1880) een elegante muziekkiosk gebouwd waar fanfares en orkesten hun concerten konden geven. Voorafgaandelijk, op het einde van de achttiende eeuw was al naar een ontwerp van architect Louis Montoyer (1749-1811) een parktheater opgericht. Dit diende niet alleen als schouwburg, maar ook als feestzaal en letterkundig kabinet. In 1913 werd het oorspronkelijk complex door de Brusselse architect François Malfan (1872-1955) verbouwd tot een heuse amusementplaats. De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten en nadien kwamen de gloriedagen van weleer niet meer terug.

Vandaag vormt het Warandepark niet enkel het kader voor openluchtevenementen en het jaarlijkse volksvermaak ter gelegenheid van de nationale feestdag, maar is het tevens een plaats bij uitstek voor wandelaars en bewonderaars van beelden en sculpturen. Daarenboven maken de nabij gelegen musea aan het Paleizenplein (Het “Paleis voor Schone Kunsten”, het “BELvue museum” en de “Archeologische site van de Coudenberg”) een bezoek aan deze historische plek meer dan waard.

Bron: Rudi Schrever op historiek.net

Sint-Jan-Baptist ten Begijnhofkerk

De begijnen van het Groot Begijnhof van Brussel hadden in de eerste helft van de 17de eeuw talrijke kunstwerken aangekocht die ze in een passend kader wilden tentoonstellen. Ze besloten daarom de bestaande gotische begijnhofkerk te verbouwen.

capture-decran-2015-12-07-a-12-31-10-576x360De werken begonnen in 1657. Eerst werd het koor aangepast, daarna het schip. De nieuwe barokke gevel werd opgetrokken naar het model van de jezuïetenkerken van Leuven en Brussel.

Het begijnhof telde in die tijd 1.084 huizen op een terrein van zeven hectare. In het begin van de 18de eeuw werd een slanke, opengewerkte klokkentoren toegevoegd. Net als de voorgevel, die tot de rijkste van België behoort, kreeg het interieur een verzorgde en overvloedige decoratie, ook al werden sommige delen om besparingsredenen uitgevoerd in natuursteen imiterende materialen.

De kerk bezit mooie bakstenen gewelven met ribben in witsteen. Na de opheffing van het begijnhof werd de kerk in 1801 omgevormd tot parochiekerk.

In november 2000 werd de kerk door brand ernstig beschadigd. Het vernielde dak werd vervangen door een voorlopige bedekking. In 2004 werd begonnen met de reiniging van de zwartgeblakerde stenen en de glasramen, vervolgens werd de klokkentoren hersteld.

In 2006 begon de identieke reconstructie van het dakgebinte met hout-op-houtverbindingen waarbij de nog bruikbare dakbalken werden benut. Als hout werd gekozen voor eik uit de Loirestreek. Op dit gebinte werd een dakbedekking gelegd van 3.000 m² Spaanse leien. Hoewel van recente datum illustreert deze structuur op prachtige wijze de kunst van het timmermansvak uit de baroktijd.

 

Overgenomen van Bruxelles Ma Belle 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑