Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

De buik van Brussel

In “De buik van Brussels” schrijft Lucas Catherine over de vergeten historie van de haven in hartje Brussel. Een wijk vol handel en feestgedruis, maar ook het theater van grote drama’s, bezongen in Brusselse liekens. 
In de jaren 1950 sprak men over de markt van Sint-Katelijne en over de Vismet als de Buik van Brussel. Die Buik ontstond na het dempen van de oude havendokken. Een haven in hartje Brussel? Jazeker. Deze vergeten historie begint bij keizer Karel en de aanleg van het kanaal Brussel-Willebroek. Maar het boek gaat ook over de staminees rond de haven, de dokwerkers, de handelaars en de hoeren. Het verhaalt over de eerste karakollen, de mosselen, de paling, de boestering, het gevogelte, de koffie, de cacao en de banaan. Centraal staan ook de restaurants en de boîtes waarin Brussel zijn roaring twenties beleefde. C’était au temps où Bruxelles bruxellait, zong Brel daar al over. Maar Lucas Catherine besteedt niet alleen aandacht aan het feestgedruis. In de wijk speelden zich ook grote drama’s af, bezongen in Brusselse liekens: de verschrikkelijke moord op Jeanneke van Calck, de prachtige liefdeshistorie van de Peerlemoergang, of het trieste einde van twee brouwersknechten die zich in de Bummelstraat na een uit de hand gelopen weddingschap dood zopen.  
Knack.be publiceerde in februari 2019 een fragment. U leest het hieronder. 

‘In 1874 openden langs de Zenne de Centrale Hallen. Het was een prachtig gebouw in gietijzer en glas en bestond uit twee langwerpige paviljoenen van elk zeventig meter. Het diende voor de groothandel en gaf een geweldige boost aan de groentemarkt op het Sint-Katelijneplein. Dit plein was ontstaan toen het dok daar in 1853 werd gedempt.

De slagerwinkels waar het verse vlees en de vleeswaren verleidelijk liggen uitgestald… De staminees die uitpuilen van het volk omdat het bier er zo goed is… Deze levendige buurt kan je bijna de buik van Brussel noemen.

Op het noordelijke deel werd de Sint-Katelijnekerk gebouwd en op het zuidelijke deel de groentemarkt. Voor die groentemarkt is nog gevochten. Te volks volgens het stadsbestuur, en in oktober 1897 kwam het tot hevige rellen tussen de politie en de fruit- en groenteverkoopsters. Het nieuwe stadsreglement wou dat zij hun kramen samen met de Hallen zouden sluiten, om klokslag twaalf uur ‘s middags. Dat was buiten de groentewijven gerekend. Zij haalden hun slag thuis.

Het laatste dok dat gedempt werd, was het Koopliedendok. Een eerste stuk, langs de kant van de Sint-Katelijnekerk, werd gedempt nadat de eerste plannen voor een nieuwe haven buiten de wallen opdoken. Op dat stuk verscheen in 1882 de Vismet. Samen met de Sint-Katelijnemarkt betekende dit een nieuw leven voor de wijk. Nu arriveerden alle soorten producten, bijvoorbeeld uit het Pajottenland, vanwaar de boeren met hun karren afkwamen om hun waren te verkopen.

Zo verkocht mijn overgrootmoeder vóór de Groote Oorlog melk en eieren op Sint-Katelijne. Ze kwam met haar stootkar vanuit een dorp drie uur gaans, en dat was heuvel op, heuvel af. Daarom liet ze zich helpen door een trekhond, een Duitse scheper. Tijdens de oorlog sloegen de Duitsers om ik weet niet welke reden de hond aan. Na de oorlog eiste mijn overgrootmoeder een schadevergoeding, want zonder trekhond kon ze niet naar de markt en was ze een inkomen kwijt. Ze kreeg 110 frank compensatie, maar haar ‘marktcarrière’zat erop.

Van delicatessen tot basisvoedsel

Er kwamen ook producten van veel verder, zelfs uit het buitenland. Zo kregen de Vismet en het Sint-Katelijneplein vanaf de jaren 1950 de bijnaam ‘de Buik van Brussel’. Zoals journalist Fernand Brunfaut in 1950 in het tijdschrift Germinal schreef: ‘… de slagerwinkels waar het verse vlees en de vleeswaren verleidelijk liggen uitgestald… de staminees die uitpuilen van het volk omdat het bier er zo goed is… deze levendige buurt kan je bijna de buik van Brussel noemen.’

Dat de buurt bruiste van het leven blijkt ook uit de beschrijving van de lokale braderie in 1928 door Cypriaan Verhavert, journalist bij Het Laatste Nieuws:

’Van alle wijkfeesten die in onze Goedige Stede worden gehouden, heeft ditmaal de wijk van de Sinte-Katharinamarkt en den Vlaamschen Steenweg de pompom weggehaald! De herbergiers in hun estaminets, de specerijenverkoopers te hunnent, de beenhouwers, de koekjesbakkers, de vischverkoopers, de marchands van Gerrenoot, de oranjeappelkens- en citroenenwijven, de fruitverkoopers, binnen of buiten met hun étalages, in vitrienen of op karretjes, of met bloemen en groen gepaleerde tafels en allen gekostumeerd. (…)

Onze Maïeur Max [burgemeester Adolf Max, n.v.d.a.] heeft er gekust de appetitelijkste maagdekens en mokskens van de Sinte-Katharinamarkt en van den Vlaamschen Steenweg; gekust zoals een brave en degelijke Burgervader en jonkman zou doen die de eer van zijn Goedige Stede en van zijn geslacht heeft hoog te houden!’

Je kon er alles vinden. Luxeproducten als bananen, champignons, het eerste witloof. Die groente werd voor het eerst gekweekt in de jaren 1830 door Frans Breziers in Schaarbeek. Ze dook voor het eerst op de markt op in 1846. Er waren ook aardappelensoorten te koop die je vandaag nog zelden vindt: polderpatatten in het seizoen, Haspengouwse Cornes de Gatte waar Pierre Wynants, de peetvader van de huidige Belgische keuken, zo zot van is, of ook nog livèche (lavas), dat Wynants als kruid mee in zijn Salade Liègoise verwerkt.

Er was voor elk wat wils: op de hoek van de Vismet en het Zaterdagplein was tot in de jaren 1990 op nummer 1 een kleine kaviaarwinkel gevestigd, een herinnering aan de années folles en de golden sixties. Er waren ook koffiebranderijen. De laatste, Branderij De Boe, verdween pas in het jaar 2000 uit de Vlaamsesteenweg. (…)

Kiekenfretters

In de Melsensstraat, die uitgeeft op het Sint-Katelijneplein, had je na de Tweede Wereldoorlog nog de Halles Centrales et Halles Modernes Réunie. Een indrukwekkende naam voor een niet zo groot gebouw, een nawee van het verdwijnen in 1890 van de grote Centrale Hallen, die toen plaats moesten maken voor Le Pôle Nord en Le Palais d’Eté.

Alle ingrediënten voor de klassieke Brusselse viskeuken waren te vinden: stokvis, boestering, lammeke zoet en andere haring, met in het seizoen maatjes, karakollen en de schèregosj

In die Halles Centrales et Halles Modernes Réunie waren tot 2005 een champignonwinkel gevestigd en – Brusselaars heten niet voor niets ‘Kiekefretters’- de bekendste handelaars in wild en gevogelte van heel Brussel: Matthys & Van Gaever. De champignonwinkel overleeft nog in de Sint-Katelijnestraat, de wildhandel is ondertussen failliet. De winkel gaf jaarlijks een wildkalender uit, eigenlijk een grote tabel met voor Vlaanderen, Brussel en Wallonië telkens de data wanneer het jachtseizoen open was en daarnaast de data wanneer wild in de drie regio’s mocht verkocht worden. Niet één datum was hetzelfde voor de drie gewesten. Je kon er dus ook uit leren hoe ingewikkeld onze staatshervorming is.

De poeliers verkochten vooral Mechelse koekoek. Die werd vetgemest in Merchtem, iets buiten Brussel, en kwam via de Steenweg op Merchtem en de Vlaamse Poort in de Buik van Brussel terecht. Maar behalve echt wild, konijn of Mechelse koekoek kon je in de Buik van Brussel ook merels, lijsters en spreeuwen kopen voor consumptie! Dat was voor het gewone volk. Net als jonge duifjes. Duivenmelkers keken bij de jongen na of ze sterke vleugels hadden, was dat niet het geval dan gingen ze naar de poelier en wat waren ze lekker, bereid met jonge erwtjes, zonder peul! Naast poeliers en gewone slagers had je ook triperies. Tot vijftien jaar geleden was er nog een in de Vlaamsesteenweg.

De Vismet

En dan was er de beruchte Vismet met haar viswijven en vooral vis. Aan het gedempte Koopliedendok werden de firma’s in bouwmaterialen vervangen door vishandelaars die zich zo kort mogelijk bij de Vismet wilden vestigen, maar ook door visrestaurants. Een van de eerste was Au Poisson, gevolgd door La Marée (nu restaurant Grimbergen) en Au Port (later Aux Vieux Port, nu Moussaillon).

Alle ingrediënten voor de klassieke Brusselse viskeuken waren er sinds vanouds te vinden: stokvis (gedroogde schol, pladijs), boestering, lammeke zoet en andere haring, met in het seizoen maatjes, karakollen en de schèregosj. Mosselen kwamen uit Zeeland, en paling uit de Zuiderzee (nu het IJsselmeer). Maar er was ook paling uit de beken van het Pajottenland. Haring en mosselen werden er ook opgelegd voor verkoop in heel het land. De stokvis werd in de Zeehondstraat gemaakt en dat kon je tot ver in het rond rieken.

Er was ook gezouten en gedroogde wijting. Daarvoor moest de vis eerst gezouten worden en dat ging zo: men nam een heel grote ijzeren waterbekken, legde daar de vissen in samen met een dikke aardappel. Dan goot men zout in het water tot de aardappel kwam bovendrijven. Dat was het teken dat het water zout genoeg was. Later werd die wijting dan te drogen gehangen tot hij klaar was om in cafés verkocht te worden, in repen met vel en graten eraan.

Cypriaan Verhavert bracht in Het Laatste Nieuws uitgebreid verslag uit over de viering van vijftig jaar Vismet op 29 oktober 1933. Hieronder een stuk uit zijn verhaal:

(…) Op een namiddag trokken wij naar de Vischmarkt op zoek naar de oudste verkoopster. (…) wij kwamen aan de ‘bank’van het gezochte wijveken. Het zat ietwat verdoken achter haar breede, schuine uitstaltafel.’Ha, daar zit Bomma’, riep onze begeleidster en madammeke Vleminckx kwam tevoorschijn. (…)

Bomma dacht aan de gebeurtenissen van een halve eeuw en meer geleden. ‘In daanen bleeken-blauven patatentijd was’t leven toch uuk plezant’, zei ze.’Weile woere joenk, en da was al iet gezeid. Naa es de wereld gielegans oemgekeet, moe dat est toch gin rede om van verdriet in den grond te kroeipe…’

Haar ouderdom? Juist 74 voorbij, en de helft daarvan gewoond in een zijstraat van den Vlaamschensteenweg. Van kindsbeen af moest zij hard werken. ‘Dat is gezond’, zegt Bomma. Hoe die menschen het aldaar zoolang uithouden, zonder opgevreten te worden van de rheumatiek, is een raadsel. Van ‘s morgens tot’s avonds zitten zij onder een open afdak, met de handen en voeten in ‘t water.’s Winters is het er nijpend koud en het tocht er om omver te vliegen.’

’En de beenen, hoe zit het daar mee?’, vroegen wij haar. ‘Kom moe ne ki noe de kermis. Ga goet ons zien flikkeren.’

Tot daar Het Laatste Nieuws over de Vismet.’

Uit: De Buik van Brussel, Lucas Catherine, EPO, 2019, 19,99 euro )

Advertenties

Brussel Anders Bekeken

BrusselNoord_Zuid

Kamerad…

Brussel, zondag 10 november 1918 – Vanmorgen stapten Beierse soldaten in Brussel op naar het hoofdkwartier van kroonprins Rupprecht van Beieren, de hoogste Duitse militair in de stad. Na een onderhoud, waarbij de prins zei met hen naar Beieren terug te keren, wierpen ze hun wapens weg, zeggende dat de oorlog voorbij is.
Daarop brak een chaos los. Soldaten hielden wagens met officieren tegen, dwongen ze uit te stappen en rukten hun epauletten af.
Prins Rupprecht is sindsdien ondergedoken. De Duitse gouverneur-generaal von Falkenhausen is al een tijd spoorloos en wellicht niet meer in de stad.

0a8f52bf-e433-11e8-abcc-02b7b76bf47f
Duitse ambtenaren van het burgerlijk bestuur verlaten Brussel (oktober 1918) -foto Stadsarchief Brussel

Rond de middag werd bekend dat een arbeiders- en soldatenraad is gevormd, die de macht de Duitse Kommandatur overneemt.
In de namiddag vormde zich op de boulevards door het centrum een grote stoet van soldaten en burgers, voorafgegaan door de Franse en de Belgische vlag. Zowel de Marseillaise als de Brabançonne werd gezongen.  Daarop verschenen er aan de gevels overal Belgische vlaggen. De soldaten riepen “De oorlog is voorbij” en “Leve de republiek”.
Van echte verbroedering is geen sprake. De Duitse soldaten spraken de Belgen aan met Kamerad, maar de meeste Belgen behouden hun afstand tot hen die ze tot voor kort nog zo vreesden en haatten.
De soldatenraad heeft ook contact opgenomen met de Belgische Werkliedenpartij om hen te “adviseren”, maar de socialistische voorman Joseph Wauters behoudt eveneens zijn afstand en zegt dat de Duitsers best zo snel mogelijk kunnen vertrekken.
In de avond vond een vergadering plaats van Duitse en Belgische autoriteiten plaats over de vraag hoe de bevoorrading kan worden hersteld. Ook de Spaanse en Nederlandse gezanten waren aanwezig. De soldatenraad liet zich vertegenwoordigen door Carl Einstein, een Duitse beambte bij het bezettingsbestuur in Namen, in het burgerleven een avant-garde kunstkenner.

Overgenomen van https://www.vrt.be/vrtnws/nl/rubrieken/wetenschap/10-11-1918-keizer-naar-nederland-gevlucht/

Zondag 10 november 1918: het einde van de eerste wereldoorlog in Brussel

Zentral-Soldaten-Rat Brüssel

rode_dagenDe oorlogsmoeheid was bij alle legers voelbaar. Bovendien zorgde de oktoberrevolutie van 1917 voor ongerustheid bij de oorlogsvoerende legerleidingen.

In oktober 1918 begon het 6e Duitse leger zich terug te trekken uit Noord-Frankrijk. Ludendorf pleit voor snelle vredesbesprekingen. Hij brengt een aantal procureurs, burgemeesters, gouverneurs en financiers samen: zij denken eraan om een burgerwacht te installeren. Op 21 oktober dromen een aantal verontruste burgemeesters luidop van de dictatuur. De dictatuur zou de wettelijke autoriteit “tijdelijk” (?) vervangen.

De reden hiervoor was o.m. dat Luik en Brussel vol zaten met deserteurs die naar Duitsland reisden en soldaten die terugkwamen uit vakantie of bij reservetroepen hoorden. Er was een niet onrealistische angst dat de enen de anderen zouden besmetten met revolutionaire ideeën en vredesgedachten. Ondertussen bereidde het militaire opperbevel een politiek van verschroeide aarde voor en wilde het de kolenmijnen vernietigen en de landbouw saboteren.

In Duitsland organiseerden rebellerende soldaten Soldaten-Raten. Op 8 november werd de republiek uitgeroepen. Het Duitse garnizoen in Brussel vangt hierover geruchten op door dat er verschillende Duitse linkse intellectuele soldaten zijn actief in het Duitse perscentrum

Op 9 november treedt de keizer af ten voordele van de socialist Ebert. De keizer vlucht naar Nederland en in Keulen wordt er een Soldatenrat geïnstalleerd. Duitse officieren denken eraan om een eigen soldatenraad te organiseren met soldaten die ze zelf kiezen. Maar ze zijn te laat. Op de avond van 9 november vergaderen Duitse en Belgische soldaten in afwachting van een wapenstilstand. Aan het Noordstation (vandaag Rogierplein) komen Duitse soldaten bijeen, ze nemen de macht over dan luitenant-generaal Hurt en hijsen de rode vlag. Tijdens de schermutselingen tussen de soldatenraad en de officieren vallen er burgerdoden. Er vinden verbroederingen plaats tussen revolutionaire Duitse soldaten en de Brusselse bevolking. De lokale besturen krijgen een deel van hun bevoegdheden terug. Het is duidelijk: Brussel wordt niet bevrijd door de geallieerde troepen, maar door Duitse soldaten in opstand. Op straat trekken soldaten trekken de epauletten van de officieren af. Scholen en zalen worden gevorderd voor vergaderingen.

Zondag 10 november 1918: de beslissende dag

In Brussel is er een soldatenraad. Aan het Noordstation zijn er schermutselingen tussen de soldatenraad en officieren, waarbij er burgerslachtoffers vallen. De 28-jarigd Duitse arts en linkse socialist Hugo Freund komt aan in Brussel. Hij gaat naar het huis van de spoorwegarbeiders, waar hij de menigte toespreekt. Rond 9 uur roept hij vakbondsmensen en politiek bewuste arbeiders op om zich bij hem aan te sluiten. Met veertien personen vormt hij een soldatenraad. Om 11 uur sluit een groep mannen o.l.v. van een zekere Pfeil zich bij hen aan: zij noemen zichzelf de Soldatenrat. Een betoging van meer dan 5.000 soldaten trekt met rode vlaggen door de stad. Het gaat ongetwijfeld over de groep die zich de dag voordien heeft gevormd. Om 14 uur keuren ze een programma goed. 

De rode vlag wappert op de Kommandantur, Belgische, Franse en Britse nationale hymnes weerklinken in de stad.

Op 11 november wordt de wapenstilstand ondertekend in Compiègne. Op 13 november verlaten de Duitste troepen Brussel. Twee dagen later volgt het vertrek van de Soldatenraad. Dienstdoend burgemeester Lemonnier roept de bevrijding van Brussel uit op 17 november.  Burgemeester Adolphe Max wordt onthaald als een held en op 22 november doen de koning en het Belgisch leger intrede in Brussel.

 

Le récit d’un témoin oculaire.

BRUXELLES, 15 novembre 1918.

Voici le récit exact des évènements qui se sont déroulés à Bruxelles depuis le dimanche 10 novembre. Une partie de la garnison se mutina ce matin-là, arrêtant les officiers, arrachant leurs insignes. Le drapeau rouge fut arboré à la façade des locaux officiels.
Il était manifeste que l’autorité allemande avait perdu toute action sur les soldats et les civils boches. Les habitants de la capitale qui, depuis trois semaines, attendaient fébrilement leur libération, commencèrent à pavoiser.

Les révolutionnaires allemands parcoururent la ville, précédés de drapeaux rouges, chantant la Marseillaiseet l’Internationale.

Une longue colonne de troupes stationnait à l’Avenue Louise quand un certain nombre de soldats, cédant aux exhortations de leurs camarades mutinés, firent entendre des protestations de plus en plus véhémentes.
Le prince RUPPRECHT de BAVIÈRE, qui logeait à l’ancien hôtel de M. ERRERA, au coin de l’Avenue Louise, sortit pour haranguer ces hommes. Mais à peine eût-il paru qu’il fut accueilli par des huées. Le prince fit vainement appel à ses soldats bavarois, leur prêchant l’obéissance et le calme. Une mitrailleuse, installée sous le porche de l’hôtel, tira alors quelques coups à blanc dans la direction de la troupe.

Aussitôt un groupe de soldats se précipita sur les factionnaires placés à la porte de l’hôtel. Le prince RUPPRECHT et le prince LUITPOLD, n’écoutant que leur courage, se réfugièrent en toute hâte chez le ministre d’Espagne. De là, le prince LUITPOLD se décida à rejoindre son régiment, tandis que RUPPRECHT gagnait la Hollande mardi soir après avoir lancé une proclamation dans laquelle il déclarait ne pas reconnaître la république proclamée en Bavière et attendre la décision du peuple.

Entre-temps, les évènements s’étaient précipités à Bruxelles. Un train amena 200 délégués des Soviets de Berlin et Hambourg, qui se répandirent en ville. Certains d’entre eux conférèrent avec les protagonistes du mouvement qui avait éclaté à Bruxelles, tel un nommé ERIKSTEIN, inconnu jusqu’alors et qu’on vit apparaître à la tête des soldats mutinés, monocle à l’œil et la tête enveloppée d’un pansement.

L’autorité allemande, qui avait télégraphié à Berlin pour demander des instructions, recevait l’ordre de coopérer à l’administration révolutionnaire.

Von der LANCKEN, chef du département politique, le Dr FREUND, premier président ; HANIEL, président du gouvernement wallon ; HURT, gouverneur de Bruxelles, et SCHEIDEN se mirent à la disposition du comité des soldats et ouvriers.
Ceux-ci tinrent une réunion dans les locaux du Sénat. La foule, massée devant le palais de la Nation, ouvrit de force les portes du Parc, fermées depuis quatre ans. Ces manifestations durèrent pendant toute la journée de dimanche. Le cortège qui s’était formé continua de parcourir la ville, obligeant les officiers allemands à retirer leurs insignes.

Lundi, l’agitation reprit, grandissante. Des bagarres éclatèrent entre soldats loyalistes et révolutionnaires. Des mitrailleuses entrèrent en action devant la Bourse.

Près de la Gare du Nord et du boulevard Botanique, les Allemands saisirent ce prétexte pour tirer sur les civils. Quatre de ceux-ci furent tués, un grand nombre blessés. En outre, un domestique de M. BOËL, place Rogier, fut poignardé.

Les soldats mutinés se rendirent alors à la Banque Allard et exigèrent le paiement immédiat d’un million. Une transaction intervint et les mutins se retirèrent en emportant 100.000 francs.
Dans une autre banque, ils enlevèrent une somme de 50.000 francs. Plusieurs maisons furent, en outre, pillées.

Le Comité des soldats, réuni en conseil de guerre, condamna à mort l’artilleur Karl KRASOWKS, coupable de meurtre et de vol à l’hôtel Régent de la place Rogier. La sentence fut exécutée sur l’heure, en présence des membres du Comité.
Sur les ordres du même Comité, tous les déserteurs détenus à la prison de Saint-Gilles et ailleurs furent remis en liberté. Les détenus politiques belges de Vilvorde en profitèrent pour s’évader sur l’initiative du sénateur COLLEAUX, dont il convient de louer l’attitude courageuse.

A la suite de ces évènements, les Bruxellois comprirent qu’ils devaient s’abstenir de participer, de quelque manière que ce soit, aux manifestations en cours. Par des proclamations, les bourgmestres de l’agglomération les engagèrent au calme, disant :
“Chers concitoyens, dans quelques jours nous serons délivrés de l’occupation ennemie. Au milieu des épreuves douloureuses que vous avez supportées avec tant de courage pendant plus de quatre années, il importe à votre honneur que vous montriez les mêmes vertus au moment de l’affranchissement. Conservez votre calme et votre dignité. Évitez toute provocation. Attendez pour manifester publiquement votre joie que le drapeau national soit arboré à l’hôtel de ville”.

En outre, M. LEMONNIER, ff. de bourgmestre de Bruxelles, prenait un arrêté interdisant tout rassemblement, tout cortège, toute circulation de bandes sur le territoire de la ville, et la députation permanente du Brabant interdisait le débit et la consommation de l’alcool et des liqueurs spiritueuses. 

D’autre part, le parti ouvrier adressa une proclamation au peuple belge, disant notamment :
“Le peuple belge réintégré dans ses libertés revendiquera avant tout de l’Allemagne nouvelle la réparation totale des méfaits de l’Allemagne d’hier”.

Cette proclamation engageait les travailleurs à veiller au maintien de l’ordre public : “Que les travailleurs soient prêts pour qu’au retour des soldats qui ont si héroïquement coopéré à la libération de notre sol et à l’affranchissement du vieux monde, la Belgique marque elle aussi une ère de justice et de solidarité sociale”.

Elle demandait le suffrage universel, “la poursuite des traîtres et des accapareurs et la taxation des bénéfices de guerre, mais la réalisation de cette œuvre de rénovation exige avant tout que le calme règne. Nous vous convions donc à assister avec sang-froid et dignité à la retraite des troupes ennemies. Pas de fausse manœuvre. Pas de manifestations intempestives”.

Ces interventions eurent un effet salutaire. La population laissa les Allemands régler leurs affaires entre eux.

Les drapeaux furent retirés en attendant l’avis des autorités, pour n’être arborés que dans la joie de la délivrance complète.

Le Comité des soldats fit remettre en liberté les prisonniers anglais, demanda à Berlin le châtiment des exécuteurs de Miss CAVELL, lança un appel disant que la propriété privée belge se trouvait sous sa protection et qu’il sévirait impitoyablement contre tous les actes de pillage.

* * *

Sous la direction de M. PLAS, on s’est occupé de remettre de l’ordre au Palais Royal. Les mutilés ont été installés dans les chambres de l’aile gauche du Palais.

Près d’Assche, les soldats allemands ont fait sauter la poudrière. De nombreuses victimes ont été faites parmi les soldats et malheureusement aussi dans la population.

Au champ d’aviation de Berchem, les aviateurs allemands ont déguerpi, y laissant une cinquantaine d’avions de combat qu’ils abandonnèrent à regret, après avoir exécuté de nombreux vols au-dessus de la région.

* * *

La journée de mercredi fut calme à Bruxelles. Les pièces de la défense ont été déchargées ; des soldats ont jeté des caisses entières de cartouches, de fusées et de grenades dans le bassin Vergote. Des mitrailleuses étaient toujours installées à la Bourse.

En ville, les anciens prisonniers belges et anglais libérés circulent, acclamés par la foule. Les Anglais ont été hospitalisés dans les locaux de l’Université libre, où un organisme de secours a été immédiatement installé.

Le prince impérial EITEL est logé à Louvain, dans l’hôtel de feu le baron DESCAMPS, sous la garde de 25 soldats et de mitrailleuses braquées sur le couvent voisin des jésuites. Les officiers allemands circulent en ville, coiffés d’une casquette avec une bande rouge.

Pour éviter de nouveaux incidents, les troupes en retraite ne passeront plus par Bruxelles, quelles contourneront par le Nord ou par le Sud.

On dit ici qu’un amiral allemand a été fusillé à Anvers par les soldats révoltés.

Le bourgmestre BRAUN est parti le 14 novembre, en auto, pour Gand.

Le bourgmestre MAX, dont on vend le portrait dans les rues, était attendu à Bruxelles le même soir, ainsi que d’autres déportés. Une réception grandiose leur a été préparée.

Mais, par-dessus tout, les Bruxellois attendent avec une impatience folle, l’arrivée du Roi et de ses troupes.

(Texte intégral extrait du journal “Le Courrier de l’Armée” paru le 19 novembre 1918.)

Bronnen: 
http://hachhachhh.blogspot.com/2015/05/le-zentral-soldatenrat-ou-le-conseil-de.html 
http://history.2014-18brussels.be/nl/rode-dagen-in-brussel 
Roel Jacobs in “La Dernière Heure”, 10 november 2011
“Gabrielle Petit. Dood en leven van een Belgische spionne tijdens de Eerste Wereldoorlog”, Sophie De Schaepdrijver, Horizon, 2018, ISBN 9789492159922  

Halter

Gestapo

Marollen: herinneringen aan een Joods verleden

dvd
Te koop via info@auschwitz.be – 02/517.79.98

stolpersteine

wandelen

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑