Egmont_en_Van_Hoorn_001

Op 5 juni 2018 is het precies 500 jaar geleden dat de graven Egmont en Horn onthoofd werden op de Brussels Grote Markt.

 

Lamoraal, graaf van Egmont, prins van Gavere, is geboren op het kasteel Lahamaide in Henegouwen. Hij stamt uit een van de rijkste en invloedrijkste families in de Nederlanden, voortgekomen uit de ‘advocati’ of voogden van de abdij van Egmond. Hij was de zoon van Jan IV van Egmont en Françoise van Luxemburg. Tijdens zijn jeugd kreeg hij een militaire opleiding in Spanje. Aan het eind van de 3e Gelderse successieoorlog (1543) verwoestte Lamoraal de toen Gelderse stad Düren. Door de stad in brand te laten steken en een groot deel van de inwoners te vermoorden stelde hij een voorbeeld, waarna andere Gelderse steden zich overgaven. Egmont was sinds 1544 ridder van het Gulden Vlies. Hij nam dienst in het Spaanse leger, werd in 1559 benoemd tot stadhouder van de graafschappen Vlaanderen en Artesië. Hij maakte deel uit van de Raad van State. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Horn verzette hij zich tegen kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, die de inquisitie invoerde in Vlaanderen. Na het vertrek van Granvelle in 1564 verzoende Egmont zich opnieuw met de koning.

Filips II van Montmorency of graaf van Horn was een krijgs- en staatsman in de Habsburgse Nederlanden vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De naam “Horne” of “Hoorne” verwijst naar het graafschap Horn, dat zijn naam ontleent aan het Limburgse dorp Horn, waar nog altijd het stamkasteel van de graven van Horn staat. Hij was de zoon van Jozef van Montmorency, graaf van Nevele. Filips was page, later kamerheer aan het hof van keizer Karel V. Zijn leven vertoont grote overeenkomsten met dat van zijn vriend graaf Lamoraal van Egmont. Graaf Horn was oorspronkelijk legeraanvoerder van het Leger van Vlaanderen. Hij werd in 1555 stadhouder van Gelre, in 1556 ridder van het Gulden Vlies en in 1561 lid van de Raad van State. In de Raad van State kwam hij met Willem van Oranje en de graaf van Egmont in opstand tegen het beleid van de kardinaal Antoine Perrenot Granvelle. Na diens afzetting bleef hij zich verzetten tegen de Spaanse heerser: als protest leverde hij zijn insignes van het Gulden Vlies in. Hij stond de calvinisten bij te Doornik, hetgeen later een van de aanklachten tegen hem zou vormen.

Hij is zijn hele leven overtuigd katholiek gebleven. Maar door zijn gedoogbeleid jegens de protestanten en zijn regelmatige afwezigheid, groeide Weert onder zijn bewind uit tot een bolwerk van de Reformatie.

Toen de founding fathers van het jonge België op zoek gingen naar een geschiedenis werden Egmont en Horn opgenomen in het pantheon van Belgische Helden. Op voorstel van minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier liet burgemeester Jules Anspach in 1864 hun standbeeld plaatsen op de Grote Markt, net voor de trappen van het Broodhuis. Dat liep niet van een leien dakje. In een stevige polemiek verweten de tegenstanders van de Katholieke Partij dat Egmont onvoldoende de godsdienstvrijheid had verdedigd en ontrouw geweest was aan koning Filips II. De liberale voorstanders vonden hem net daarom een held in wie de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid sterk zo aanwezig was dat hij zich tot het einde verzette tegen de Spaanse dwingelandij. Voor de katholieken was het standbeeld van Egmont en Horn een hulde aan landverraders, voor de liberalen een hulde aan de slachtoffers van het absolutisme en de Spaanse repressie.

Burgemeester Karel Buls maakte van de verbouwingen van de Grote Markt gebruik om het beeld te verplaatsen en een aantal beelden van geuzen te installeren op de rechtervleugel van het stadhuis, onder wie Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.

In 1879 besliste de gemeenteraad om het standbeeld te verplaatsen naar de Kleine Zavel, omringd door 10 tijdgenoten die een belangrijke rol speelden op politiek of maatschappelijk vlak. De beelden werden op 20 juli 1890 onthuld:

1. Willem de Zwijger, prins van Oranje (1533-1584), als leider van de opstand der Nederlanden tegen Spanje onder koning Filips II.

2. Lodewijk van Bodegem (ca.1470-1540), bouwmeester, betrokken bij de aanleg van het oorspronkelijke Brusselse Broodhuis.

3. Hendrik van Brederode (1531-1568), incarneert met De Zwijger en Marnix van Sint-Aldegonde het vaderlandsgezinde verzet tegen de dwingelandij. Hij overhandigde Margaretha van Parma het smeekschrift der Edelen van het Eedverbond der Edelen en stelde voor om de spotnaam van geuzen als erenaam aan te nemen: Fidèles au roi jusques à porter la besace (trouw aan de koning tot het dragen van de bedelnap toe).

4. Cornelis Floris De Vriendt (1518-1578), beeldhouwer en bouwmeester.

5. Rembert Dodoens (1518-1585), botanicus, geneesheer en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden.

6. Gerardus Mercator (1512-1594).

7. Jan van Locquenghien (1518-1574), burgemeester en Amman van Brussel, betrokken bij de aanleg van het kanaal van Willebroek.

8. Bernard van Orley (1492-1542), Brusselse Renaissance schilder.

9. Abraham Ortelius (1527-1598), geograaf van de eerste atlas van de wereld.

10. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1538-1598), diplomaat, schrijver, filosoof, voorvechter van de vrijheid van denken. Indien De Zwijger het hoofd en de arm voorstelt van de omslachtige onderneming die de strijd tegen Spanje was, dan stond Marnix voor de ziel en de gedachte.

In het plantsoen is de politieke visie van de toenmalige machthebbers duidelijk aanwezig. De opstand tegen de centrale Spaanse absolutistische overheersing begon bij het volk (met de Wederdopers), gevolgd door de verarmde adel, dan de rijke adel (Luthers), en na de bloedige repressie van Alva de ambachten en het volk met de geuzenrepubliek (Calvinisme).

Vooral de leiders van de tweede fase kregen hun beelden. De Brusselse geuzenrepubliek krijgt er geen, net als de Wederdopers.

Wel kregen 48 gilden of ambachten een afbeelding: de Vier Ghecroonden (metsers, steenkappers, beeldhouwers en leidekkers, Wapensmeden, Helmmakers en Zwaardvegers; Tinslagers-Loodgieters; Lei- of Pannendekkers; Blekers; Ketelmakers of Koperslagers en Bronsgieters; Stoeldraaiers, Mandenmakers, Stucwerkers en Rietdekkers; Hoedenmakers, Volders en Brandewijnstokers; Huidevetters of Leerlooiers; Stoelenmakers in Spaans leer en Pruikenmakers; Haakbusdragers of Geweermakers; Schoenlappers; Zoetwatervisverkopers; Schoenmakers; Lakenscheerders en –koopmannen; Wolververs; Gordelsnijders en Speldenmakers; Garen- en Brandverkopers; Smeden; Vlasbewerkers en Lijnwaadhandelaars; Uitdragers of Oude Kleerkopers; Timmerlieden; Schippers; Wolwevers en –handelaars; Kleermakers; Zadel- en Wagenmakers; Groenten- en Fruithandelaars; Schilders, Goudslagers en Glazeniers; Sloten- en Uurwerkmakers; Wijnhandelaars; Stoffenhandelaars en Kousenmakers; Barbiers en Chirurgijnen; Houthakkers en Boomzagers; Messenmakers; Tonnenmakers of Kuipers; Borduurders en Bontwerkers; Schrijnwerkers; Galonmakers of Passementwerkers; Edelsmeden; Vettewariërs of handelaars in zuivel en gevogelte; Handschoenmakers; Vergulders; Molenaars; Handelaars in gepekelde vis; Slagers;Tapijtwevers; Brouwers; Bakkers.

De selectiviteit van het liberale stadsbestuur had ongetwijfeld te maken met de opkomst van het socialisme. Hun voorlopers in Brussel waren de Wederdopers en de republikeinen. Bovendien waren de liberalen na de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht hun absolute meerderheid kwijt in de Brusselse gemeenteraad. Karel Buls meende dat “de socialisten stellen het collectivisme voor als de combinatie tussen een duizendjarige communistische droom, anarchisme, brood, vrije liefde en een aards paradijs”. En dat is wat de Wederdopers werd verweten.

In de 16de eeuw maakten de Nederlanden deel uit van het Spaanse wereldrijk van Keizer Karel V. Na zijn aftreden in 1555 werd zijn zoon Filips II de opvolger. Filips II zou de doelstellingen van zijn vader om religieuze en politieke uniformiteit na te streven meedogenloos verderzetten. De politieke oppositie en het protestantisme werden met harde hand bestreden.

De adel boette aan politieke invloed in ten voordele van een bureaucratisch en centralistisch regime uitgevoerd door technocraten en juristen van de absolutistische vorst. De bepalingen van zijn vader tegenover de protestanten gingen voort: afwijkende religieuze meningen werden niet geduld.

granvelle_2.jpgNa zijn vertrek naar Spanje werd de politiek uitgevoerd door Antoine Perrenot de Granvelle, een man van de harde lijn. In 1561 werd hij aangesteld als kardinaal-aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen. Hij vond dat de roerige provincies een lesje geleerd moest worden tijdens de Tachtigjarig Oorlog. Nederlandse geschiedschrijvers stelden Granvelle tegenover Willem van Oranje. Hij werd omschreven als “listigen, wreeden, laaghartichen aanhanger der Spaanse tiranij”. Later werd dat genunaceerd…

De oppositie werd vooral gevoerd door hoge edelen: militaire gouverneurs of stadshouders, vaak medewerkers van voormalig Keizer Karel of van koning Filips II. Zowel de keizer als de koning hadden geprobeerd om de hoge adel aan hen te binden door hen op te nemen in de Orde van het Gulden Vlies en de Raad van State. Er bestond echter ook een Geheime Raad en een Raad van Financiën waar de echte beslissingen genomen werden, voorbereid door technocraten, ambtenaren en juristen.

1563 wordt het jaar van de revolte tegen kardinaal Granvelle, het symbool van het regime en de repressie. Rederijker baron Gaspar Schitzt gaf in Brussel een diner waarbij de aanwezigen een zich tooiden met monninkskappen en paarse zotskappen. Paars was de kleur van de kardinaal. De Brussels burgers vonden dat leuk en begonnen overal hun deuren te versieren met dergelijke monniks- en zotskappen. De graaf van Egmont speelde eveneens het spelletje mee. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Hoorne vormt hij een driemanschap dat een brief stuurt naar koning Filips II: ofwel vertrekt Granvelle, ofwel nemen zij ontslag uit de Raad van State. Granvelle verliet in 1564 de Nederlanden.

willem van oranjeOndertussen radicaliseert het volk en vraagt het uitdrukkelijk aan Willem van Oranje om voor het calvinisme te kiezen door briefjes over de poort van zijn stadspaleis op de Koudenberg te gooien. Ondertussen was Filips Marnix van Sint-Aldegonde – die eveneens in Brussel woonde – al calvinist geworden.

In augustus 1566 breekt de Beeldenstorm uit in Zuidwest-Vlaanderen en verspreidt zich over de Nederlanden. In Brussel is hiervan in het begin niet veel te merken. Er zijn de ‘hagepreken’ en het protestantisme heeft zijn weg gevonden naar het gewone volk, dat net buiten de stadswallen bijeenkomt: Roodebeek, Josafatvallei… Bruegel, die in die periode in Brussel komt wonen, schildert de ‘hagepreken’.

De adel komt eveneens in beweging. Sinds de dood van Karel V is Brussel niet langer het financiële en politieke machtscentrum. De macht verschuift naar Spanje en zelfs Willem van Oranje moet inbinden. De hoge edelen – onder wie Willem van Oranje, Egmont, Horn en Brederode – waren niet zozeer gekant tegen de centralisatiepolitiek, maar vooral die tegen de bureaucratisering en technocratisering, waarbij zij nog enkel een adviserende, maar geen beslissende rol meer hadden.

De meeste edellieden hadden een optrekje in Brussel, ofwel in de buurt van het paleis op de Koudenberg, ofwel langs de straat die van het paleis naar de Paardenmarkt (nu Zavel) liep, die toen de Herenstraat heette (nu Karmelietenstraat en Wolstraat): Egmont bezat er het Egmontpaleis, Culemborg had een paleis waar nu de Albertkazerne is en Brederode verbleef op het huidige Poelaertplein (rechtover de Galgenberg).

Maar 1566 was vooral een hongerjaar. Er waren niet alleen misoogsten, maar er was vooral veel speculatie. De Zuidelijke Nederlanden importeerden graan uit de Baltische staten en uit het Noorden. Dat arriveerde via Amsterdam en Antwerpen. De graanhandelaren gebruikten de misoogst om woekerprijzen te vragen. Zo had de firma Pauwels van Dale in Antwerpen zoveel graan gestockeerd dat de zolder in elkaar zakte en het graan tot op straat stroomde, met oproer als gevolg.

Kardinaal Granvelle begreep er niets van. Hij vraagt zich af waarom het graan in de Nederlanden zo duur blijft. Maar de hongersnood blijft aanhouden. In een rapport over Brussel schrijft hij: “Wij hebben hier onder een vreselijke duurte van het graan te lijden, die met de dag erger wordt. Ik weet niet hoe wij het gemene volk in bedwang zullen houden… God moge ons voor een groot oproer beschermen! Wanneer het volk eenmaal opstaat, zal het, vrees ik, de godsdienst erin gaan betrekken.”

Ook Willem van Oranje vreesde dit en vroeg daarom op 24 januari 1566 aan de landvoogdes om de religieuze repressie te milderen: “De tijd schijnt mij slecht gekozen om de gedachten en gevoelens van het volk nog meer te prikkelen, dat toch al door de huidige schaarste en duurte van het graan meer dan genoeg is opgewonden en verontrust.”

Zelfs adel verarmt zienderogen. Willem van Oranje, de rijkste man van de Nederlanden, moet inbinden. Waar de kosten van zijn Brussels paleis vroeger 52.000 gulden per jaar bedroegen (160 personeelsleden), moet hij die terugbrengen tot ‘nog slechts’ 24.000 gulden (500x het jaarinkomen van een timmerman). Later zal hij in zijn apologie zijn motivatie voor de opstand zo samenvatten: “Voor de eer van God, de uitbreiding en de planting van zijn woord en het herstel van de welstand van het land.” Uiteraard vooral zijn welstand. Zijn welstand, die van de hoge adel en die van de graankooplui, werd bedreigt door een volksopstand.

In de zomer van 1565 is er in het kuuroord Spa overleg tussen vertegenwoordigers van de calvinistische kerkraden en Jan van Marnix van Sint-Aldegonde (broer van Marnix), Lodewijk van Nassau (broer van Willem), om een putsch te ondernemen en zo zelf hervormingen door te voeren. In april 1566 worden abdijen in Brabant geplunderd. Tijd om zelf, eventueel i.s.m. de rijkste laag van de handelsburgerij, het heft in handen te nemen. Maar Oranje en Egmont vrezen de reactie van het volk en Oranje komt met een nieuw plan. Het Verbond der Edelen zal een smeekbede opstellen en dat moet de landvoogdes ervan overtuigen dat een deel van de adel zich bij de oppositie heeft aangesloten. Het wordt psychologische oorlogsvoering, geen putsch. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde verwoordt het zo: “En zij die te voren, in afwachting van het treurige juk der tyrannieke inquisitie, besloten hadden een wanhoopsdaad te begaan en alles op het spel te zetten, voelden zich als uit de doden opgestaan en waren nu van vreedzamer gedachten vervuld.”

Het Verbond der Edelen kondigde begin april aan dat al zijn leden in volle oorlogsuitrusting naar Brussel zouden komen om gezamenlijk een klaagschrift te overhandigen. De landvoogdes was ontsteld en paniekerig. Vier- tot vijfhonderd edellieden, waarvan het merendeel met een groot gevolg, dat betekende een klein leger in Brussel. Er volgden onderhandelingen. Het Verbond bond in. Het zou maar een delegatie worden van kleine adel en slechts lichtbewapend. Blijkbaar bleef de adel loyaal en delandvoogdes haalde opnieuw adem. Oranje had morele druk onderschat. Het spel was op voorhand verloren.

Brederode trekt op 3 april 1566 ’s avonds met 200 ruiters Brussel binnen: allemaal edellieden, het pistool aan de gordel. Ze stallen hun paarden voor het Hof van Nassau, het huis van Willem van Oranje (nu Koninklijke Bibliotheek). Ze gaan akkoord over een gezamenlijke tekst: het Eedverbond der Edelen. Ze trekken naar het paleis op de Koudenberg: Willem van Oranje, Egmon en Hoorne zijn er niet bij. M.a.w. de hogere adel geeft verstek. Zij hebben veel te verliezen: hun positie én hun fortuin.

De raadgevers van de landvoogdes zijn niet onder de indruk: het zijn maar ‘bedelaars’, des geux.

De naam ‘geuzen’ was een verwijzing naar hun financiële situatie, hun schulden. Ze zijn adelijke bedelaars. Maar het gewone volk denkt dat de adel hun kant gekozen heeft.

Tijdens een banket verbroederen Egmont, Horn en Willem van Oranje. De gewapende opstand van de adel verdwijnt naar de achtergrond. De landvoogdes zou haar reactie op het smeekschrift overmaken op 18 augustus 1566 in aanwezigheid van de ridders van het Gulden Vlies en van het Verbond der Edelen. Maar op 10 augustus breekt de Beeldenstorm uit in West-Vlaanderen. Het is de bedoeling om de bijeenkomst in Brussel onder druk te zetten. Ook in Brussel breken onlusten uit.

Onder impuls van Egmont, Horn en Willem van Oranje doet de landvoogdes toegevingen: de plakkaten tegen de ketters worden opgeschort en de protestantse predikers worden (beperkt) toegelaten. Het driemanschap vreesde de gewapende opstand van het volk.

Het doek valt over de revolutie…

In oktober 1566 komen Willem van Oranje, Egmont, Horn en nog enkele anderen bijeen in Dendermonde om te spreken over verder verzet. Egmont wil het verzet stoppen uit vrees voor een volksopstand…

Ondertussen had koning Filips II de hertog van Alva opdracht gegeven om orde op zaken te stellen in de Nederlanden. Alva denkt dat hij het gemakkelijk zal hebben: de adel is getemd, de boeren zijn geïsoleerd, alleen nog de stedelijke burgerij en het werkvolk met terreur hun kettersheid ontnemen.

AlvaAlva neemt in augustus 1567 zijn intrek in het huis op de hoek van de Naamsestraat en de Herenstraat (nu Karmelietenstraat). Hij installeert de Raad van Beroerte of de Bloedraad en onteigent het Hof van Nassau, het stadspaleis van Willem van Oranje… De repressie start.

Eerst moet de adel het ondervinden omdat het in opstand gekomen: op 1 juni 1568 worden 19 edelen onthoofd op de Paardenmarkt (Zavel). Vier dagen later is het de beurt aan Egmont en Horn. Zij sympathiseerden met het Eedverbond, maar ondertekenden de smeekbede niet… Maar in Spanje was men niet vergeten dat beide graven, samen met Willem van Oranje, aan de basis lagen van het ontslag van kardinaal Granvelle. Alva nodigde Egmont en Horn uit op een diner, maar daarna worden ze aangehouden. Na een schijnproces, waarin hen onder meer verweten werd geageerd te hebben tegen Granvelle en het protestantisme en het Eedverbond te steunen, worden ze ter dood veroordeeld. Ze worden opgesloten in het Broodhuis op de Grote Markt. Na hun executie worden hun hoofden op staken gestoken en nadien – via Thurn en Taxis – worden ze verstuurd naar Madrid.

Nadien mag de bevolking het uitzweten.

Op piekmomenten worden tot 500 burgers gearresteerd. In heel de Nederlanden worden ongeveer 8000 mensen geëxecuteerd.

Vanaf 1569 voert Alva nieuwe belastingen in: de 100ste, de 20ste en de 10de Penning. Het verzet wordt groter: ongeveer overal is er verzet tegen de 10de Penning, maar het hevigst en het langst in Brussel. De nieuwe belastingen zijn eigenlijk een radicale aanval op de burgerlijke vrijheden: met de 10de Penning bepaalt de vorst voortaan zijn eigen dotatie, zonder inspraak van de Staten-Generaal.

Het protest in Brussel neemt grote proporties aan: bij weigering worden winkels gesloten, beroepsgroepen worden geviseerd, de Vleeshal sluit, de brouwers worden aangepakt, er breken stakingen uit… De onrusten duren tot ver in de jaren 70 van de 16de eeuw met als apotheose een eerste echte Brusselse geuzenrepubliek.

Bronnen:

“Brussel, van Renaissance tot Republiek”, Lucas Catherine, EPO/Berchem, 2014

– “De Graven Egmont en Horn : Slachtoffers van de politiek repressie in de Spaanse Nederlanden”, Gustaaf Janssens, Museum van de Stad Brussel, 2003

Wikipedia

Advertenties