Op 1 april 1916 werd Gabrielle Petit geëxecuteerd. In de jaren ‘50 kende iedereen haar nog. Maar nu is ze vergeten. De jonge Belgische vrouw was spion voor de Britten. Maar dat bekocht ze met haar leven. Na haar executie groeide ze uit tot een “heldin van het volk”.

 

280 spionnen, waaronder 10 vrouwen, werden tijdens de oorlog door de Duitsers voor het vuurpeloton gezet. De “spionnen” leverden informatie over het gaan en staan van de Duitse troepen aan het Belgische leger en aan de geallieerden. Een van die tien vrouwen was Gabrielle Petit. Petit werd geboren in Doornik in 1893 in een liefdeloos en onstabiel gezin. Wanneer ze negen is, wordt ze samen met haar zus Hélène naar een internaat gestuurd na de dood van haar moeder. Pas zeven jaar later trekken de twee weer even in bij hun vader, maar al snel verlaat Gabrielle het ouderlijke huis. Het botert namelijk niet tussen haar en haar vader. De jonge vrouw verhuist naar Brussel. Om te kunnen overleven, neemt Gabrielle verschillende baantjes aan. Zo is ze dienstbode, kinderoppas, naaister of winkelmeisje. Door haar moeilijke jeugd en een aantal gebroken relaties, onderneemt Petit in 1911 een zelfmoordpoging. Maar dat bleek uiteindelijk haar redding. Haar buren, de familie Collet, besluiten om Gabrielle onder hun hoede te nemen.

 

Uiteindelijk krijgt Garbielle een baantje te pakken als serveerster in een café aan het Zuidstation in Brussel.

 

Het is in dat café dat ze, aan de vooravond van de oorlog, sergeant Maurice Gobert leert kennen. De twee verloven zich. Wanneer de oorlog uitbreekt en Gobert ernstig gewond raakt, komt hij terecht in een ziekenhuis in Antwerpen. Die stad werd echter wat later ingenomen door de Duitsers: Gobert wil wegvluchten. Uiteindelijk lukt het Gobert om, met de hulp van Gabrielle, tot in Nederland te geraken. Van daaruit kan hij naar Groot-Brittanië, om zich zo aan de andere kant van het front weer aan te sluiten bij het Belgische leger.

 

Spoorwegspionage

Via die vluchtroute van haar verloofde, kwam Gabrielle uiteindelijk in contact met de Britse inlichtingendienst. Petit kwam over als een zeer geëmancipeerde, patriottische en heel zelfstandige vrouw. De Britse geheime dienst vroeg haar daarom of ze, tegen betaling, wilde meewerken aan een spionagenetwerk dat de Britten in België, dat bezet werd door de Duitsers, wilden uitbouwen. Gabrielle hapte toe. Na een korte opleiding kon ze aan de slag. Ze moest zich vooral focussen op spoorwegspionage. Bedoeling was dat ze de Duitse troepenbewegingen per spoor in kaart bracht en de informatie daarover doorgaf aan de geallieerden: hoeveel wapens worden er getransporteerd, waar worden de munitievoorraden opgeslagen, waar wordt er afweergeschut geplaatst, wanneer arriveren en vertrekken troepen,…

 

Alles werd door Gabrielle Petit in de gaten gehouden en genoteerd op onder andere sigarettenpapier. Dat laatste was bewust gedaan: als ze ooit gepakt zou worden, kan ze de “notities” gewoon oproken.

 

Intussen had de jonge vrouw zichzelf ook een schuilnaam gegeven: ze kiest voor Mademoiselle Legrand. De notities gaf ze telkens aan haar buurvrouw, Marie Collet, die de notities op haar beurt weer aan koeriers gaf die ze naar Nederland probeerden te smokkelen. Via dezelfde weg, maar dan in omgekeerde richting, kreeg Petit haar loon van de Britten. Verspreiding La Libre Belgique Dat de activiteiten van Petit niet zonder risico waren, merkte ze maar al te vaak tijdens de oorlog. Verschillende mensen die verdacht werden van spionage, werden geëxecuteerd.

 

En de Duitsers hadden intussen ook contraspionagediensten opgezet die de spionnen van de geallieerden moest opsporen. Maar dat hield Petit niet tegen. Ze gaat zelfs nog een stapje verder. Zo zette de vrouw zich in om mee La Libre Belgique, het grootste illegale verzetsblad in België, te verspreiden. Petit werkte daarnaast ook mee aan “Le Mot du Soldat”, een geheime postdienst. Uiteindelijk liep Petit toch tegen de lamp: begin 1916 komen de Duitsers haar op het spoor. Na een tip van een verrader en een hinderlaag, wordt ze samen met haar buurvrouw Marie Collet opgepakt door de Duitsers en opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis. De twee werden voortdurend ondervraagd. Hoewel Collet een belangrijke schakel was in het bezorgen van info aan de Britten, houdt Petit haar een hand boven het hoofd en beweert ze dat Collet onschuldig is. Petit weigerde ook de namen te lossen van haar andere medewerkers.

 

Intussen zette ze ook nog eens patriottische slogans op de muur van haar cel, zoals bijvoorbeeld “Ik vraag geen genade, om de mof te laten zien dat ik mijn voeten aan hem veeg.” Bewakers maakten de muren telkens weer proper, maar Petit hield vol dergelijke slogans telkens weer op de muur aan te brengen.

 

Op 2 maart 1916 ging uiteindelijk het proces tegen de twee vrouwen van start. Net als tijdens haar ondervragingen, weigerde Petit ook tijdens het proces om ook maar één naam vrij te geven. Petit houdt voet bij stuk en legt elke kans op genade doelbewust naast zich neer. Het werd haar niet in dank afgenomen: militair aanklager Eduard Stöber eiste de doodstraf voor Petit. Collet wilde hij 15 jaar achter de tralies zien. Dat laatste lukt Stöber niet: Collet werd bij gebrek aan bewijzen vrijgesproken. De straf van Petit werd daarentegen wél bevestigd: ze kreeg de doodstraf.

 

Vuurpeloton 

De straf wordt uitgevoerd op 1 april 1916, in alle vroegte. De 23-jarige Petit wordt voor het vuurpeloton geplaatst. Ze weigert aanvankelijk een blinddoek aan te doen.. De Duitsers begraven haar in een ongemarkeerd graf. Maar na de oorlog groeit Petit toch uit tot een verzetsheldin. Haar vrijwillige aanvaarding van de dood, haar hulp tijdens de oorlog, haar vaderlandsliefde, haar volhardende verzet,… maakten van haar snel een “heldin van het volk”.

 

Het lichaam van de jonge vrouw wordt in mei 1919 opgegraven, waarna Petit een staatsbegrafenis krijgt. De vrouw ligt nu begraven in Schaarbeek. Haar populariteit groeit snel: in 1920 en 1928 werden er films over haar leven gemaakt. Er werden ook toneelstukken en gedichten over de spionne geschreven. Uiteindelijk krijgt Gabrielle Petit in 1923 een standbeeld in Brussel. Het was daarmee het eerste standbeeld voor een vrouw uit de werkende klasse op Europees grondgebied. Onder massale publieke belangstelling en in aanwezigheid van heel wat hoogwaardigheidsbekleders werd het standbeeld op het Sint-Jansplein onthuld. Op het voetstuk staat geschreven: “Ik ben ter dood veroordeeld. Ik word morgen terechtgesteld…. Ik zal hen tonen hoe een Belgische vrouw weet te sterven”.

 

Sourced through Scoop.it from: www.nieuwsblad.be

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertenties