Toen het ernaar uitzag dat de laatste Spaanse koning Karel II kinderloos zou sterven, dachten enkele Europese vorsten dat de Zuidelijke Nederlanden hen als een rijpe vrucht in de schoot zouden vallen. Zo hoopte de laatste Spaanse gouverneur, Maximiliaan-Emmanuel van Beieren dat hij over onze gebieden zou kunnen regeren. Karel II had echter Filips van Anjou als zijn erfgenaam aangesteld. Filips was een kleinzoon van de Franse koning Lodewijk XIV, en mogelijk diens opvolger. De Oostenrijkse keizer Leopold I vond echter dat door een eventuele vereniging van de Spaanse bezittingen met Frankrijk een te groot Frans-Spaans machtsblok zou ontstaan. Tevens vond hij dat zijn zoon Karel VI ook in aanmerking kwam voor de Spaanse erfopvolging. Toen Karel II dan uiteindelijk stierf in 1700 brak de Spaanse sucessieoorlog uit die eindigde in 1713 met de Vrede van Utrecht. De Zuidelijke Nederlanden werden toegewezen aan de Oostenrijkse Habsburger Karel VI. Men sprak voortaan van de Oostenrijkse Nederlanden.

Tijdens de regering van de eerste landvoogd Eugeen van Savoye (1663-1736), die zich liet vertegenwoordigen door gevolmachtigd minister de Markies van Prié, probeerden de Brusselse ambachten hun oude privileges zoveel mogelijk te herstellen. Dit leidde voortdurend tot conflicten met het Oostenrijks bewind dat een meer centralistische machtsuitoefening voorstond. Zo liet de markies van Prié in 1719 Frans Anneessens, deken van het ambacht der metselaars en stoelenmakers, op de grote markt onthoofden om de orde te herstellen en de ambachten te tonen wie er baas was. In 1724 was de toestand zo onhoudbaar geworden dat Karel VI een nieuwe landvoogdes aanstelde, namelijk zijn zuster Maria-Elisabeth (1680-1741). Tijdens haar regering brandde het paleis op de Koudenberg volledig af in de nacht van 3 op 4 februari 1731.

Na de dood van Karel VI in 1740 volgde zijn dochter Maria-Theresia (1717-1780) hem op. Haar regering bracht een betrekkelijke rust en voorspoed over onze gewesten ( hoewel in 1746 de Fransen voor een korte tijd Brussel innamen aangezien zij de erfopvolging van Maria-Theresia betwistten). De keizerin heeft nooit Brussel bezocht, maar zij werd er vertegenwoordigd door de landvoogd Karel van Lotharingen, de broer van haar echtgenoot. Karel van Lotharingen hield van feesten, de goede dingen van het leven en bevorderde kunst en cultuur in Brussel wat hem erg geliefd maakte bij de bevolking. Nog tijdens zijn leven kreeg hij in de stad twee standbeelden: het eerste in 1752 op de gevel van het Brouwershuis op de grote markt, en het tweede in 1774 op het nieuwe Koningsplein in de bovenstad. Tijdens zijn regering ontstond op het vroegere Balieplein een nieuw classisistisch juweeltje, het Koningsplein. Het nieuwe paleis voor Karel zelf werd gebouwd op de plaats waar vroeger het Hof van Nassau lag. In de benedenstad werd het Sint-Michielsplein aangelegd (nu het Martelaarsplein) en bouwde men de Nieuwstraat uit.

In 1780 overleden zowel Maria-Theresia als Karel van Lotharingen. De nieuwe keizer werd Maria-Theresia’s zoon Jozef II (1741-1790), en de landvoogden werden zijn zuster Maria-Christina en haar echtgenoot Albert van Saksen-Teschen. Vrij vlug bleek dat de regeringsstijl van Jozef II grondig verschilde van die van zijn moeder. Zijn wens om alle Oostenrijkse gewesten te laten functioneren onder één centraal gezag werd natuurlijk aangevochten door de particularistische ambachten en kerkorganisaties in onze gewesten. Ook de sobere levensstijl en het gebrek aan uiterlijke pracht en praal van Jozef II viel niet in goede aarde bij de Brusselaars. De landvoogden Maria-Christina en Albert lieten wel een nieuwe residentie bouwen in Laken, het huidige Paleis van Laken. Jozef II probeerde de economische situatie van de Oostenrijkse Nederlanden te verbeteren door b.v. te pogen te toegang naar Antwerpen via de Schelde manu militari te laten heropenen, hetgeen echter niet lukte.

Tijdens de Oostenrijkse periode kreeg Brussel opnieuw meer glans dan tijdens de Spaanse tijd. De eerste tekenen van de komende industrialisatie waren reeds merkbaar. Oudere produkten begonnen te verdwijnen en maakten plaats voor nieuwe luxegoederen. Maria-Theresia had nog gepoogd de Brusselse industrie van het wandtapijt overeind te houden door regelmatige aankopen van tapijten die zij dan als ‘relatiegeschenk’ weggaf, maar tegen het einde van de 18e eeuw bleven er in de stad geen weverijen meer over. Het nieuwe product waarmee Brussel naam en faam verkreeg was kantwerk.

Sourced through Scoop.it from: www.digitaalbrussel.be

See on Scoop.itDiscover Brussels – Brussel ontdekken – Découvrez Bruxelles

Advertenties