Onder impuls van de Hertog van Brabant, Hendrik I (1190-1235), wordt het project opgestart. Het bouwproces verloopt echter in meerdere opeenvolgende etappes en zal uiteindelijk verscheidene decennia lang duren. Het grillige vier kilometer lange tracé dat omwille van de topografische eigenschappen van het terrein rekening moest houden met een hoogteverschil van bijna veertig meter tussen de beneden- en bovenstad was daar zeker niet vreemd aan. Daarenboven dienden alle belangrijke wijken en ontwikkelingspolen zoals de handelshaven aan de Zenne, de Sint-Michiel & Goedele kerk, net zoals het hertogelijk paleis op de Coudenberg binnen de versterkte perimeter van de omwalling komen te liggen.  

Als bouwprincipe van deze fortificatie greep men terug op een veelgebruikte en beproefde constructie in onze gewesten, namelijk een walmuur met funderingsbogen verankerd in een aarden wal. Eerst werden toegangspoorten en wachttorens gebouwd. Nadien wordt langs de tracélijn een ongeveer tien meter brede gracht gegraven en vervolgens bouwt men een eerste reeks van boogvormige funderingen die met de uitgegraven grond afkomstig uit de gracht wordt bedolven. Op deze fundering komt een tweede boogconstructie waartegen aan de veldzijde dan een versterkte walmuur wordt gemetseld met langs de binnenkant een weergang die de poorten en torens moet verbinden. Een vrijwel uniek restant van dergelijke opbouw is in het oude stadscentrum nog steeds te zien, met name in de Villersstraat, niet ver van de plaats waar het overbekende bronzen beeldje van ‘Manneke Pis’ staat dat jaarlijks miljoenen toeristen aantrekt en werd vervaardigd door Hiëronymus Duquesnoy de Oudere (ca. 1570-1641).  

Om zowat de vijftig meter zorgden hoefijzervormige torens voor de nodige bescherming. Deze wachttorens bestonden uit twee verdiepingen en waren voorzien van meerdere schietgaten en openingen naar de borstwering toe. Bovenaan bevond zich een terrasvormig platform, afgesloten met kantelen en merloenen (de tussenruimte in een kanteelbekroning bedoeld als schietgat). Eén van de amper vier resterende torens van deze eerste dertiende-eeuwse stadsomwalling die bewaard is gebleven, is de Anneessenstoren. De naam verwijst naar de Brusselse gildedeken van de schaliedekkers en stoelenmakers, François Anneessens (1660-1719), die in de toren werd gevangen gezet omdat hij weigerde zich te onderwerpen aan de nieuwe regels voor de vakgenootschappen die door de plaatsvervangende Oostenrijkse landvoogd Hercule-Louis Turinet, markies van Prié (1658-1726), werden opgedrongen. De toren stond in die periode via een latere bijgemetselde gang op de weergang in verbinding met de aanpalende ‘Steenpoort’, die vanaf medio zestiende eeuw dienst deed als gevangenis.  

De ‘Steenpoort’ was één van de zeven stadspoorten die als heuse verdedigingsbastions toegang gaven tot de stad ‘intra muros’. De andere toegangspoorten waren respectievelijk de Overmolen-, Sint-Katelijne-, Warmoesbroek, Lakense-, Coudenberg-, en Treurenbergpoort. Overdag werden via deze poorten accijnzen geïnd op handelswaren, en éénmaal na zonsondergang gingen deze stadspoorten onherroepelijk dicht. Om de toegang tussen het eigenlijke stadscentrum en de omliggende woonwijken enigszins te vergemakkelijken werden daarenboven reeds vanaf eind dertiende eeuw secundaire poorten en winketten (kleinere deuren of openingen in een grotere poort) in de omwalling aangebracht. 

Vrij spoedig bleek deze eerste stadsomwalling al ontoereikend om de steeds verdere aangroeiende bevolking te herbergen en te beschermen. Door het schrijnende plaatsgebrek ‘intra muros’ ontstonden dan ook verscheidene woonwijken buiten de eigenlijke stadsomwalling, hetgeen als het ware zowat een uitnodiging was om de stad te belegeren en te plunderen. In 1356 kon de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male (1330-1384), dan ook vrij gemakkelijk de stad enige tijd innemen. Deze gebeurtenis spoorde het Brusselse stadsbestuur ertoe aan om na de herovering van de stad een tweede, veel ruimere stadsomwalling te bouwen. De oorspronkelijke eerste omwalling verloor hierdoor vrij snel haar militaire functie en werd in de daaropvolgende eeuwen opgenomen in het stadsweefsel om tenslotte einde negentiende eeuw tijdens de grootschalige moderniseringswerken van de stad grotendeels afgebroken te worden. Gelukkig zijn hier en daar, verspreid over de stad, nog enkele overblijfselen te bezichtigen.

Sourced through Scoop.it from: historiek.net

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertenties