1. Honger in bezet België

Iedereen weet het intussen wel: op 4 augustus 1914, viel het Duitse leger België binnen. De veroveringstocht verliep aanvankelijk vlot. Al op 14 augustus 1914 vaardigde de regering onder leiding van de katholieke minister Charles de Brocqueville een Koninklijk Besluit uit dat de lokale besturen verantwoordelijk stelde voor de bevoorrading van de bevolking. De gemeentebesturen moesten het aanwezige voedsel opeisen of hun eigen budget aanspreken om extra voedsel aan te kopen. De meeste gemeenten waren echter niet opgewassen tegen die taak. Er was ook gewoon te weinig voedsel. De voedselschaarste vormde sinds het begin van de bezetting het grootste probleem. Als bezet gebied werd ons land getroffen door de Britse economische blokkade tegen Duitsland. De invoer van levensmiddelen stopte en de binnenlandse productie was lang niet voldoende om het dichtbevolkte land te voeden. De opeisingen van de Duitsers deden de voorraden zienderogen slinken.

 

Zomerpaleis Brussel
Lingerieafdeling Zomerpaleis Brussel (foto: Amsab)

Het belangrijkste hulpcomité was het Brusselse Centraal Hulp- en Voedselcomité, dat eind augustus 1914 werd opgericht. De industrieel Ernest Solvay en Brusselse burgemeester Adolphe Max vroegen financiële steun aan de twee grootste bankinstellingen van de hoofdstad, de Société Genérale en de Nationale Bank, die hun medewerking toezegden. De plaatselijke comités, die moeilijk het hoofd boven water konden houden, vroegen op hun beurt hulp aan het Brusselse comité. Maar al vlug bleek dat er een nationale structuur nodig was. Op 29 oktober 1914 werd het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) opgericht met vertegenwoordigers van elke provincie. Het groeide uit tot de motor achter de hulpverlening in België. De dagelijkse leiding was in handen van Emile Francqui, topman van de Societé Genérale en een zeer  ondernemend bankier. Het bestond uit twee grote afdelingen, een eerste voor voedselbevoorrading en -verdeling en een tweede voor hulpverlening aan vluchtelingen, daklozen, werklozen en oorlogswezen. Het comité telde ongeveer 125.000 medewerkers.
Voor de aanvoer van de voorraden en voor het afdwingen van Duitse garanties dat het voedsel niet zou aangeslagen worden door de Duitse bezetter, was een neutrale partner noodzakelijk. Markies de Villalobar en Brand Whitlock, beiden ambassadeurs, namen die taak op namens Spanje en de Verenigde Staten. In 1915 sloot Nederland zich daarbij aan. De voedselvoorraden zelf werden in het buitenland verzameld door de Commission for Relief in Belgium (CRB). Die organiseerde de aankoop van levensmiddelen in de VS en het transport naar Europa. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité regelde, via een uitgebreid netwerk van provinciale en lokale comités, de distributie in België zelf. De Britse regering weigerde aanvankelijk voorraden aan België te leveren. Herbert Hoover, de voorzitter van het CRB (en latere Amerikaanse president), overhaalde echter de neutrale overheden om de invoer van levensmiddelen te verzekeren en de totale uithongering van de bevolking te verhinderen.

2. Harde tijden

In het najaar van 1914 liep de economische bedrijvigheid van het land met bijna 40 procent terug en zakte rond 1915 naar het nulpunt. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité probeerde aan de ergste noden tegemoet te komen. Het organiseerde niet alleen de voedselbedeling, maar gaf ook financiële bijstand, kledij en brandstof en ondersteunde talrijke  liefdadigheidsinitiatieven. Die hulp zorgde ervoor dat een aantal mensen niet noodgedwongen in Duitsland moest gaan werken.

soepbedeling
Soepbedeling (foto: Amsab)

Niet alleen werklozen en de behoeftigen hadden het moeilijk, ook de koopkracht van diegenen die nog een inkomen hadden, ging voelbaar achteruit. De Duitse opeisingen, de woekerprijzen op de zwarte markt en het hamsteren van levensmiddelen leidden tot aanzienlijke prijsstijgingen. Steeds meer mensen moesten een beroep doen op openbare steun. In sommige gemeenten leefde meer dan 70 procent van de bevolking van de dagelijkse soepbedeling. Niet alleen armen, zieken en bejaarden, maar ook werkende arbeiders vroegen om ondersteuning. Beroepsgroepen zoals winkeliers (lege stocks), ambachtslui (gebrek aan grondstoffen) en kleine spaarders (getroffen door de inflatie) die nog nooit van steun afhankelijk waren geweest, stonden aan te schuiven in de rij. Ongeveer 40 procent van de Belgische bevolking maakte in 1917 gebruik van de soepbedeling. Die werden georganiseerd in 74 procent van de Belgische gemeenten, met als zwaartepunt de steden en de industrieregio’s.
‘Hulp was klassegebonden. Aan de ene kant waren er de kale soepkantines voor de armen.
Aan de andere kant de restaurants économiques voor de burgerij.’ (uit: Giselle NATH, Brood willen we hebben! Honger, sociale politiek en protest tijdens de Eerste Wereldoorlog in België, p. 97) 

Restaurant économique
Restaurant économique (foto: Amsab)

Goederen werden vanuit Rotterdam verscheept, kwamen toe in de grote hangar van de Compagnie des Installations Maritimes in Brussel en vervolgens verder verdeeld naar magazijnen, die elk hun eigen boekhouding en een strenge reglementering qua stockage en inventarisatie hadden. De grote hal van het postbedrijf Messageries Van Gend aan de Henegouwse Steenweg in Brussel was het centrale soeppunt. Om 25.000 liter soep per dag te produceren werkten ze vanaf twee uur ’s nachts in twee shiften. De verschillende verantwoordelijken zorgden voor de aankoop van vlees en groenten, aardappelen, ajuin, brood en andere levensmiddelen.
De Administration des Hospices et Secours de la ville de Bruxelles organiseerde de verdeling van brandstoffen. 17.000 huishoudens kregen elk 40 kilo kolen per week, en dat zowel voor het bereiden van voeding als voor de verwarming (‘0,50 cent voor 40 kilo, gratis was de uitzondering’). De kolen werden vervoerd via het kanaal van Charleroi en verder verdeeld over vier depots in Brussel: de oude gevangenis van de Minimenstraat, de Pachécolaan, het meisjesweeshuis (Quartier Nord-Est) en het slachthuis (Anderlecht).

In augustus 1914 startte de Union patriotique des femmes belges al een linnendienst op. Het waren vooral vrouwen die de kledij naaiden, breiden en haakten. Vanaf 1 november 1914 was er een kledingmagazijn in het Zomerpaleis in Brussel. Daar werden zowel tweedehands- als nieuw gemaakte kleren gesorteerd en verdeeld. Voor het herstellen van de kledij werd een beroep gedaan op werklozen uit de textielsector. Vanuit deze centrale depot gebeurde de verdeling verder over de provincies.

 

Bron: Rita Calcoen (collectiemedewerker, Amsab-ISG) en Rik De Coninck (archivaris Amsab-ISG)

Advertenties