Sint-Jans-Molenbeek is een dorp in de buurt van Brussel dat vanaf 1800 langzaam maar zeker verstedelijkte en nu volwaardig deel uitmaakt van de hoofdstad. Met de studie van de namen en bijnamen die de inwoners aan hun woonplaatsen geven, schetst de toponymie een beeld van het leven dat zich daar afspeelt: verstedelijking, industrialisering, economisch verval, migraties en evolutie van het taalgebruik. De volledige geschiedenis van een streek speelt zich voor onze ogen af via de waarnemingen en mentaliteiten, met de ambities en de trots van zijn inwoners, de spanningen tussen volkeren en de evolutie van de sociale realiteiten. 

Karreveld

Sint-Jans-Molenbeek, Molenbeek-Saint-Jean in het Frans, is één van de negentien gemeenten die vandaag het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vormen. Dit vroegere dorp aan de poorten van de stad Brussel is in de loop van de jongste twee eeuwen uitgegroeid tot een sterk verstedelijkte en dicht bevolkte gemeente in het noordwesten van de Brusselse agglomeratie. De gemeente draagt veel meer dan deze twee namen, die dan wel niet officieel zijn, zoals het platte Muilebeik, maar door hun oorsprong en hun gebruik een volks karakter hebben. Hetzelfde fenomeen geldt voor de namen van bepaalde straten. Zo werd de Paalstraat of rue de la Borne in het Frans ooit in het Molenbeeks IJzermanstroetje [straatje van de ijzeren man] genoemd. Ook bepaalde gebouwen dragen naast hun officiële naam, een volksnaam die ze te danken hebben aan het gebruik binnen de administratie. Zo wordt het grote sociale appartementsgebouw dat officieel Sint-Lazarushof is gedoopt en dat op het einde van de jaren 1920 werd gebouwd, bijvoorbeeld ook het Sint-Lazarusblok genoemd of, korter en in het dialect, den blok [het blok].

De toekenning van namen of bijnamen, in het dialect of in standaardtaal is een gangbaar, lees banaal fenomeen, dat in meer dan een opzicht interessant is. Volksnamen zijn in de eerste plaats een diep menselijke, soms pittoreske en smakelijke weerspiegeling van de geest van de bewoners van een bepaalde plaats. Met de benoeming wordt een plaats ten tweede geïdentificeerd en gekenmerkt. Zo dragen deze namen bij tot de oriëntatie en de positionering van de spreker, niet enkel in de geografische ruimte, maar ook in de sociale en culturele ruimte die de zijne is. Verder creëert de gedeelde kennis van volksnamen een groepsgevoel, drukt dit uit en steunt het. Men herkent elkaar door het gebruik van dezelfde namen. Ze worden immers als meer authentiek ervaren omdat ze in een gemeenschappelijke beleving en een collectieve mentaliteit verankerd zijn. Het kennen en analyseren van deze ‘parallelle’ nomenclatuur leidt bijgevolg tot een betere bewustwording van de beleving en de mentaliteit van een plaatselijke bevolking en tot een beter begrip. Hoewel ze overal bestaan, hebben onderzoekers nooit interesse getoond voor volksnamen in de stad. Men houdt zich liever aan de officiële plaatsnamen en, bijvoorbeeld, de ideologische inzet die de grondslag vormt voor hun evolutie (voor de studies van Franse gevallen verwijzen we naar Bouvier en Guillon, 2001).

Het is natuurlijk zo dat volksnamen te lijden hebben onder een reputatie van ‘folkloristische’ en ‘kleurrijke’ terminologie die geen onverbloemde, lees scatologische uitdrukkingen schuwt. De gemeentelijke overheid heeft de afgelopen jaren niettemin platen met de vroegere namen of populaire bijnamen naast de platen met de officiële straatnamen laten ophangen in de volkswijk van de Marollen, in Brussel-Stad. Wat de volksnamen van Sint-Jans-Molenbeek betreft, hebben Aimé Bernaerts en Roger Kervyn de Marcke ten Driessche (1951) vooral, alsook Louis Quiévreux (1951 en 1969), Jean Francis (1975) en Antoon-Willem Maurissen (1980) de verdienste om enkele namen – ongeveer een tiental – te vermelden en om zich soms aan een historische uitleg te wagen. Hun aanpak is echter niet systematisch en zondigt door een bepaald tekort aan rechtlijnigheid. Pierre Van Nieuwenhuysen (1979), de enige auteur van een wetenschappelijke studie van de vroegere en hedendaagse Molenbeekse toponymie, heeft slechts bepaalde volksnamen weerhouden die vroeger door J. Francis werden vermeld, maar heeft de dialectuitspraak van bepaalde andere genoteerd. We hebben de namen die hoger vermelde auteurs hebben vermeld, genoteerd en onderling vergeleken; peilingen uitgevoerd in verschillende schriftelijke bronnen; op empirische wijze en zonder steekproef een studie via vragenlijst gedaan naar de kennis en het gebruik van de volksnamen die verband houden met de gemeente; een reeks bejaarde getuigen ondervraagd tijdens onze veelvuldige ontmoetingen en het resultaat geraadpleegd van twee toponymie-enquêtes van 1954 en 1970 van het Militair geografisch instituut (vandaag het Nationaal geografisch instituut). Uitgaande van een historische benadering werden hoofdzakelijk namen in Vlaams dialect genoteerd, van welke een groot deel op zijn minst teruggaat tot de eerste helft van de XXste eeuw. De enquête heeft echter ook meer recente en actuele namen in het Nederlands en in het Frans ontdekt, wat aantoont dat er nog altijd een toponymische creativiteit is en dat de behoefte om ‘anders’ te benoemen, blijft bestaan. Er moet echter nog een meer systematische inzameling op grotere schaal en een diepgaande historische en sociolinguïstische analyse van de volksnamen worden gerealiseerd. De namen die door de politieke macht worden gekozen en aangenomen, die door de overheid worden gebruikt en die op de stadsplannen, in telefoonboeken en andere registers worden vermeld, werden als officiële namen beschouwd. Alle namen die niet tot deze categorie behoren, worden dus als volksnamen beschouwd. Het is echter zo dat de officiële toponymie gedeeltelijk op de oude volksnamen is geïnspireerd (Beekkant en Ossegem bijvoorbeeld, die straatnamen en de naam van een metrostation werden) en dat de sprekers, afhankelijk van de omstandigheden, het ene of het andere toponymische register gebruiken. Het gebeurt in dit opzicht regelmatig dat iemand zegt dat hij op de Machtens of op de Mettewie woont, dat wil zeggen op de Edmond Machtenslaan of op de Louis Mettewielaan.

Verder verduidelijken we dat het adjectief ‘volks’ niet noodzakelijk betekent dat een volledige plaatselijke bevolking de naam kent. Vandaag hangt de kennis (of het gebrek daaraan) van een bepaalde plaatsnaam in Sint-Jans-Molenbeek vaak af van de leeftijd van de persoon, van zijn geografische en sociale afkomst, van zijn moedertaal en voertaal, van de wijk waar hij woont, van de duur van zijn verblijf in de gemeente, enz. Men kan eenvoudiger stellen dat de toponymische praktijken even divers en veelzijdig zijn als de bestanddelen van een Molenbeekse bevolking die permanent evolueert.

(…)

 

Wat onthouden we van deze ongetwijfeld onvolledige oogst aan volksnamen van de gemeente, haar verschillende zones, wijken, straten, steegjes, pleinen, enz. ?

Ten eerste de geladenheid en de duidelijke dominantie van namen in Vlaamse volkstaal onder de oude benamingen. Gelet op het belang van de dialecten binnen de volkslagen, zelfs in stedelijk milieu, tot ten minste de Tweede Wereldoorlog, is deze vaststelling niet verrassend in het geval van een gemeente uit de Brusselse agglomeratie. En toch kan men zich afvragen of er ook geen bijnamen in het Frans waren, in elk geval in de burgermilieus. We denken hier aan het voorbeeld van (petit) Manchester belge met een valoriserende connotatie.

Ten tweede de sterke erosie van oude volksnamen die nog hoofdzakelijk gekend zijn bij bejaarde personen indien ze niet al in de vergetelheid zijn verzeild. Dit zou het resultaat kunnen zijn van het vertrek van een deel van de rasechte Belgische bevolking en haar vervanging door nieuwe inwoners, al dan niet van buitenlandse afkomst. Men kan er simultaan het resultaat in zien van de veralgemening van de verlengde schoolplicht en de invloed van de massamedia die het gebruik van standaardtalen ten nadele van het dialect van de vroegere mondelinge volkscultuur bevordert. In diezelfde gedachtegang merken we een zekere ‘besmetting’ van de gewesttaal en het Nederlands door de Franse taal op: hetzij via de hybride straatnamen waarvan het eerste deel in het Frans gevolgd wordt door ‘stroet’ [straat] – Billardstroet, Colonnestroet, Finstroet – of bestaande uit een Nederlands lidwoord, gevolgd door een Franse naam – de Jubelfeest voor de Jubelfeestlaan (boulevard du Jubelfeest) en de Saint-remi voor de wijk rond de Sint-Remigiuskerk – of via de hybride formule, half-volkstaal, half-Frans, Meulebeik-Saint-Jean zoals een ondervraagde op onze vragenlijst noteerde; of door het alternerende gebruik van straatnamen, nu eens in het Nederlands, dan weer in het Frans, net als in de herinneringen onder romanvorm van Pierre Platteau, geboren in 1945; hetzij via de verschijning van een Franse naam als vertaling van de dialectnaam zoals in het geval van de herberg die het restaurant Koeieschiët werd, Queue de vache genoemd (en na de verandering van eigenaar, New Queue de vache …).

Ten derde het vaak directe, beknopte en pragmatische karakter van de Vlaamse volksnamen. De Pièremet [paardenmarkt] voor de Hertogin van Brabantplaats, de Ziepstroet [Zeepstraat] voor de Zeepziederijstraat of de bronsfabriek [fabrique de bronze] voor de vroegere Compagnie des Bronzes hebben gemeen dat ze recht op het doel afgaan en het belangrijkste samenvatten. Deze namen, alsook de polysemische namen die op verschillende straten of ondernemingen kunnen worden toegepast – de kassâ [de laan], de koekskesfabriek [de koekjesfabriek], bijvoorbeeld –, getuigen van een diepgaande verankering in de ruimte en een sterke verknochtheid aan een bestaan dat in zijn nabije omgeving past. Wat trouwens wordt bevestigd door de affectief geladen namen zoals de Meskespout [poort van de kleine messen] voor de vroegere Meskenssteeg of de kartonnenblok [bloc de carton] voor een toren met sociale woningen in de Fernand Brunfautstraat. Kortom, het gaat bovenal om een buurtnomenclatuur. Vanuit dit oogpunt lijkt het normaal dat geen enkele getuige of ondervraagde alle namen kent die tijdens de enquête werden genoteerd.

Ten vierde dat het vroegere en huidige toponymisch patrimonium al zijn geheimen nog niet heeft prijsgegeven. Het begrip van sommige oude namen ontsnapt ons en de enquête zou moeten worden vervolgd en uitgediept.

Ten vijfde dat een van de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen van vandaag, namelijk de integratie van bevolkingen van buitenlandse afkomst en de spanningen die daarmee gepaard gaan, worden weerspiegeld in de bijnamen die de oostelijke helft van de gemeente krijgt. Parallel hiermee kunnen we een zekere aanspraak makende territoriale identificatie vanwege de jeugd waarnemen via talrijke tags en andere graffiti die soms expliciet valoriserend zijn, zoals het kleine opschrift Molem Olympic !! 1080 Vandermaelenstraat / rue Vandermaelen. Het is precies in deze sociale en culturele context dat de oprichting van het Gemeentelijk museum kadert en, bijvoorbeeld, ons toponymisch onderzoek dat niet enkel patrimoniaal wil zijn, maar ook een poging wil doen om de verschillende bestanddelen van de bevolking via de geschiedenis, te verbinden.

Ten slotte onthouden we dat de volksnamen in de stad een veelzijdig fenomeen in beweging zijn ten gevolge van de demografische, sociologische en (multi-)culturele dynamiek. Het staat vast en het is te wensen dat een systematische inzameling op veel grote schaal en met inbegrip van een vergelijking met andere gemeenten een betere analyse van de doorslaggevende factoren van zijn evolutie zou toelaten

Sourced through Scoop.it from: www.brusselsstudies.be

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertenties