Net zoals de eerste omwalling werd ook de tweede stadswal (14de eeuw) gebouwd op een aarden talud. Voor de eigenlijke muur werd voornamelijk gebruik gemaakt van baksteen afgewisseld met plaatselijke natuursteen. De nieuwe beschermende omwalling was acht kilometer lang en telde een zeventigtal halfronde wachttorens met in het oosten twee ronde hogere torens: de Wollendriestoren en de Blauwe toren. Aanvankelijk waren er ook zeven toegangspoorten: de Anderlechtse-, Schaarbeekse-, Vlaamse-, Lakense-, Leuvense-, Naamse-, en Hallepoort. In de loop van de 16de eeuw werd echter een achtste poort, de Oeverpoort bijgebouwd om het kanaal dat de nieuwe Brusselse binnenhaven met de Rupel en de Schelde verbond de stad te laten binnenstromen.

De godsdienstoorlogen in de tweede helft van de zestiende eeuw en de latere aanslepende conflicten met de Franse koning Lodewijk XIV (1638-1715) drukten evenwel hun stempel op de versterkingen die aan de omwalling werden toegevoegd. Zo werden indrukwekkende aarden constructies van bastions en ravelijnen aangelegd om in te spelen op de vooruitgang van de artillerie. De snel evoluerende oorlogsvoering zorgde er echter voor dat einde achttiende eeuw de stadsversterkingen geen militair nut meer hadden en onder keizer Jozef II (1741-1790) werd dan ook begonnen met een gedeeltelijke ontmanteling van deze tweede stadsomwalling. Het was echter Napoleon (1769-1821) die in 1810 de knoop doorhakte en het bevel gaf om de omwalling helemaal af te breken en ze te vervangen door brede lanen. Slechts één poort bleef gespaard van de afbraak, namelijk de Hallepoort omdat deze destijds dienst deed als gevangenis. In de laatste decennia van de negentiende eeuw kreeg de Hallepoort haar huidig neogotisch uitzicht, na een grondige restauratie van de architect Hendrik Beyaert (1823-1894). Inmiddels doet deze vroegere veertiende-eeuwse stadspoort dienst als museum.

De brede ringlanen die in de plaats kwamen van de omwalling werden uitgetekend door architect Jean-Baptiste Vifquain (1789-1854). Aan de buitenrand van deze bomenrijke boulevards bevonden zich kleine hekjes en schuttingen die de stad scheidde van het platteland. Bij deze afsluitingen stonden neoclassicistische paviljoentjes die fungeerden als tolhuisjes. Hier werd de stedelijke octrooibelasting, de tol op goederen geïnd. Toen het octrooirecht in 1860 werd afgeschaft werden deze afscheidingen die het materiële symbool waren van deze gehate belastingsvorm door een euforische menigte vernield. Enkele van de tolhuisjes bestaan echter vandaag de dag nog steeds. In één ervan, aan de Anderlechtse poort, werd in juni 1988 het riolenmusem geopend. De bezoeker krijgt er aan de hand van maquettes en een ondergronds bezoek aan een hoofdriool een inzicht over de historie van het Brusselse rioleringsnet.

In de aanloop van de wereldtentoonstelling van 1958 werden grote stedenbouwkundige projecten opgestart die het aanzicht van de boulevards ingrijpend wijzigden. Tunnels werden gegraven om het toenemend autoverkeer vlotter te laten verlopen en vanaf 1970 werden ook de eerste metrotunnels uitgegraven. Slechts weinig mensen zijn zich evenwel bewust dat op het tracé van deze boulevards ooit een prestigieuze en imponerende stenen verdedigingsmuur stond.

 

Sourced through Scoop.it from: historiek.net

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertenties