Dertien bioscoopzalen waren er in vervlogen tijden in Molenbeek. Nu zijn ze allemaal verdwenen, maar toch blijft de gemeente sterk verweven met het witte doek.  

 

J e zou het Molenbeek vandaag niet nageven: het witte doek, glamour en een magische vrijdagavond in de bioscoopzaal. Niet dat de gemeente tegenwoordig van beeld verstoken blijft…

Ooit was het anders. Molenbekenaar Jean Boterdael en zijn vrouw Maria Vandenbosch verzamelen met hun heemkundige kring Molenbecca historische gegevens over Sint-Jans-Molenbeek. Dat levert het gepensioneerde echtpaar – beide waren gemeenteambtenaren – vier garages vol documenten en archiefstukken op. De filmgeschiedenis van Molenbeek vormt daar een deel van.

 

Studio Karreveld 
In feite gaat de Molenbeekse filmgeschiedenis langer dan honderd jaar mee. In de winter van 1908 richt de Franse vereniging Pathé Frères een studio op aan het Karreveldkasteel in Hoog-Molenbeek. Het gaat om een provisoire zaal, die in de loop der jaren op de kasteelsite gebetonneerd wordt. In 1912 vestigt de Franse filmmaker Alfred Machin zich in Molenbeek, meer bepaald op de Gentsesteenweg. Hij zal de Karreveldstudio’s uitbaten tot in 1919. Machin genoot in zijn tijd veel sympathie bij de Brusselaars omdat hij in zijn stomme films verwijzingen naar het lokale dialect aanbracht. Buurtbewoners mochten ook vrijwillig figureren in enkele van zijn films. In 1919 vertrekt Machin echter terug naar Frankrijk. Zijn studio blijft nog tien jaar bestaan onder een andere uitbater. Na de oorlog wordt ze nog intensief gebruikt. Onder meer Bruges la Morte wordt er gedraaid. Maar de Karreveldstudio’s zullen de opkomst van de sprekende film niet overleven.

In diezelfde beginjaren doet ook elders in Molenbeek de film zijn intrede. Vanaf 1908 fungeerde het socialistische Volkshuis in de toenmalige Hertstraat als filmzaal. Later zou de Hertstraat daarom veranderd worden in de Cinemastraat. Eenzelfde verhaal een beetje verder: in de Sacristiestraat wordt in geluksjaar 1908 de zaal Kinox opgericht, al heette die bioscoop toen nog niet zo. Ook door deze zaal zou de straat een andere naam krijgen: de Pradostraat. Vandaag de dag herinnert alleen de straatnaam nog aan dit filmverleden.

 

Parket, balkon… of loge
Vanaf de jaren twintig schieten er vele andere zalen als paddenstoelen uit de grond. Zoals Corso in de Zwarte Vijversstraat, maar ook Le Léopold op de Leopold II-laan. En dan waren er de twee grote zalen, Forum op de Genstesteenweg 42, met maar liefst 1385 plaatsen, en Crystal, op wandelafstand daarvandaan, met 1195 plaatsen. Die twee werden als ‘chique’ beschouwd. Forum had bijvoorbeeld een mooie gevel, die vandaag beschermd is. Andere bioscopen hadden een slechtere naam, zoals de Corso, die ‘de vlooienbak’ werd genoemd.

In die tijd betekende naar de bioscoop gaan nog iets. Tot in de jaren 1950 werd elke voorstelling bijvoorbeeld bijgewoond door een politieagent om een oogje in het zeil te houden. Ook zijn er verschillende zitplaatsen te verkrijgen die van prijs verschillen. Zo had je het ‘parket’, onderaan bij het gordijn, de goedkoopste klasse stoelen en waren er armstoelen iets meer achterin. De ‘balcons’ achteraan bovenin de zaal waren – toen al – vooral in trek bij koppeltjes. Jean Boterdael liet een getuigenis optekenen van een bioscoopbediende, die op een bepaald moment een mannelijk hoofd achter een zetel zag verdwijnen, en dat terwijl hij in het gezelschap verkeerde van een vrouw. Er werd ingegrepen, er zaten namelijk kinderen in de zaal. Koppeltjes die een fooi gaven, werden desgewenst wel met rust gelaten. Als het tenminste allemaal in de afgezonderde loges gebeurde, uit het zicht.

Doorgaans was er altijd veel volk in de bioscoop als er een nieuwe film werd vertoond. De snoepwinkels in de buurt stilden de kleine hongertjes. En na de voorstelling dronk men graag een glas in de foyer, of elders. In vele café’s kon men namelijk kortingsbonnen krijgen voor de film.

De meeste bioscopen waren uitgerust met een podium, zodat men de zalen ook kon gebruiken voor prijsuitreikingen of voor lezingen die aan de filmvoorstelling vooraf gingen. In het Volkshuis propagandeerde men bijvoorbeeld soms, bij wijze van introductie tot de film. Een serieuze aangelegenheid. In de zalen die alleen gebruikt werden voor filmvoorstellingen kon men op eender welk moment binnenstappen. Dat had zo zijn redenen: de zaal werd ook in de winter verwarmd, waardoor in oorlogs- of crisistijd bezoekers doorlopend konden kijken… en zich konden verwarmen.

Maar de gouden jaren van de Molenbeekse cinema zouden niet blijven duren. Door de opkomst van de televisie gaf het publiek steeds meer verstek. Sommige zalen probeerden daarop een jonger publiek aan te trekken door ‘jongere’ films aan te bieden op donderdagnamiddag, toen de jeugd vrij had van school. Het baatte niet echt. In 1960 bleven er nog negen zalen over. Maar in de jaren 1970 sloten de overblijvers één voor één.

Vandaag herinnert weinig nog aan het roemrijke bioscoopverleden van Sint-Jans-Molenbeek. Hoewel Forum nog dezelfde gevel heeft, herbergt de ‘zaal’ nu een meubelwinkel. Crystal is een zakencentrum geworden. En Kinox verwerd tot een Maghrebijnse supermarkt. Wat Le Leopold vandaag is, is niet echt duidelijk.

 

Decor 
Je kan er geen films meer bekijken, maar dat betekent niet dat er niets beweegt in Molenbeek. Zo is regisseur Nabil Ben Yadir, van de film Les Barons, een Molenbekenaar.

Molenbeek als Hollywood, kortom. Want buiten Les Barons en Image is Molenbeek al vaak het decor van films geweest. De bekendste film is misschien L’Orchestre Rouge van Jacques Rouffiou, gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de Poolse Jood Leopold Trepper, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Zwarte Vijversstraat een bedrijf in regenmantels gebruikt als dekmantel voor een inlichtendienst die opereert op bevel van Moskou. Trepper is immers communist.

Sourced through Scoop.it from: www.brusselnieuws.be

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertenties