Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

Paviljoen van Menselijke Driften

Het Horta-Lambeauxpaviljoen herbergt de grootste realisatie van de Antwerpse beeldhouwer Jef Lambeaux (1852-1908): het reliëf De Menselijke Driften. Het enorme witmarmeren werk werd geconcipieerd op het thema van het geluk en de zonden van de mensheid, gedomineerd door de Dood.

Menselijke driften

Het werk kende een bewogen ontstaansgeschiedenis. Aan de basis lag in eerste instantie een inschattingsfout van Lambeaux, gevolgd door een meningsverschil tussen de beeldhouwer en de jonge architect Victor Horta (1861-1947), die voor zijn eerste staatsopdracht rondom dit werk een tempeltje ontwierp. Vanaf 1886 werkte Jef Lambeaux in grote afzondering en met volledige overgave aan het ontwerp van De Menselijke Driften. In 1889 stelde hij het karton voor aan een beperkte groep critici, die er nadien met lovende woorden over berichtten in de pers. Toen het karton enkele maanden later werd geëxposeerd op het Salon van Gent, waren de verwachtingen bij de recensenten die dat ontwerp niet hadden gezien te hoog gespannen om bij het concept geen kanttekeningen te plaatsen. Men verweet het vooral gebrek aan cohesie.

Ondanks de polemiek die volgde, bestelde de Belgische Staat in 1890 het werk om het op te stellen in het Jubelpark. Datzelfde jaar kreeg Victor Horta de opdracht om een bouwwerk rondom het reliëf te ontwerpen. Hoewel de bouwmeester en de beeldhouwer in eerste instantie tot een akkoord kwamen over het architectonische concept, mondde de samenwerking uit in een onoverbrugbaar meningsverschil, gevolg van twee eigengereide persoonlijkheden. Het conflict draaide rond het feit dat Lambeaux tegen de wil van Horta in een muur wou achter de zuilengalerij. Deze onenigheid leidde ertoe dat het gebouw op 1 oktober 1899 in open toestand werd ingehuldigd en amper enkele dagen later met een houten barricade werd afgesloten. Lambeaux heeft de huidige toestand nooit gekend.

paviljoen

Pas na Lambeaux’ overlijden in 1908 vervulde Horta diens wens en werd de muur opgetrokken waardoor het reliëf definitief aan het zicht werd onttrokken. Het tempeltje met klassieke allure, dat door Horta werd bestempeld als “het einde van de voorbode van mijn loopbaan”, waarmee de bouwmeester verwees naar zijn faam als vernieuwende architect, kondigt effectief zijn geroemde art-nouveauperiode aan. Met het formele vocabularium van de klassieke architectuur, slaagde Horta er al in om alle elementen van de nieuwe stijl te verwerken. Elk klassiek detail werd opnieuw bestudeerd en heruitgevonden en is zodoende een illustratie van het genie van de architect.

Bron: www.kmkg-mrah.be/nl/horta-lambeauxpaviljoen

Advertenties

de Ribaucourt

De naam verwijst naar de familie Christyn de Ribaucourt, een oud geslacht dat zich al minstens 250 jaar tot de adellijke families van de Lage Landen mag rekenen. Al in het ancien régime klimmen verschillende telgen tot in hoogste machtscenakels op. Door een slimme huwelijkspolitiek verzamelen ze bovendien tal van titels.

Libert_de_Ribaucourt
Libert de Ribaucourt

Zo schopt een voorvader Jean-Baptiste Christyn het in 1671 tot kanselier van het hertogdom Brabant. In een volgende generatie begint de familie zich de naam de Ribaucourt aan te meten en knoopt ze banden aan met het graafschap Vlaanderen, dit door het huwelijk van Libert-François Christyn de Ribaucourt met Maria-Theresia van Vilsteren uit Laarne.

Kort na de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden sleept hun zoon Philippe-Alexandre Christyn de Ribaucourt officieel de erfelijke titel van burggraaf en later graaf in de wacht. In 1796 krijgt ook hij een zoon: Prosper Christyn de Ribaucourt.

Deze Prosper verzamelt de ene na de andere topfunctie. In 1822 treedt hij toe tot de Provinciale Staten van Zuid-Brabant, op dat moment een provincie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. 4 jaar later wordt hij kamerheer van koning Willem I. Tussen 1825 en 1836 mag hij zich ook nog eens burgemeester van Laarne noemen.

Ook na de Belgische onafhankelijkheid zit Prosper niet stil. Hij maakt deel uit van de provincieraad van Brabant en is ook een poos gemeenteraadslid van Perk , vandaag een deelgemeente van Steenokkerzeel in Vlaams-Brabant.

Daar komt hij terecht nadat hij in 1833 het kasteel van Perk heeft gekocht dat al snel als het kasteel van Ribaucourt bekendstaat. Het eeuwenoude gebouw heeft op dat moment al een rijke geschiedenis. Het ontstaat in de 12e eeuw en gaat in de loop der tijden van de ene in de andere adellijke familie over.

In 1696 neemt de prins van Nassau-Saarbrück als generaal van de legers van de Verenigde Provinciën zijn intrek in het kasteel. Koning Lodewijk XV van Frankrijk logeert er op 9 mei 1746 en later gebruikt de Britse generaal Miles Dempsey het als uitvalsbasis om de slag om Arnhem tijdens WO II in goede banen te leiden. Onder anderen zijn collega Bernard Montgomery brengt hem een bezoek.

I

Gaston_de_Ribaucourt
Gaston de Ribaucourt

n 1843 ruilt Prosper zijn zitje in de provincieraad van Brabant voor het rode pluche van de Senaat van België. Dat mandaat houdt hij tot 1879 in handen waarna hij het aan zijn zoon Adolphe Christyn de Ribaucourt overdraagt. Die is daarnaast gemeenteraadslid van Perk en ook even burgemeester, net als 2 andere telgen uit het geslacht. Hij vervult voorts diplomatieke taken in Spanje en in het Groothertogdom Luxemburg.

Adolphe huwt 2 keer en krijgt alles samen 12 kinderen. De familie Christyn de Ribaucourt is intussen wijdvertakt. Sommige nakomelingen duiken op in de lijst met de rijkste Belgen. Miguel en Nathalie de Ribaucourt zijn de kinderen van Christian de Ribaucourt en Florence de Sadeleer. Deze laatste is dan weer de dochter van Louis de Sadeleer en Jeanine Emsens. Meteen zijn we daarmee bij de bron van het familiale vermogen aanbeland. De familie Emsens ligt aan de basis van de multinational SCR-Sibelco.

de Ribaucourt
Kasteel de Ribaucourt (Perk)

Het kasteel van Perk blijft zowat 175 jaar in handen van de familie die zo haar stempel op de gemeente drukt. Na de dood van graaf Daniël de Ribaucourt in 2007 neemt graaf Paul de Lannoy het kasteel over. Sinds 2015 vormt het domein tijdens de zomer het decor voor het muziekfestival Paradise City.

De verwijzingen naar haar naam in Sint-Jans-Molenbeek heeft de familie Christyn de Ribaucourt onder meer te danken aan de talrijke eigendommen die ze in de loop van de 19e eeuw in die gemeente weet te verzamelen.

 

 

Bron: Alexander Verstraete op http://www.vrt.be/vrtnws

 

Jean-Baptiste Madou

Madou wordt op 3 februari 1796 in Brussel in een bescheiden gezin geboren.

Amper 12 is Madou wanneer zijn vader sterft. Plots moet hij mee helpen de kost te verdienen voor zijn moeder en zijn 4 jongere broers en zussen. Hoewel ze het niet breed hebben, mag hij van zijn moeder tekenlessen volgen. Algauw trekt hij naar de kunstacademie van Brussel. Hij gaat onder anderen bij Antoine Brice en Pierre-Céléstin François in de leer.

Madou

Salon van Brussel

De soldaten van Napoleon prikkelen de verbeelding van de jonge Madou. Hij tekent ze bij bosjes en wint een prijs op het Salon van Brussel van 1813. Hoewel hij barst van talent, moet hij zijn artistieke ambities hierna noodgedwongen in de koelkast steken om brood op de plank te krijgen.

Tegen 1814 is de rol van Napoleon bijna uitgespeeld en begint het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden vorm te krijgen. Madou versiert een baan bij het departement Financiën en gaat in 1818 aan de slag als tekenaar bij de topografische dienst van het ministerie van Oorlog in Kortrijk. Daar moet hij onder meer nieuwe grenskaarten tekenen. Later brengt hij installaties langs het kanaal van Bergen-Condé in kaart.

Zowel in Kortrijk als in Bergen treedt Madou willens nillens tot de artistieke kringen toe. Dankzij connecties in die wereld krijgt hij in 1820 de kans om (anoniem) als lithograaf in het atelier van Marcellin Jobard in Brussel te werken. Daar maakt hij zich meester van de steendruk.

Madou maakt stilaan naam als lithograaf. In de jaren die volgen brengt hij verschillende albums uit, zoals “Album de douze petits sujets pour l’année 1830”. Wanneer de Belgische revolutie losbreekt, brengt hij ook die in beeld. In 1836 krijgt hij de gouden medaille op het Salon van Brussel voor “La physionomie de la société en Europe depuis 1400 jusqu’à nos jours”.

Adolphe Quetelet

Ondertussen denkt Madou ook aan trouwen. Dat doet hij op 4 september 1833 in Brussel met Mélanie Lannuyer. Zij is de halfzus van Adolphe Quetelet, de astronoom en statisticus die aan de basis van de Koninklijke Sterrenwacht van België lag.

Wanneer het succes van de lithografie rond 1840 begint af te nemen, is het Lannuyer die Madou aanmoedigt om te beginnen schilderen. Hij legt zich toe op genrestukken met een hoog gehalte aan nostalgie en romantiek. Zijn tijdgenoten vergelijken hem al snel met de Duitse schilder Adolphe Menzel, maar eigenlijk haalt hij zijn inspiratie bij oude meesters uit de 17e eeuw als Adriaen Brouwer en Jan Steen.

Fenakistiscoop

Rond 1850 ontdekt Madou een nieuwe passie met de fenakistiscoop, een animatietoestel dat de illusie van bewegend beeld schept door schijven met tekeningen snel te laten draaien. De Belg Joseph Plateau heeft het in 1831 uitgevonden en samen bedenken ze verschillende schijven die Madou illustreert.

Madou is intussen een gevierde kunstenaar in het jonge België en dat ontgaat de koninklijke familie niet. Koning Leopold II koopt zijn schilderij “La chasse au rat” uit 1857 en de vorst vraagt hem zijn kinderen tekenles te geven. Daarnaast geeft hij les aan de Koninklijke Militaire School.

Tot op hoge leeftijd blijft Madou bijzonder actief. Hij decoreert de wanden en plafonds van zijn huis in Brussel met taferelen uit de fabels van Jean de la Fontaine. Ook Leopold II vraagt hem in de jaren 1870 decoratieve panelen te ontwerpen en wel voor het kasteel van Ciergnon in de Ardennen.

Beroerte

Sterven doet Madou met enige zin voor drama. Op 31 maart 1877 is hij samen met de koning aanwezig op de opening van het Salon des Aquarellistes in het Academiënpaleis in Brussel. Tijdens de plechtigheden krijgt hij een beroerte. 3 dagen later overlijdt hij. Hij krijgt een laatste rustplaats op de begraafplaats van Sint-Joost-ten-Node. Even later vernoemt de gemeente een plein vlak bij zijn huis naar hem.


Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Georges Clemenceau

Clemenceau wordt op 28 september 1841 geboren in de Vendée, een vrome en koningsgezinde streek aan de Atlantische kust van Frankrijk. Zelf groeit hij echter op in een antiklerikale en republikeinsgezinde familie. Net als zijn vader studeert hij voor arts in Nantes en later in Parijs. Daarna trekt hij naar Engeland.

Clemenceau.jpg
David Lloyd George (Verenig Koninkrijk), Vittorio Orlando (Italië), Georges Clemenceau (Frankrijk), and Woodrow Wilson (VS)

In 1865 reist hij naar de VS waar de burgeroorlog net een hoogtepunt bereikt. Hij ontwikkelt een grote bewondering voor de vrije geesten in het land en voor de politici die een democratische samenleving proberen uit te bouwen. Hij geeft een poosje Franse les aan een meisjesschool in Connecticut waar hij met een van zijn leerlingen trouwt. Het huwelijk is geen succes, maar ze krijgen wel 3 kinderen.

Samen met zijn gezin keert Clemenceau in 1869 naar Frankrijk terug. Zijn vaderland staat aan de vooravond van woelige tijden. Een jaar later komt het tot een oorlog met Pruisen dat Frankrijk verslaat. De nederlaag betekent de doodsteek voor het zogenoemde Tweede Keizerrijk van Napoleon III, een regime dat Clemenceau altijd al hartgrondig haat.

Clemenceau kijkt in Parijs vanop de eerste rij toe hoe Léon Gambetta op 4 september de Derde Republiek uitroept. In de jaren die volgen is hij politiek actief als burgemeester van het 18e arrondissement van Parijs en als volksvertegenwoordiger. Hij staat bekend om zijn rebelse stijl en radicale opvattingen wat hem de bijnaam “de tijger” oplevert. 

Daarnaast is Clemenceau arts en journalist. In die hoedanigheid weegt hij op het publieke debat in Frankrijk, vaak met progressieve standpunten. Zo pleit hij voor een radicale scheiding tussen kerk en staat, is hij tegen kinderarbeid en voor pensioenen voor arbeiders.

Wanneer rond de eeuwwisseling de zogenoemde affaire-Dreyfus losbarst, bijt hij zich in de zaak vast. Op zijn aangeven publiceert de krant L’Aurore op 13 januari 1898 de beruchte open brief “J’accuse!” van filosoof en schrijver Emile Zola op de voorpagina. Het is Clemenceau die de iconische titel bedenkt. Zelf zou hij meer dan 700 artikels ten voordele van de Joodse officier in het Franse leger schrijven.

Met de affaire-Dreyfus staat Clemenceau volop in de belangstelling. In 1902 raakt hij verkozen in de Senaat en 4 jaar later treedt hij voor het eerst in zijn carrière tot een regering toe. In het kabinet van Ferdinand Sarrien wordt hij minister van Binnenlandse Zaken.

Wanneer Sarrien eind 1906 om gezondheidsredenen ontslag moet nemen, wijst hij Clemenceau als zijn opvolger aan. Tot 1909 mag “de tijger” zich premier van Frankrijk noemen. 

Al in 1908 zegt Clemenceau dat Duitsland Frankrijk via België zal binnenvallen in geval van oorlog, een voorspelling die uitkomt wanneer WO I in 1914 losbreekt. Als voorzitter van de Senaatscommissie voor het leger brengt hij regelmatig een bezoek aan het front waar hij zich het lot van de gewone soldaten aantrekt.

Opnieuw tot een regering toetreden, wil Clemenceau pas op 1 voorwaarde: het moet opnieuw als premier zijn. Hoewel president Raymond Poincaré hem niet kan luchten, vraagt hij hem in november 1917 een nieuwe regering te vormen.

Clemenceau stemt in en vormt op 1 dag een nieuw kabinet. Zijn vriend Ferdinand Foch benoemt hij tot generaal. Samen met hun bondgenoten leiden ze Frankrijk (en de rest van Europa) in 1918 naar de overwinning.

Aan de politieke carrière van Clemenceau komt in 1920 een einde. Overtuigd van zijn populariteit stelt hij zich kandidaat bij de presidentsverkiezingen, maar die verliest hij. Meteen neemt hij ontslag als premier.

Voor het zover is, schittert hij een laatste keer op het internationale politieke toneel met het Verdrag van Versailles in 1919. Het vormt het sluitstuk van de vredesgesprekken tussen de geallieerden en hun voormalige vijanden en Clemenceau werkt zich uit de naad om het voor te bereiden. Daarbij moet hij onder meer de VS, het Verenigd Koninkrijk en zijn eigen land op 1 lijn krijgen.

Clemenceau slaagt in zijn opzet, hoewel de geschiedenis later uitwijst dat het Verdrag van Versailles de kiemen voor een nieuwe wereldoorlog legt. Frankrijk krijgt de Elzas opnieuw in handen, Duitsland moet demilitariseren en het land moet forse herstelbetalingen ophoesten.

De geallieerden verdelen ook de Duitse kolonies onderling. België krijgt daarbij het mandaatgebied Ruanda-Urundi in handen (de latere landen Rwanda en Burundi).

In de laatste jaren van zijn leven maakt Clemenceau nog verschillende verre reizen, onder meer naar India en naar de VS. Hij schrijft zijn memoires, maar voor hij die kan afwerken, sterft hij op 28 maart 1929 in Parijs.



Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Léon Delacroix

Léon Fréderic Gustave Delacroix wordt op 27 december 1867 in Sint-Joost-ten-Node geboren. Hij studeert rechten aan de Université libre de Bruxelles. Daar behaalt hij in 1889 het diploma van doctor in de rechten. Nadien vestigt hij zich als advocaat in Brussel.

Met de politiek houdt hij zich op dat moment niet bezig. Daarin komt pas in 1908 verandering wanneer hij voor de katholieken tot de gemeenteraad van Elsene toetreedt. Tijdens WO I schopt hij het tot stafhouder van de advocaten bij het Hof van Cassatie.

Delacroix

Nog tijdens WO I komt Delacroix in contact met de bankier Emile Francqui. Hij is de voorzitter van het Nationaal Hulp- en Voedselcomité, een organisatie die de hulp verdeelt die de Commission for Relief in Belgium in de VS naar ons land en Noord-Frankrijk stuurt.

Die connectie zal het leven van Delacroix na de wapenstilstand op 11 november 1918 een drastische wending geven. De Belgische regering verblijft op dat moment in ballingschap in Sainte-Adresse in Frankrijk. Ze telt hoofdzakelijk oudgedienden als graaf Charles de Broqueville en graaf Henry Carton de Wiart.

Koning Albert I heeft de oorlog in De Panne doorgebracht. Zodra de oorlog voorbij is, kiest hij voor de vlucht vooruit. Hij ziet geen heil in de regering in ballingschap die de maatschappelijke orde van 1914 wil herstellen en verzamelt daarom tal van prominente leden uit de politiek en de zakenwereld die tijdens de oorlog in België zijn gebleven.


Onder anderen Francqui is van de partij, net als heel wat andere leden van het Nationaal Hulp- en Voedselcomité. Samen met de koning stellen ze de zogenoemde regering van Loppem samen, een regering van nationale eenheid die het land krachtdadig door het machtsvacuüm moet loodsen dat Duitsland heeft achtergelaten.

Een geschikte regeringsleider vinden, is niet evident. De man moet een nieuw gezicht zijn én hij moet zowel voor de katholieken, de liberalen als de socialisten aanvaardbaar zijn. Francqui ziet in Delacroix de geknipte kandidaat en legt zijn naam aan de koning voor.

Albert I gaat akkoord en al op 21 november 1918 is de regering-Delacroix een feit. Die is meteen goed voor een primeur: in navolging van het Verenigd Koninkrijk staat de regeringsleider voortaan bekend als de eerste minister. Delacroix is de eerste in ons land die zich zo mag noemen, hoewel een koninklijk besluit de titel pas in 1920 bekrachtigt.

Tot eind 1920 zal Delacroix 2 kabinetten leiden, tot groot ongenoegen van gevestigde waarden in de politiek die menen dat hij als neofiet niet tegen de taak is opgewassen. De uitdagingen zijn dan ook groot, maar Delacroix zet door en voert enkele revolutionaire wetten door die in Loppem met de koning zijn afgesproken.

Zo voert ons land in 1919 algemeen enkelvoudig stemrecht in. Elke man ouder dan 21 mag voortaan 1 stem uitbrengen bij verkiezingen. Vrouwen ouder dan 21 krijgen enkel stemrecht bij lokale verkiezingen. Pas in 1948 mogen ze ook bij nationale verkiezingen stemmen.

Ook op communautair vlak neemt de regering enkele ongeziene maatregelen die de officiële status van het Nederlands opkrikken, onder meer in bestuurszaken. De universiteit van Gent wordt in 1923 gedeeltelijk en in 1930 volledig Nederlandstalig.

Tot slot duwt de regering heel wat sociale maatregelen door. Zo richt ze het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (de voorloper van Kind en Gezin) en de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken de voorloper van de sociale woningen) op.

Veel van deze maatregelen betekenen een radicale breuk met het staatsbestel en de maatschappelijke verhoudingen van voor de oorlog. Conservatieve krachten hebben het daarom over de “coup van Loppem” om de regering-Delacroix aan te duiden, ook al omdat ze het parlement aanvankelijk buitenspel zet.

De spanningen leiden eind 1920 tot de val van de tweede regering-Delacroix. Henry Carton de Wiart neemt de fakkel over als premier. Bij de volgende verkiezingen stelt Delacroix zich geen kandidaat. Wel benoemt de koning hem tot minister van Staat.

Delacroix eindigt zijn actieve leven als delegatieleider voor België bij de Commissie voor Herstelbetalingen. Op 15 oktober 1929 overlijdt hij aan de gevolgen van een hartaanval tijdens een missie in Duitsland.

Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Charles Rogier

Zowel het plein als het metrostation ontleent zijn naam aan Charles Rogier, een van de grondleggers van België. Van ons land is nog lang geen sprake wanneer hij op 17 augustus 1800 in Saint-Quentin in Frankrijk wordt geboren. Napoleon Bonaparte zwaait op dat moment de plak in grote delen van Europa en het is tijdens een van zijn veldtochten in Rusland dat de vader van Rogier om het leven komt.

Rogier verhuist samen met zijn moeder naar Luik waar hij in 1826 aan de universiteit tot doctor in de rechten promoveert. Op dat moment maakt de stad deel uit van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, een land dat in 1815 op het Congres van Wenen in het leven is geroepen na de val van Napoleon en dat min of meer het grondgebied van het huidige Nederland, België en Luxemburg omvat. 

Rogier.jpg
Rogier leidt zijn medestanders van Luik naar Brussel (schilderij van Charles Soubre)

Willem I

In de loop van de jaren 1820 werpt Rogier zich op als een liberale opposant van Willem I, de koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Wanneer eind augustus 1830 de Belgische revolutie losbarst, blijft hij niet bij de pakken zitten. Samen met 300 medestanders trekt hij van Luik naar Brussel om de opstandelingen te steunen.

Eind september sluit hij zich aan bij het Voorlopig Bewind dat op 4 oktober de onafhankelijkheid van België uitroept. Een maand later raakt hij verkozen als lid van het Nationaal Congres, de voorloper van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Premier en minister

In de decennia die volgen, bekleedt Rogier tal van functies op het hoogste niveau van het staatsbestel in ons land dat hij op die manier vormgeeft. Zo is hij tot aan zijn dood bijna onafgebroken volksvertegenwoordiger, afwisselend voor de arrondissementen Turnhout, Antwerpen, Brussel en Doornik. In de jaren 1830 is hij ook een poos gouverneur van de provincie Antwerpen.

Belangrijker zijn de verschillende ministerposten die hij aaneenrijgt. Hij is achtereenvolgens minister van Binnenlandse Zaken (1832-1834), minister van Openbare Werken (1840-1841), premier én minister van Binnenlandse Zaken (1847-1852), opnieuw minister van Binnenlandse Zaken (1857-1861) en tot slot premier én minister van Buitenlandse Zaken (1861-1868).

In juni 1846 komen alle liberale en antiklerikale krachten op zijn aansturen samen voor een congres waarop de liberale partij het levenslicht ziet, de eerste nationale politieke organisatie in ons land. Het is echter Walthère Frère-Orban die op het voorplan treedt en zich tot voorman van de liberalen ontpopt. Toch blijft koning Leopold I vooral op Rogier vertrouwen als staatsman.

Karl Marx

In 1848 waart de revolutie rond in verschillende Europese naties zoals Frankrijk, Nederland, het Habsburgse rijk en de Duitse en Italiaanse vorstendommen. Bij onze zuiderburen leidt die onder meer tot de afschaffing van de zogenoemde Julimonarchie ten voordele van de Tweede Republiek.

In België blijft het grotendeels rustig en dat is in niet onbelangrijke mate het gevolg van verschillende maatregelen die Rogier als premier doorvoert. Hij zet Karl Marx het land uit, hij verlaagt de kiescijns zodat meer mensen stemrecht krijgen en hij schaft het zegelrecht op dagbladen af.

Later schaft hij de oude wet “le Chapelier” af waardoor werknemersorganisaties als vakbonden recht van bestaan krijgen. Voorts geeft hij de overheid het recht om middelbare scholen op te richten, naast die van het katholieke onderwijs.

Op vlak van economie en infrastructuur boekt Rogier enkele belangrijke successen. Zo staat hij in 1834 aan de wieg van de spoorlijn tussen Mechelen en Brussel, de eerste op het Europese vasteland. In 1863 weet hij opnieuw als premier de Scheldetol van Nederland af te kopen. Rond die tijd sluit hij België bij 2 vrijhandelsverdragen aan. Hij staat ook aan het roer bij de oprichting van zowel het Gemeentekrediet (1860) als de ASLK (1865).

Eind 1867 bereiken de spanningen tussen Rogier en Frère-Orban een hoogtepunt waardoor een samenwerking niet langer mogelijk is. Kort na Nieuwjaar neemt Rogier ontslag. Het betekent de facto het einde van zijn rol als politicus. Wel schopt hij het nog tot minister van Staat. In 1878 is hij ook even voorzitter van de Kamer. Hij overlijdt in 1885.

Brabançonne

De erfenis van Rogier op communautair vlak is niet eenduidig. Weinig historici spreken tegen dat hij een fervente Belgische patriot was. In 1860 moeit hij zich onder meer met de Brabançonne. Hij meent dat de (Franstalige) tekst te anti-Nederlands klinkt en schrijft een nieuwe strofe.

Over zijn opvattingen over de rol van het Nederlands (en bij uitbreiding de Vlaamse cultuur binnen België) lopen de meningen uiteen. Sommige flaminganten menen dat hij de germaanse elementen in ons land wou uitroeien. Daarbij halen ze vaak 2 anti-Vlaamse brieven aan die hij zou hebben geschreven.

In een eerste brief zou hij aan de toenmalige Britse premier Palmerston hebben gezegd “dat de regering de Vlaamse taal moet vernietigen zodat België met het grote vaderland Frankrijk kan samensmelten”. In een andere brief uit 1834 zou hij minister van Binnenlandse Zaken Jean-Joseph Raikem hebben aangeraden zoveel mogelijk Franstaligen in Vlaanderen te benoemen om de Nederlandstaligen zo te verplichten om Frans te spreken.

Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Eugène Simonis

Eugène SimonisSimonis wordt op 11 juli 1810 in Luik geboren. Hij volgt les aan de academie van Luik waar hij de kneepjes van het vak leert. Dankzij een beurs krijgt hij de kans een rondreis in Italië te maken waar hij zijn studies voltooit. Eenmaal thuis krijgt hij na een reorganisatie van de academie zelf de job van leerkracht aangeboden, maar die slaat hij af.

Liever maakt hij werken op bestelling om aan de kost te komen. De aanvragen stromen al snel binnen, voornamelijk in Brussel. Zo maakt hij het mausoleum voor kanunnik Petrus Jozef Triest in de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele.

In 1853 ontwerpt hij het bas-reliëf voor het fronton van de Koninklijke Muntschouwburg. In de plaats van een klassieke allegorie van de kunsten, kiest hij voor “De harmonie van de menselijke passies” als thema. Hij beeldt onder meer liefde, twist, lust, verlangen, leugen, hoop, smart en troost af, passies die volgens hem de kern van de opera vormen.

Munt.jpgNog in de jaren 1850 maakt hij grote delen van de sculpturen op en rond de Congreskolom, waaronder de bekende leeuwen onderaan. Sinds 1922 bewaken ze het graf van de onbekende soldaat. Het standbeeld van Leopold I bovenop de kolom is van de hand van Guillaume Geefs.

Veruit zijn bekendste werk maakt hij al in 1848 met het monumentale ruiterstandbeeld van Godfried van Bouillon op het Koningsplein. Het is een van de vele standbeelden die de jonge staat België overal in het land neerpoot om roemrijke figuren uit de “nationale” geschiedenis te eren. Zo krijgt Gent enkele jaren later een standbeeld van Jacob van Artevelde.

In die geest maakt Simonis ook het bronzen standbeeld van Simon Stevin op het gelijknamige plein in Brugge. Bij de feestelijke onthulling op 26 juli 1846 is het echter nog niet af. In allerijl maken enkele lokale beeldhouwers daarom een exemplaar in gips dat ze met bronskleurige verf beschilderen. Pas in september 1847 is het echte standbeeld klaar.

Tussen 1863 en 1877 is Simonis directeur van het Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel. Op die manier kan hij nog meer zijn stempel drukken op de kunsten in de hoofdstad. Hij sterft op zijn verjaardag in 1882.

Het plein waar hij woont en werkt krijgt later zijn naam. In 2007 plaatst Koekelberg er een buste van Simonis die hij nota bene ooit zelf maakte.

Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Félix Vande Sande

FvdSFélix Vande Sande werd op 9 november 1824, midden in de Nederlandse periode, geboren te Mechelen. Hij behaalde het diploma van onderwijzer aan de École Normale. In 1841 begon hij zijn loopbaan als schoulmiester in Brussel.

Vanaf 1843 kreeg de toneelmicrobe hem te pakken: hij ging acteren bij de Koninklijke rederijkerskamer Mariacranske-De Wijngaard Brussel. Later werd hij er toneelleider.

Ondertussen vond hij in 1848 een nieuwe job als bibliotheekbediende in de Bibliothèque Royale de Belgique. Hij verliet de Koninklijke Bibliotheek in 1851 om bibliothecaris te worden bij de Brusselse balie.

Maar zijn hart lag hoofdzakelijk bij het Vlaamse theatermilieu in Brussel, waar hij samen met figuren als Peter Benoit en Jacobs Kats ijverde voor de verspreiding en gelijkberechtiging van de Vlaamse taal en cultuur. Hij hield zich niet alleen bezig met het schrijven van toneelstukken, hij leidde en richtte tegelijk verschillende toneel- en cultuurkringen op: de Vereenigde Toneelliefhebbers, het Vlaamsch Kunstverbond en het Vlaemsch Midden-Commiteit. Hij was als het ware de steunpilaar van het Brussels en Nederlandstalig amateurtoneel: het Brussels Volkstejoêter avant la lettre.  Hierin moeten geen taalkundige spitsvondigheden worden gezocht of complexe en meerlagige plots. Het ging voornamelijk om komedies, kluchten en volksverheffende historische stukken, waarin het publiek een beetje kennis kreeg van het verleden en linken kon leggen naar de eigen tijd.

In 1884 schreef Vande Sande – na de verkiezingsnederlaag van de liberalen – de monoloog Baas Politiek, waarin de politieke kweddelen aan de kaak werden gesteld. De korte monoloog eindigt met een slotrondo, waarmee de spreker zijn discours samenvat.

’t Gaat er in ons land van katholiek en liberalen, 

Heel ons land is mank, en al wat handel heet is ziek,
Van dit harrewarren moet de burger’t al betalen
En hij blijft zoo vet met liberaal als katholiek.

’t Spel dat gaat verkeerd: wie niet en heeft die moet betalen,
Rijkaard heeft het al en hij betaalt niet, ’t is komiek,
En dit blijft bestaan bij katholiek en liberalen,
En dit blijft bestaan, zoowel bij de een’als de ander kliek.

Ja, ik zou gewis het boeltje’t onderst boven keeren,
Kwam ik aan het roer de rijkaard schoot in zijnen zak,
‘k zou monsieur Rotschild het binnenscharren wel verleeren
En ik zette Susken Droogenbrood op zijn gemak.

En betaalde men voor doozenbroodjes met korenten,
Chocolad’, goudron en ander apothekerij,
Ik belastte ook de kerk en de sacramenten
En de francmaçons, maar de jenever liet ik vrij!

[Slotrondo uit ‘Baas politiek’ (boertige alleenspraak) door Felix van de Sande, Antwerpen, Lodewijk Janssens, 1884, p.10.]

 

Vervang een paar begrippen en je merkt dat de tekst brandend actueel is.

 

In de periode 1875-1876 was hij de eerste directeur van het “Toneel der Volksbeschouwing” in de Cirkstraat, wat later de Koninklijke Vlaamse Schouwburg werd.

Zijn Vlaamsgezindheid spreidde hij verder tentoon door artikels te schrijven voor het liberale, flamingante blad “De Zweep”, en door het weekblad “De Vrije Vlaming” op te richten. Hij gebruikte “Pardoes” als synoniem.

Het flamingantisme weerhield hem niet om zijn Belgisch patriottisme te laten zien. Op de 71ste verjaardag van Leopold I (16 december 1861) liet hij het “Leve de Koning!” van Peter Benoit opvoeren door een koor van 150 man in de Vlaamse schouwburg in de Cirkstraat. Zoals vele (vaak Franstalige) flamingante, progressieve liberale Brusselaars ging het er voornamelijk om, om het volk bewust te maken van zijn Vlaamse identiteit. Het doet denken aan Charles De Coster, de Franstalige Brusselaar die met “La légende d’Ulenspiegel” de Vlaamse culturele traditie gebruikte om de Belgische identiteit te versterken. Sinds de onafhankelijkheid werkten Vlaamse schrijvers, componisten en andere kunstenaars mee aan de creatie van een Belgische geschiedenis en cultuur. Die cultuur was dominant Frans en dat betreurden ze. Daarom streefden ze voortdurend voor de invoering van Nederlands in het openbare leven. Maar die flamingantische strijd was emancipatorisch binnen Belgische context.

FvdS'Félix Vande Sande woonde een groot deel van zijn leven in Koekelberg, waar hij op 11 maart 1890 overleed. Hij werd begraven op het kerkhof bij de Sint-Annakerk. Toen het kerkhof verhuisde, werd zijn tombe verplaatst naar de huidige begraafplaats op de grens van Dilbeek en Sint-Agatha-Berchem.

In 1925 werd een borstbeeld opgericht in Koekelberg. Het kunstwerk werd gefinancierd via openbare inschrijving: crowdfunding noemen we dat vandaag.

De plaats waar het neergeplant werd is zeer symbolisch voor ons tweetalig gewest, of in dit geval Koekelberg. Tegenover het beeld woont een voormalig secretaris-generaal van het oude FDF (Front Des Flamingants): een germanist van opleiding, net als zijn echtgenote, die dagelijks Félix Vande Sande mag groeten.

Het is duidelijk: Koekelberg is de gemeente waar iedereen zich thuis voelt.

 

 

Bronnen: Vrijmetselarijvoordummies.blogspot.be; dbnl.org; odis.be

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten

In de Zuidstraat staat de Académie Royale des Beaux-Arts, een instelling van het kunstonderwijs van de Franse Gemeenschap oftewel Fédération Wallonie-Bruxelles. Er wordt lesgegeven op het niveau van het secundair en het hoger onderwijs.

KASK-1935De geschiedenis ervan gaat terug tot in het begin van de 18de eeuw. In 1711 gaf het stadsbestuur aan gilden de toestemming om tekenles te geven in een aantal kamers van het stadhuis. Na onenigheid verhuisden de lessen na een herberg.

Het was Karel van Lotharingen die de academie in 1762 opnieuw tot leven wekte door de school zijn ‘hoge bescherming’ te verlenen. In 1768 werd het de Académie de Peinture, Sculpture et Architecture. Na de inval van de Fransen werd de school opnieuw gesloten tot in 1800.

Na de Belgische onafhankelijkheid kreeg de academie het voorzetsel ‘Koninklijk’ en vond het onderdak in het voormalige Granvellepaleis in de huidige Stuiverstraat en in de kelders van het Nijverheidspaleis, waar vandaag het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten gevestigd is.

De academie betrekt de huidige gebouwen sinds 1876. Architect Pierre-Victor Jamaer paste het voormalige Bogaardenklooster en weeshuis aan voor de onderwijsactiviteiten. Op de gevel ontdekken we de letters S.P.Q.B., een devies dat refereert aan het Romeinse S.P.Q.R. en dat we terugvinden in wapenschilden en -spreuken van verschillende steden (o.m. Brugge). In het geval hier refereert het zowel naar het grootse verleden van Brussel (Senatus Populusque Bruocsella) als naar het streven van de jonge Belgische 19de eeuwse natie (Senatus Populusque Belgicus) om een plaats te veroveren op de wereldkaart. 

De leiding van de school was in handen van o.m. Victor Horta en Paul Delvaux. Koekelbergse beeldhouwers Eugène Simonis en Charles Stepman gaven er les. Bekende leerlingen waren onder andere Vincent van Gogh, James Ensor, Paul Delvaux, René Margritte, Constantin Meunier, Rik Wouters, Rik Poot en vele anderen. Sommigen studeerden er af, anderen vonden dat hun leraren er niets van bakten…

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑