Over de afkomst van Andreas Vesalius is niet veel met zekerheid bekend. Als geboortejaar wordt 1514 aangehouden. Zeker is dat hij in Brussel is geboren: op het titelblad van zijn voornaamste boeken presenteert hij zich als Bruxellensis, de Brusselaar. Hij werd geboren als de tweede zoon van Andreas Vesalius, hofapotheker van Karel V, en Isabelle Crabbe. Zij bewoonden een huis in Brussel in een straat die bekend stond als de Ruelle de l’Enfer (het Helle Straetken). Achter deze straat – eigenlijk niet meer dan een voetpad – lag een open terrein dat grensde aan de Montagne de la Potence, de Galgenberg, nu aan de voet van het Justitiepaleis. 

 

Op deze heuvel was, zoals de naam al aangeeft, de galg opgesteld. Hier vonden de terechtstellingen plaats: soms een geseling, een enkele keer (zoals in 1505) werd de veroordeelde levend begraven of (zoals in 1508) werd er iemand wegens diefstal onthoofd. Maar in het merendeel van de gevallen werd de doodstraf door ophanging voltrokken. De lijken van de terechtgestelden werden niet van de galg gehaald en met kerkelijke plichtplegingen begraven. Blootgesteld aan weer en wind, aan hitte en kou en aan de vraatzucht van de kraaien, bleven ze daar hangen tot al het vlees van de botten was verdwenen. Omdat het verboden was de botten weg te halen, moet de omgeving van de galg er als een weinig verheffend knekelveld hebben uitgezien. Ongetwijfeld heeft de jonge Andreas Vesalius op jonge leeftijd de nodige tijd op en rondom de Galgenberg doorgebracht. 

Vesalius kreeg het eerste deel van zijn opleiding aan de in 1425 gestichte universiteit in Leuven, op dat moment, op Parijs na, de hoogst aangeschreven universiteit in West-Europa. Hier behoorde Antoine Perrenot tot de studievrienden van Vesalius. Als Granvelle zou deze later als kanselier van Karel V beroemd en berucht worden. In 1533 maakte Vesalius, achttien jaar oud, de overstap naar de universiteit van Parijs. Dit was in het begin van de 16de eeuw nog een conservatief bolwerk. Hier werd de ontleedkunde vooral uit boeken onderwezen. Een centrale plaats namen de geschriften van de klassieke geneesheren in, ook al was een groot deel van hun werk slechts via Arabische vertalingen en commentaren bekend. Het onderwijs dat Vesalius in Parijs genoot, bestond uit het voorlezen en verklaren van deze klassieke teksten. In deze jaren stond het werk van Galenus het hoogst aangeschreven. Deze Grieks-Romeinse arts uit de 2de eeuw na Chr. had de gehele medische kennis van de Klassieke Oudheid in een omvangrijk oeuvre samengevat.

Lijksnijden als theater 

Vesalius keek vooral uit naar de publieke ontledingen van lijken. In de tijd dat hij in Parijs studeerde, vond er maar één per jaar plaats. In Parijs duurden ze nog geen drie dagen, hetgeen kort was in vergelijking met de Italiaanse universiteiten, waar ze soms wel twee weken in beslag namen. Zulke secties waren in de meeste universiteitssteden openbaar en voor buitenstaanders tegen een geringe prijs toegankelijk. Ook andere hoogleraren, magistraten en zelfs geestelijken woonden ze wel eens bij. Soms waren er wel honderden toeschouwers die, dicht opeengepakt, over elkaars schouder een glimp probeerden op te vangen van wat er op de tafel beneden in het amfitheater, bij het schijnsel van kaarslicht, gebeurde.
In Parijs werd de sectie nog volgens het oude middeleeuwse patroon verricht: de professor zat in de katheder en besprak de bevindingen, naast het lijk stond een oudere student of arts die met een stokje de organen aanwees; het snijwerk werd door een ongeletterde chirurgijn uitgevoerd. Omdat deze veelal niets van de bouw van het menselijk lichaam wist, ging hij doorgaans ondeskundig met het lijk om. Het ‘versnijden’ van het lijk was eerder regel dan uitzondering. Met het oog op het bederf van het lijk werd begonnen met de lichaamsholten. Eerst kwam de buik aan de beurt, vervolgens de borstholte en daarna eventueel nog de schedelholte. Er werd nauwelijks aandacht besteed aan de armen en benen. Tijdens de sectie werd er van de spieren, zenuwen, aderen en botten nagenoeg niets gedemonstreerd. Vesalius beklaagde zich erover dat hij alleen maar de acht spieren van de buikwand te zien kreeg. Tijdens de derde sectie die hij bijwoonde drong de jonge student zich zo nadrukkelijk op de voorgrond dat hij op een gegeven moment gevraagd werd om dan zelf maar het ontleedmes ter hand te nemen. Dit bleek achteraf een cruciaal keerpunt in zijn loopbaan te zijn geweest. 

Onderzoek naar maagdenvlies 

Vesalius moest zijn studie in Parijs voortijdig staken. Voordat hij in de gelegenheid was om zijn graad van doctor in de geneeskunde te behalen, brak er oorlog uit tussen Frankrijk en Duitsland. Iedereen die uit de landen van Karel V afkomstig was, deed er beter aan om Parijs zo snel mogelijk te verlaten. Hij keerde weer terug naar zijn geboortestad Brussel. Ook hier hield hij zich intensief bezig met de anatomie. Zijn vaardigheid met het ontleedmes werd vaak getraind; in Brussel en in Leuven werd hij regelmatig opgetrommeld om sectie te verrichten teneinde de doodsoorzaak vast te stellen. Zo werd hij gevraagd om sectie te verrichten op het lichaam van een achttienjarige nicht van de graaf van Egmond. Bij de familie was – ten onrechte – het vermoeden gerezen dat ze vergiftigd was. Vesalius maakte van de gelegenheid gebruik om het maagdenvlies, waarover verschillende tegenstrijdige opvattingen de ronde deden, aan een nader onderzoek te onderwerpen: hij wist dat hij zo’n buitenkansje waarschijnlijk nooit meer zou krijgen. 
Een jaar later reisde Vesalius naar Italië af voor de afronding van zijn studie. Hij behaalde op 5 december 1537 de doctorsgraad in de geneeskunde in Padua. Een proefschrift schrijven was niet nodig, hij moest aantonen voldoende vertrouwd te zijn met het werk van de Griekse klassieke schrijvers. Op maandag 3 december legde Vesalius, in aanwezigheid van twaalf doctores, het voorbereidende tentamen af. Twee dagen daarna werd hij in het bisschoppelijk paleis onderworpen aan het rigorosum. Ook deze test doorstond hij met het grootste gemak. Een dag na zijn promotie werd Vesalius al benoemd tot hoogleraar aan de medische faculteit in Padua. Op een voor die tijd ongebruikelijke wijze begon hij met zijn werk. In plaats van met een oratie in toga, begon hij met de publieke ontleding van een lijk. Deze cursus in een speciaal voor deze gelegenheid in elkaar getimmerd amfitheater, duurde bijna drie weken. Daags voor Kerstmis beëindigde hij de sessie. 

Galenus, de dieranatoom 

Tijdens zijn lessen maakte Vesalius allerlei tekeningen en met houtskool schetste hij soms op een tafel of op de muur om zijn verhaal te verduidelijken. Toen hij merkte dat geen van zijn studenten erin slaagde om die schetsjes goed na te tekenen, besloot hij om ze zelf in druk uit te geven. Vier maanden na de aanvaarding van zijn leeropdracht verscheen de uitgave van een zestal anatomische afbeeldingen, de Tabulae Anatomicae sex. Op deze platen maakte Vesalius een begin met wat zijn levenswerk zou worden: aantonen dat Galenus ongelijk had. Naarmate Vesalius op meer lichamen sectie verrichtte, ontdekte hij steeds meer fouten in het werk van Galenus. Hij kwam ook de oorzaak van deze onjuistheden op het spoor: de Griekse leermeester had namelijk alleen maar dieren ontleed, en geen menselijke lichamen.
In 1543 – Vesalius was nog maar 28 jaar oud – verscheen zijn meer dan 700 pagina’s tellende magnum opus in druk: De Humani corporis Fabrica libri septem (‘Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam’). In dit in Bazel op schitterende wijze uitgegeven boek, dat meestal als De Fabrica wordt aangeduid, werden studenten en artsen aangespoord om zelf het inwendige van de mens te onderzoeken. Op enkele plaatsen is De Fabrica een doe-het-zelf-gids voor de anatomie. ‘Leg, zodra de overige organen uit de borstholte in het afvalvat zijn geworpen, het lijk voorover en verwijder het vlees van de nek, rug en borstkas, maar wees voorzichtig geen van de ribben te breken, die kwetsbaar zijn en beschadig de uitsteeksels niet. Wees nog meer op uw hoede als u hierna vervolgt met het losmaken van de afzonderlijke ribben van de borstwervels.’ 

 

Het merendeel van zijn tijdgenoten erkende De Fabrica direct als ‘een onsterfelijk werk, dat alle vroegere geschriften zo goed als overbodig maakt’. Voor de medische wetenschap is de uitgave van De Fabrica van revolutionaire betekenis. Het wordt in één adem genoemd met het toevallig in dezelfde week verschenen standaardwerk van Nicolaus Copernicus, De Revolutionibus, dat het middeleeuwse wereldbeeld volledig op zijn kop zou zetten. Maar Vesalius stuitte ook op grote weerstand uit de medische hoek. In 1551 publiceerde de in Parijs docerende Jacobus Sylvius een pamflet waarin hij ongemeen fel van leer tegen zijn vroegere leerling Vesalius trok. In de titel van zijn boekje zette Sylvius al meteen de toon: Weerlegging van de lasterpraatjes van een gek tegen de geschriften van Hippocrates en Galenus. In één van de mildere passages schreef hij: ‘Ik bid u geen aandacht te schenken aan een zekere gek zonder enig talent die heiligschennis begaat tegenover zijn leermeesters.’ Maar Sylvius en zijn conservatieve geestverwanten voerden een achterhoedegevecht: de invloed van De Fabrica was niet te stuiten en aan het begin van de 17de eeuw waren de anatomische denkbeelden van Vesalius algemeen geaccepteerd, zowel in medische kringen als bij het grote publiek. 
(Cor van der Heijden) 

Sourced through Scoop.it from: g-geschiedenis.eu

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertisements