Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

Huis van de Tramwaymen

tramwayIn de Priemstraat 18 te Brussel vinden we Espace Magh, een cultureel centrum van Franse Gemeenschap dat er sinds 2009 gehuisvest is.

Aan het begin van de twintigste eeuw was het gebouw eigendom van een handelaar in huiden en leder. In 1926 trekt de Unie der Tramweymen erin, met steun van een lening van de Sovjet-vakbonden.

Allerlei linkse verenigingen vestigen zich in het gebouw.

Er is een grote vergaderzaal en een cafe, waar veel vluchtelingen vertoeven, die gevlucht zijn voor de nazi’s in de jaren dertig.

Op 22 mei 1939, voert de Brusselse politie er er een identiteitscontrole uit, op vraag van de Nationale Veiligheid. 106 mensen worden gecontroleerd, waarvan 24, “illegalen”, opgepakt werden.

Tijdens de tweede wereldoorlog zet de Unie zet haar activteiten clandestien voort.

Bij de bevrijding organiseert het Comité voor de Syndikale Strijd hier een nationale bijeenkomst. Tevens worden er de anti-Franco manifestaties georgansieerd en worden er Jiddische toneelstukken opgevoerd.

Het Huis van de Tramwaymen heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de buurt en de stad. De tenoren van de linkse vakbonden, de vrienden van de Spaanse Republikeinen en de joodse vluchtelingen ontmoetten mekaar hier regelmatig onder de vlaggen van solidariteit, betrokkenheid en weerstand.

Bron: Stichting Auschwitz

Advertenties

De Vereniging van Joden in België

vjbHet nummer 56 in de Brusselse Zuidlaan is vandaag een woonhuis als alle andere. De bewoners weten wellicht niet dat daar tijdens de tweede wereldoorlog de Vereniging van Joden in België gevestigd was.

De VJB werd aan de Handelskaai“Opgericht onder het bevel van de bezettende autoriteiten van 25 november 1941″. De Militärverwaltung en de Sipo-SD (Gestapo) benoemden de opperrabbijn van België, Solomon Ullmann, als voorzitter van de vereniging. Na de razzia’s in de herfst van1942 trad hij af en werd Marcel Blum – voorzitter van het Israëlisch Consistorie van Brussel – voorzitter.

De bezetter dwong de Joden om zich aan te sluiten bij de VJB, die o.m. instond voor de verdeling van de gele sterren. De verdeling van de verplichte gele ster verliep niet altijd zonder slag of stoot. Opstootjes en relletjes zorgden ervoor dat de VJB verhuisde naar de Zuidlaan 56.

Vanop die plaats werden vanaf de zomer van 1942 de “werkorders” verzonden naar de mensen die geselecteerd werden om zich aan te bieden in het Samellager Mecheln, de Dossinkazerne. Families konden pakketten afgeven voor hen aan de Zuidlaan 43.

Ondanks al de gedane moeite om de bevolking gerust te stellen, werd al snel duidelijk dat “aan het werk gezet” gepaard ging met georganiseerde deportatie naar het “Oosten”. Tegelijk werden de Joden meer en meer verbannen uit het sociale, educatieve en professionele leven. De VJB werd belast met het oprichten van instellingen exclusief voor de Joden: het werd hen verboden om zich in te schrijven in bijvoorbeeld kinderdagverblijven, scholen, tehuizen (voor kinderen en ouderen), ziekenhuizen, etc.

Velen werden argwanend en legden het bevel om zich aan te melden in Mechelen naast zich neer.

De Sipo-SD besloot toen om invallen te organiseren om het quotum van Joden die moesten gedeporteerd worden te bereiken.

In Brussel, vindt een inval plaats op 3 september 1942 om de niet-Belgische Joden te deporteren en vond plaats in de wijken grenzend aan het Zuidstation. Belgische Joden waren l precies een jaar later aan de beurt: 3 september 1943.

Degenen die eraan ontsnapten verdwenen in het ondergrondse.

De VJB-leiding stond voor een verscheurend dilemma. Er werd gekozen voor een politiek van het minste kwaad’. Sommigen werkten, ondanks hun opdracht, actief samen met het Verzet. Op die manier kreeg het het Comiteit voor de Verdediging van de Joden, informatie en kon het meer dan 3.000 joodse doen onderduiken in pleeggezinnen.

Op 25 juli 1942 bestormden partizanen het gebouw aan de Zuidlaan en probeerden er de jondenbestanden te vernietigen. De VBJ zelf verzocht koningin Elisabeth om tussen te komen bij de bezetter om de deportaties te stoppen. Noé Holzinger werd vermoord op 29 augustus 1942 door het Verzet, omdat hij verantwoordelijk werd gehouden voor de convocaties naar Mechelen.

Als reactie riep Kurt Asche, hoofd van Joodse zaken van de Sipo-SD, de VJB-leiding bijeen op zijn kantoor samenroepen aan de Louizalaan 510. Ullman, Benedictus, Van den Berg, Blum en Hellendahl werden gearresteerd op beschuldiging van sabotage. Ze werden opgesloten in de kelders van de Louizalaan. Op 24 september werden ze overgebracht naar naar Breendonk. Eén onder hen, Edouard Rotkel, werd onmiddellijk naar Auschwitz gedeporteerd vanwege zijn Hongaarse afkomst. Dankzij een tussenkomst van Gaston Schuind, secretaris-generaal van Justitie, konden de overigen Breendonk verlaten op 3 oktober 1942.

De VJB bleef actief in Brussel tot september 1944, de bevrijding van Brussel.

Bron: Stichting Auschwitz

Egmont en Horn

Egmont_en_Van_Hoorn_001

Op 5 juni 2018 is het precies 450 jaar geleden dat de graven Egmont en Horn onthoofd werden op de Brussels Grote Markt.

 

Lamoraal, graaf van Egmont, prins van Gavere, is geboren op het kasteel Lahamaide in Henegouwen. Hij stamt uit een van de rijkste en invloedrijkste families in de Nederlanden, voortgekomen uit de ‘advocati’ of voogden van de abdij van Egmond. Hij was de zoon van Jan IV van Egmont en Françoise van Luxemburg. Tijdens zijn jeugd kreeg hij een militaire opleiding in Spanje. Aan het eind van de 3e Gelderse successieoorlog (1543) verwoestte Lamoraal de toen Gelderse stad Düren. Door de stad in brand te laten steken en een groot deel van de inwoners te vermoorden stelde hij een voorbeeld, waarna andere Gelderse steden zich overgaven. Egmont was sinds 1544 ridder van het Gulden Vlies. Hij nam dienst in het Spaanse leger, werd in 1559 benoemd tot stadhouder van de graafschappen Vlaanderen en Artesië. Hij maakte deel uit van de Raad van State. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Horn verzette hij zich tegen kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, die de inquisitie invoerde in Vlaanderen. Na het vertrek van Granvelle in 1564 verzoende Egmont zich opnieuw met de koning.

Filips II van Montmorency of graaf van Horn was een krijgs- en staatsman in de Habsburgse Nederlanden vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De naam “Horne” of “Hoorne” verwijst naar het graafschap Horn, dat zijn naam ontleent aan het Limburgse dorp Horn, waar nog altijd het stamkasteel van de graven van Horn staat. Hij was de zoon van Jozef van Montmorency, graaf van Nevele. Filips was page, later kamerheer aan het hof van keizer Karel V. Zijn leven vertoont grote overeenkomsten met dat van zijn vriend graaf Lamoraal van Egmont. Graaf Horn was oorspronkelijk legeraanvoerder van het Leger van Vlaanderen. Hij werd in 1555 stadhouder van Gelre, in 1556 ridder van het Gulden Vlies en in 1561 lid van de Raad van State. In de Raad van State kwam hij met Willem van Oranje en de graaf van Egmont in opstand tegen het beleid van de kardinaal Antoine Perrenot Granvelle. Na diens afzetting bleef hij zich verzetten tegen de Spaanse heerser: als protest leverde hij zijn insignes van het Gulden Vlies in. Hij stond de calvinisten bij te Doornik, hetgeen later een van de aanklachten tegen hem zou vormen.

Hij is zijn hele leven overtuigd katholiek gebleven. Maar door zijn gedoogbeleid jegens de protestanten en zijn regelmatige afwezigheid, groeide Weert onder zijn bewind uit tot een bolwerk van de Reformatie.

Toen de founding fathers van het jonge België op zoek gingen naar een geschiedenis werden Egmont en Horn opgenomen in het pantheon van Belgische Helden. Op voorstel van minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier liet burgemeester Jules Anspach in 1864 hun standbeeld plaatsen op de Grote Markt, net voor de trappen van het Broodhuis. Dat liep niet van een leien dakje. In een stevige polemiek verweten de tegenstanders van de Katholieke Partij dat Egmont onvoldoende de godsdienstvrijheid had verdedigd en ontrouw geweest was aan koning Filips II. De liberale voorstanders vonden hem net daarom een held in wie de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid sterk zo aanwezig was dat hij zich tot het einde verzette tegen de Spaanse dwingelandij. Voor de katholieken was het standbeeld van Egmont en Horn een hulde aan landverraders, voor de liberalen een hulde aan de slachtoffers van het absolutisme en de Spaanse repressie.

Burgemeester Karel Buls maakte van de verbouwingen van de Grote Markt gebruik om het beeld te verplaatsen en een aantal beelden van geuzen te installeren op de rechtervleugel van het stadhuis, onder wie Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.

In 1879 besliste de gemeenteraad om het standbeeld te verplaatsen naar de Kleine Zavel, omringd door 10 tijdgenoten die een belangrijke rol speelden op politiek of maatschappelijk vlak. De beelden werden op 20 juli 1890 onthuld:

1. Willem de Zwijger, prins van Oranje (1533-1584), als leider van de opstand der Nederlanden tegen Spanje onder koning Filips II.

2. Lodewijk van Bodegem (ca.1470-1540), bouwmeester, betrokken bij de aanleg van het oorspronkelijke Brusselse Broodhuis.

3. Hendrik van Brederode (1531-1568), incarneert met De Zwijger en Marnix van Sint-Aldegonde het vaderlandsgezinde verzet tegen de dwingelandij. Hij overhandigde Margaretha van Parma het smeekschrift der Edelen van het Eedverbond der Edelen en stelde voor om de spotnaam van geuzen als erenaam aan te nemen: Fidèles au roi jusques à porter la besace (trouw aan de koning tot het dragen van de bedelnap toe).

4. Cornelis Floris De Vriendt (1518-1578), beeldhouwer en bouwmeester.

5. Rembert Dodoens (1518-1585), botanicus, geneesheer en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden.

6. Gerardus Mercator (1512-1594).

7. Jan van Locquenghien (1518-1574), burgemeester en Amman van Brussel, betrokken bij de aanleg van het kanaal van Willebroek.

8. Bernard van Orley (1492-1542), Brusselse Renaissance schilder.

9. Abraham Ortelius (1527-1598), geograaf van de eerste atlas van de wereld.

10. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1538-1598), diplomaat, schrijver, filosoof, voorvechter van de vrijheid van denken. Indien De Zwijger het hoofd en de arm voorstelt van de omslachtige onderneming die de strijd tegen Spanje was, dan stond Marnix voor de ziel en de gedachte.

In het plantsoen is de politieke visie van de toenmalige machthebbers duidelijk aanwezig. De opstand tegen de centrale Spaanse absolutistische overheersing begon bij het volk (met de Wederdopers), gevolgd door de verarmde adel, dan de rijke adel (Luthers), en na de bloedige repressie van Alva de ambachten en het volk met de geuzenrepubliek (Calvinisme).

Vooral de leiders van de tweede fase kregen hun beelden. De Brusselse geuzenrepubliek krijgt er geen, net als de Wederdopers.

Wel kregen 48 gilden of ambachten een afbeelding: de Vier Ghecroonden (metsers, steenkappers, beeldhouwers en leidekkers, Wapensmeden, Helmmakers en Zwaardvegers; Tinslagers-Loodgieters; Lei- of Pannendekkers; Blekers; Ketelmakers of Koperslagers en Bronsgieters; Stoeldraaiers, Mandenmakers, Stucwerkers en Rietdekkers; Hoedenmakers, Volders en Brandewijnstokers; Huidevetters of Leerlooiers; Stoelenmakers in Spaans leer en Pruikenmakers; Haakbusdragers of Geweermakers; Schoenlappers; Zoetwatervisverkopers; Schoenmakers; Lakenscheerders en –koopmannen; Wolververs; Gordelsnijders en Speldenmakers; Garen- en Brandverkopers; Smeden; Vlasbewerkers en Lijnwaadhandelaars; Uitdragers of Oude Kleerkopers; Timmerlieden; Schippers; Wolwevers en –handelaars; Kleermakers; Zadel- en Wagenmakers; Groenten- en Fruithandelaars; Schilders, Goudslagers en Glazeniers; Sloten- en Uurwerkmakers; Wijnhandelaars; Stoffenhandelaars en Kousenmakers; Barbiers en Chirurgijnen; Houthakkers en Boomzagers; Messenmakers; Tonnenmakers of Kuipers; Borduurders en Bontwerkers; Schrijnwerkers; Galonmakers of Passementwerkers; Edelsmeden; Vettewariërs of handelaars in zuivel en gevogelte; Handschoenmakers; Vergulders; Molenaars; Handelaars in gepekelde vis; Slagers;Tapijtwevers; Brouwers; Bakkers.

De selectiviteit van het liberale stadsbestuur had ongetwijfeld te maken met de opkomst van het socialisme. Hun voorlopers in Brussel waren de Wederdopers en de republikeinen. Bovendien waren de liberalen na de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht hun absolute meerderheid kwijt in de Brusselse gemeenteraad. Karel Buls meende dat “de socialisten stellen het collectivisme voor als de combinatie tussen een duizendjarige communistische droom, anarchisme, brood, vrije liefde en een aards paradijs”. En dat is wat de Wederdopers werd verweten.

In de 16de eeuw maakten de Nederlanden deel uit van het Spaanse wereldrijk van Keizer Karel V. Na zijn aftreden in 1555 werd zijn zoon Filips II de opvolger. Filips II zou de doelstellingen van zijn vader om religieuze en politieke uniformiteit na te streven meedogenloos verderzetten. De politieke oppositie en het protestantisme werden met harde hand bestreden.

De adel boette aan politieke invloed in ten voordele van een bureaucratisch en centralistisch regime uitgevoerd door technocraten en juristen van de absolutistische vorst. De bepalingen van zijn vader tegenover de protestanten gingen voort: afwijkende religieuze meningen werden niet geduld.

granvelle_2.jpgNa zijn vertrek naar Spanje werd de politiek uitgevoerd door Antoine Perrenot de Granvelle, een man van de harde lijn. In 1561 werd hij aangesteld als kardinaal-aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen. Hij vond dat de roerige provincies een lesje geleerd moest worden tijdens de Tachtigjarig Oorlog. Nederlandse geschiedschrijvers stelden Granvelle tegenover Willem van Oranje. Hij werd omschreven als “listigen, wreeden, laaghartichen aanhanger der Spaanse tiranij”. Later werd dat genunaceerd…

De oppositie werd vooral gevoerd door hoge edelen: militaire gouverneurs of stadshouders, vaak medewerkers van voormalig Keizer Karel of van koning Filips II. Zowel de keizer als de koning hadden geprobeerd om de hoge adel aan hen te binden door hen op te nemen in de Orde van het Gulden Vlies en de Raad van State. Er bestond echter ook een Geheime Raad en een Raad van Financiën waar de echte beslissingen genomen werden, voorbereid door technocraten, ambtenaren en juristen.

1563 wordt het jaar van de revolte tegen kardinaal Granvelle, het symbool van het regime en de repressie. Rederijker baron Gaspar Schitzt gaf in Brussel een diner waarbij de aanwezigen een zich tooiden met monninkskappen en paarse zotskappen. Paars was de kleur van de kardinaal. De Brussels burgers vonden dat leuk en begonnen overal hun deuren te versieren met dergelijke monniks- en zotskappen. De graaf van Egmont speelde eveneens het spelletje mee. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Hoorne vormt hij een driemanschap dat een brief stuurt naar koning Filips II: ofwel vertrekt Granvelle, ofwel nemen zij ontslag uit de Raad van State. Granvelle verliet in 1564 de Nederlanden.

willem van oranjeOndertussen radicaliseert het volk en vraagt het uitdrukkelijk aan Willem van Oranje om voor het calvinisme te kiezen door briefjes over de poort van zijn stadspaleis op de Koudenberg te gooien. Ondertussen was Filips Marnix van Sint-Aldegonde – die eveneens in Brussel woonde – al calvinist geworden.

In augustus 1566 breekt de Beeldenstorm uit in Zuidwest-Vlaanderen en verspreidt zich over de Nederlanden. In Brussel is hiervan in het begin niet veel te merken. Er zijn de ‘hagepreken’ en het protestantisme heeft zijn weg gevonden naar het gewone volk, dat net buiten de stadswallen bijeenkomt: Roodebeek, Josafatvallei… Bruegel, die in die periode in Brussel komt wonen, schildert de ‘hagepreken’.

De adel komt eveneens in beweging. Sinds de dood van Karel V is Brussel niet langer het financiële en politieke machtscentrum. De macht verschuift naar Spanje en zelfs Willem van Oranje moet inbinden. De hoge edelen – onder wie Willem van Oranje, Egmont, Horn en Brederode – waren niet zozeer gekant tegen de centralisatiepolitiek, maar vooral die tegen de bureaucratisering en technocratisering, waarbij zij nog enkel een adviserende, maar geen beslissende rol meer hadden.

De meeste edellieden hadden een optrekje in Brussel, ofwel in de buurt van het paleis op de Koudenberg, ofwel langs de straat die van het paleis naar de Paardenmarkt (nu Zavel) liep, die toen de Herenstraat heette (nu Karmelietenstraat en Wolstraat): Egmont bezat er het Egmontpaleis, Culemborg had een paleis waar nu de Albertkazerne is en Brederode verbleef op het huidige Poelaertplein (rechtover de Galgenberg).

Maar 1566 was vooral een hongerjaar. Er waren niet alleen misoogsten, maar er was vooral veel speculatie. De Zuidelijke Nederlanden importeerden graan uit de Baltische staten en uit het Noorden. Dat arriveerde via Amsterdam en Antwerpen. De graanhandelaren gebruikten de misoogst om woekerprijzen te vragen. Zo had de firma Pauwels van Dale in Antwerpen zoveel graan gestockeerd dat de zolder in elkaar zakte en het graan tot op straat stroomde, met oproer als gevolg.

Kardinaal Granvelle begreep er niets van. Hij vraagt zich af waarom het graan in de Nederlanden zo duur blijft. Maar de hongersnood blijft aanhouden. In een rapport over Brussel schrijft hij: “Wij hebben hier onder een vreselijke duurte van het graan te lijden, die met de dag erger wordt. Ik weet niet hoe wij het gemene volk in bedwang zullen houden… God moge ons voor een groot oproer beschermen! Wanneer het volk eenmaal opstaat, zal het, vrees ik, de godsdienst erin gaan betrekken.”

Ook Willem van Oranje vreesde dit en vroeg daarom op 24 januari 1566 aan de landvoogdes om de religieuze repressie te milderen: “De tijd schijnt mij slecht gekozen om de gedachten en gevoelens van het volk nog meer te prikkelen, dat toch al door de huidige schaarste en duurte van het graan meer dan genoeg is opgewonden en verontrust.”

Zelfs adel verarmt zienderogen. Willem van Oranje, de rijkste man van de Nederlanden, moet inbinden. Waar de kosten van zijn Brussels paleis vroeger 52.000 gulden per jaar bedroegen (160 personeelsleden), moet hij die terugbrengen tot ‘nog slechts’ 24.000 gulden (500x het jaarinkomen van een timmerman). Later zal hij in zijn apologie zijn motivatie voor de opstand zo samenvatten: “Voor de eer van God, de uitbreiding en de planting van zijn woord en het herstel van de welstand van het land.” Uiteraard vooral zijn welstand. Zijn welstand, die van de hoge adel en die van de graankooplui, werd bedreigt door een volksopstand.

In de zomer van 1565 is er in het kuuroord Spa overleg tussen vertegenwoordigers van de calvinistische kerkraden en Jan van Marnix van Sint-Aldegonde (broer van Marnix), Lodewijk van Nassau (broer van Willem), om een putsch te ondernemen en zo zelf hervormingen door te voeren. In april 1566 worden abdijen in Brabant geplunderd. Tijd om zelf, eventueel i.s.m. de rijkste laag van de handelsburgerij, het heft in handen te nemen. Maar Oranje en Egmont vrezen de reactie van het volk en Oranje komt met een nieuw plan. Het Verbond der Edelen zal een smeekbede opstellen en dat moet de landvoogdes ervan overtuigen dat een deel van de adel zich bij de oppositie heeft aangesloten. Het wordt psychologische oorlogsvoering, geen putsch. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde verwoordt het zo: “En zij die te voren, in afwachting van het treurige juk der tyrannieke inquisitie, besloten hadden een wanhoopsdaad te begaan en alles op het spel te zetten, voelden zich als uit de doden opgestaan en waren nu van vreedzamer gedachten vervuld.”

Het Verbond der Edelen kondigde begin april aan dat al zijn leden in volle oorlogsuitrusting naar Brussel zouden komen om gezamenlijk een klaagschrift te overhandigen. De landvoogdes was ontsteld en paniekerig. Vier- tot vijfhonderd edellieden, waarvan het merendeel met een groot gevolg, dat betekende een klein leger in Brussel. Er volgden onderhandelingen. Het Verbond bond in. Het zou maar een delegatie worden van kleine adel en slechts lichtbewapend. Blijkbaar bleef de adel loyaal en delandvoogdes haalde opnieuw adem. Oranje had morele druk onderschat. Het spel was op voorhand verloren.

Brederode trekt op 3 april 1566 ’s avonds met 200 ruiters Brussel binnen: allemaal edellieden, het pistool aan de gordel. Ze stallen hun paarden voor het Hof van Nassau, het huis van Willem van Oranje (nu Koninklijke Bibliotheek). Ze gaan akkoord over een gezamenlijke tekst: het Eedverbond der Edelen. Ze trekken naar het paleis op de Koudenberg: Willem van Oranje, Egmon en Hoorne zijn er niet bij. M.a.w. de hogere adel geeft verstek. Zij hebben veel te verliezen: hun positie én hun fortuin.

De raadgevers van de landvoogdes zijn niet onder de indruk: het zijn maar ‘bedelaars’, des geux.

De naam ‘geuzen’ was een verwijzing naar hun financiële situatie, hun schulden. Ze zijn adelijke bedelaars. Maar het gewone volk denkt dat de adel hun kant gekozen heeft.

Tijdens een banket verbroederen Egmont, Horn en Willem van Oranje. De gewapende opstand van de adel verdwijnt naar de achtergrond. De landvoogdes zou haar reactie op het smeekschrift overmaken op 18 augustus 1566 in aanwezigheid van de ridders van het Gulden Vlies en van het Verbond der Edelen. Maar op 10 augustus breekt de Beeldenstorm uit in West-Vlaanderen. Het is de bedoeling om de bijeenkomst in Brussel onder druk te zetten. Ook in Brussel breken onlusten uit.

Onder impuls van Egmont, Horn en Willem van Oranje doet de landvoogdes toegevingen: de plakkaten tegen de ketters worden opgeschort en de protestantse predikers worden (beperkt) toegelaten. Het driemanschap vreesde de gewapende opstand van het volk.

Het doek valt over de revolutie…

In oktober 1566 komen Willem van Oranje, Egmont, Horn en nog enkele anderen bijeen in Dendermonde om te spreken over verder verzet. Egmont wil het verzet stoppen uit vrees voor een volksopstand…

Ondertussen had koning Filips II de hertog van Alva opdracht gegeven om orde op zaken te stellen in de Nederlanden. Alva denkt dat hij het gemakkelijk zal hebben: de adel is getemd, de boeren zijn geïsoleerd, alleen nog de stedelijke burgerij en het werkvolk met terreur hun kettersheid ontnemen.

AlvaAlva neemt in augustus 1567 zijn intrek in het huis op de hoek van de Naamsestraat en de Herenstraat (nu Karmelietenstraat). Hij installeert de Raad van Beroerte of de Bloedraad en onteigent het Hof van Nassau, het stadspaleis van Willem van Oranje… De repressie start.

Eerst moet de adel het ondervinden omdat het in opstand gekomen: op 1 juni 1568 worden 19 edelen onthoofd op de Paardenmarkt (Zavel). Vier dagen later is het de beurt aan Egmont en Horn. Zij sympathiseerden met het Eedverbond, maar ondertekenden de smeekbede niet… Maar in Spanje was men niet vergeten dat beide graven, samen met Willem van Oranje, aan de basis lagen van het ontslag van kardinaal Granvelle. Alva nodigde Egmont en Horn uit op een diner, maar daarna worden ze aangehouden. Na een schijnproces, waarin hen onder meer verweten werd geageerd te hebben tegen Granvelle en het protestantisme en het Eedverbond te steunen, worden ze ter dood veroordeeld. Ze worden opgesloten in het Broodhuis op de Grote Markt. Na hun executie worden hun hoofden op staken gestoken en nadien – via Thurn en Taxis – worden ze verstuurd naar Madrid.

Nadien mag de bevolking het uitzweten.

Op piekmomenten worden tot 500 burgers gearresteerd. In heel de Nederlanden worden ongeveer 8000 mensen geëxecuteerd.

Vanaf 1569 voert Alva nieuwe belastingen in: de 100ste, de 20ste en de 10de Penning. Het verzet wordt groter: ongeveer overal is er verzet tegen de 10de Penning, maar het hevigst en het langst in Brussel. De nieuwe belastingen zijn eigenlijk een radicale aanval op de burgerlijke vrijheden: met de 10de Penning bepaalt de vorst voortaan zijn eigen dotatie, zonder inspraak van de Staten-Generaal.

Het protest in Brussel neemt grote proporties aan: bij weigering worden winkels gesloten, beroepsgroepen worden geviseerd, de Vleeshal sluit, de brouwers worden aangepakt, er breken stakingen uit… De onrusten duren tot ver in de jaren 70 van de 16de eeuw met als apotheose een eerste echte Brusselse geuzenrepubliek.

Bronnen:

“Brussel, van Renaissance tot Republiek”, Lucas Catherine, EPO/Berchem, 2014

– “De Graven Egmont en Horn : Slachtoffers van de politiek repressie in de Spaanse Nederlanden”, Gustaaf Janssens, Museum van de Stad Brussel, 2003

Wikipedia

De Gardevil es doe!

gardevil
www.gardevils.be

Lup, Lup, Lup, de Gardevil es doe, de Gardevil es doe, de Gardevil es doe
Lup,Lup, Lup de Gardevil es doe, de Gaaardeviiiil eeeees doooeee.

Hij es in koleire, ‘t es percies nen hoen,
Lot aale ni scheire, want ge zaat eroen,
Hij eit e karuur gelak een klaain fleske sidol
Mô dad es niks, hij mokt em toch nen dikke kol

 

 

 

Monument tegen nazisme en racisme

monumentOp de achtergevel van école n° 6 in de Lenglentierstraat 1a hangt hangt sinds 20 september 1987 een herdenkingsplaat van het “Uitvoerend Comité van Monumenten tegen het nazisme en racisme in de Marollen”, gemaakt door Jacques Raffeld.

Op de plaat staat in het Hebreeuws een Bijbelse passage:“En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en u zal doen opstaan uit uw graven, O mijn volk. Ik zal Mijn Heilige Geest in u laten varen, en gij zult leven, en Ik zal u rust geven op uw land, en je weet dat Ik, de HEERE, zeg en dat ik doe – orakel van Jahweh!” (Ezechiël XXXVII, 13-14).

De vers wordt gevolgd door twee korte teksten waarin staat dat het monument is opgericht “À la mémoire des Juifs du quartier des Marolles victimes du nazisme et du racisme” – “Ter nagedachtenis van de Joden van de marollenwijk slachtoffers van nazisme en racisme”.

Oorspronkelijk was er een vervolg dat later bedekt werd met pleister: “Hun martelaarschap verlicht onze strijd.”

Waarom de tekst gewist werd is onduidelijk: misten deze termen precisie en leidden ze tot verwarring?

Het monument is nochtans een herinnering aan gebeurtenissen die zich tijdens de tweede wereldoorlog afspeelden in de wijk.

In de jaren 1920-1942 leefde in de Marollen een grote Joodse gemeenschap. Die armoedige Brusselse volkswijk trok van oudsher inwijkelingen aan. In 1940 waren 5.640 mensen geregistreerd in het Brusselse Jodenregister. Het centrum ‘Entraide des Travailleuses’, in de Huidevettersstraat, redde tijdens de oorlog minstens negen joodse kinderen. Koningin Elisabeth bezocht het tijdens de winter van 1941.

Op 3 september 1942 hielden de nazi’s een eerste razzia waarbij buitenlandse Joden opgepakt en gedeporteerd werden. Een jaar later volgden de Belgische Joden.

Uit heel België werden 25.124 Joden en de 351 Roma en Sinti naar Auschwitz gedeporteerd. Minder dan 1.300 overleefden het.

Bron: Stichting Auschwitz

Paviljoen van Menselijke Driften

Het Horta-Lambeauxpaviljoen herbergt de grootste realisatie van de Antwerpse beeldhouwer Jef Lambeaux (1852-1908): het reliëf De Menselijke Driften. Het enorme witmarmeren werk werd geconcipieerd op het thema van het geluk en de zonden van de mensheid, gedomineerd door de Dood.

Menselijke driften

Het werk kende een bewogen ontstaansgeschiedenis. Aan de basis lag in eerste instantie een inschattingsfout van Lambeaux, gevolgd door een meningsverschil tussen de beeldhouwer en de jonge architect Victor Horta (1861-1947), die voor zijn eerste staatsopdracht rondom dit werk een tempeltje ontwierp. Vanaf 1886 werkte Jef Lambeaux in grote afzondering en met volledige overgave aan het ontwerp van De Menselijke Driften. In 1889 stelde hij het karton voor aan een beperkte groep critici, die er nadien met lovende woorden over berichtten in de pers. Toen het karton enkele maanden later werd geëxposeerd op het Salon van Gent, waren de verwachtingen bij de recensenten die dat ontwerp niet hadden gezien te hoog gespannen om bij het concept geen kanttekeningen te plaatsen. Men verweet het vooral gebrek aan cohesie.

Ondanks de polemiek die volgde, bestelde de Belgische Staat in 1890 het werk om het op te stellen in het Jubelpark. Datzelfde jaar kreeg Victor Horta de opdracht om een bouwwerk rondom het reliëf te ontwerpen. Hoewel de bouwmeester en de beeldhouwer in eerste instantie tot een akkoord kwamen over het architectonische concept, mondde de samenwerking uit in een onoverbrugbaar meningsverschil, gevolg van twee eigengereide persoonlijkheden. Het conflict draaide rond het feit dat Lambeaux tegen de wil van Horta in een muur wou achter de zuilengalerij. Deze onenigheid leidde ertoe dat het gebouw op 1 oktober 1899 in open toestand werd ingehuldigd en amper enkele dagen later met een houten barricade werd afgesloten. Lambeaux heeft de huidige toestand nooit gekend.

paviljoen

Pas na Lambeaux’ overlijden in 1908 vervulde Horta diens wens en werd de muur opgetrokken waardoor het reliëf definitief aan het zicht werd onttrokken. Het tempeltje met klassieke allure, dat door Horta werd bestempeld als “het einde van de voorbode van mijn loopbaan”, waarmee de bouwmeester verwees naar zijn faam als vernieuwende architect, kondigt effectief zijn geroemde art-nouveauperiode aan. Met het formele vocabularium van de klassieke architectuur, slaagde Horta er al in om alle elementen van de nieuwe stijl te verwerken. Elk klassiek detail werd opnieuw bestudeerd en heruitgevonden en is zodoende een illustratie van het genie van de architect.

Bron: www.kmkg-mrah.be/nl/horta-lambeauxpaviljoen

de Ribaucourt

De naam verwijst naar de familie Christyn de Ribaucourt, een oud geslacht dat zich al minstens 250 jaar tot de adellijke families van de Lage Landen mag rekenen. Al in het ancien régime klimmen verschillende telgen tot in hoogste machtscenakels op. Door een slimme huwelijkspolitiek verzamelen ze bovendien tal van titels.

Libert_de_Ribaucourt
Libert de Ribaucourt

Zo schopt een voorvader Jean-Baptiste Christyn het in 1671 tot kanselier van het hertogdom Brabant. In een volgende generatie begint de familie zich de naam de Ribaucourt aan te meten en knoopt ze banden aan met het graafschap Vlaanderen, dit door het huwelijk van Libert-François Christyn de Ribaucourt met Maria-Theresia van Vilsteren uit Laarne.

Kort na de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden sleept hun zoon Philippe-Alexandre Christyn de Ribaucourt officieel de erfelijke titel van burggraaf en later graaf in de wacht. In 1796 krijgt ook hij een zoon: Prosper Christyn de Ribaucourt.

Deze Prosper verzamelt de ene na de andere topfunctie. In 1822 treedt hij toe tot de Provinciale Staten van Zuid-Brabant, op dat moment een provincie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. 4 jaar later wordt hij kamerheer van koning Willem I. Tussen 1825 en 1836 mag hij zich ook nog eens burgemeester van Laarne noemen.

Ook na de Belgische onafhankelijkheid zit Prosper niet stil. Hij maakt deel uit van de provincieraad van Brabant en is ook een poos gemeenteraadslid van Perk , vandaag een deelgemeente van Steenokkerzeel in Vlaams-Brabant.

Daar komt hij terecht nadat hij in 1833 het kasteel van Perk heeft gekocht dat al snel als het kasteel van Ribaucourt bekendstaat. Het eeuwenoude gebouw heeft op dat moment al een rijke geschiedenis. Het ontstaat in de 12e eeuw en gaat in de loop der tijden van de ene in de andere adellijke familie over.

In 1696 neemt de prins van Nassau-Saarbrück als generaal van de legers van de Verenigde Provinciën zijn intrek in het kasteel. Koning Lodewijk XV van Frankrijk logeert er op 9 mei 1746 en later gebruikt de Britse generaal Miles Dempsey het als uitvalsbasis om de slag om Arnhem tijdens WO II in goede banen te leiden. Onder anderen zijn collega Bernard Montgomery brengt hem een bezoek.

I

Gaston_de_Ribaucourt
Gaston de Ribaucourt

n 1843 ruilt Prosper zijn zitje in de provincieraad van Brabant voor het rode pluche van de Senaat van België. Dat mandaat houdt hij tot 1879 in handen waarna hij het aan zijn zoon Adolphe Christyn de Ribaucourt overdraagt. Die is daarnaast gemeenteraadslid van Perk en ook even burgemeester, net als 2 andere telgen uit het geslacht. Hij vervult voorts diplomatieke taken in Spanje en in het Groothertogdom Luxemburg.

Adolphe huwt 2 keer en krijgt alles samen 12 kinderen. De familie Christyn de Ribaucourt is intussen wijdvertakt. Sommige nakomelingen duiken op in de lijst met de rijkste Belgen. Miguel en Nathalie de Ribaucourt zijn de kinderen van Christian de Ribaucourt en Florence de Sadeleer. Deze laatste is dan weer de dochter van Louis de Sadeleer en Jeanine Emsens. Meteen zijn we daarmee bij de bron van het familiale vermogen aanbeland. De familie Emsens ligt aan de basis van de multinational SCR-Sibelco.

de Ribaucourt
Kasteel de Ribaucourt (Perk)

Het kasteel van Perk blijft zowat 175 jaar in handen van de familie die zo haar stempel op de gemeente drukt. Na de dood van graaf Daniël de Ribaucourt in 2007 neemt graaf Paul de Lannoy het kasteel over. Sinds 2015 vormt het domein tijdens de zomer het decor voor het muziekfestival Paradise City.

De verwijzingen naar haar naam in Sint-Jans-Molenbeek heeft de familie Christyn de Ribaucourt onder meer te danken aan de talrijke eigendommen die ze in de loop van de 19e eeuw in die gemeente weet te verzamelen.

 

 

Bron: Alexander Verstraete op http://www.vrt.be/vrtnws

 

Jean-Baptiste Madou

Madou wordt op 3 februari 1796 in Brussel in een bescheiden gezin geboren.

Amper 12 is Madou wanneer zijn vader sterft. Plots moet hij mee helpen de kost te verdienen voor zijn moeder en zijn 4 jongere broers en zussen. Hoewel ze het niet breed hebben, mag hij van zijn moeder tekenlessen volgen. Algauw trekt hij naar de kunstacademie van Brussel. Hij gaat onder anderen bij Antoine Brice en Pierre-Céléstin François in de leer.

Madou

Salon van Brussel

De soldaten van Napoleon prikkelen de verbeelding van de jonge Madou. Hij tekent ze bij bosjes en wint een prijs op het Salon van Brussel van 1813. Hoewel hij barst van talent, moet hij zijn artistieke ambities hierna noodgedwongen in de koelkast steken om brood op de plank te krijgen.

Tegen 1814 is de rol van Napoleon bijna uitgespeeld en begint het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden vorm te krijgen. Madou versiert een baan bij het departement Financiën en gaat in 1818 aan de slag als tekenaar bij de topografische dienst van het ministerie van Oorlog in Kortrijk. Daar moet hij onder meer nieuwe grenskaarten tekenen. Later brengt hij installaties langs het kanaal van Bergen-Condé in kaart.

Zowel in Kortrijk als in Bergen treedt Madou willens nillens tot de artistieke kringen toe. Dankzij connecties in die wereld krijgt hij in 1820 de kans om (anoniem) als lithograaf in het atelier van Marcellin Jobard in Brussel te werken. Daar maakt hij zich meester van de steendruk.

Madou maakt stilaan naam als lithograaf. In de jaren die volgen brengt hij verschillende albums uit, zoals “Album de douze petits sujets pour l’année 1830”. Wanneer de Belgische revolutie losbreekt, brengt hij ook die in beeld. In 1836 krijgt hij de gouden medaille op het Salon van Brussel voor “La physionomie de la société en Europe depuis 1400 jusqu’à nos jours”.

Adolphe Quetelet

Ondertussen denkt Madou ook aan trouwen. Dat doet hij op 4 september 1833 in Brussel met Mélanie Lannuyer. Zij is de halfzus van Adolphe Quetelet, de astronoom en statisticus die aan de basis van de Koninklijke Sterrenwacht van België lag.

Wanneer het succes van de lithografie rond 1840 begint af te nemen, is het Lannuyer die Madou aanmoedigt om te beginnen schilderen. Hij legt zich toe op genrestukken met een hoog gehalte aan nostalgie en romantiek. Zijn tijdgenoten vergelijken hem al snel met de Duitse schilder Adolphe Menzel, maar eigenlijk haalt hij zijn inspiratie bij oude meesters uit de 17e eeuw als Adriaen Brouwer en Jan Steen.

Fenakistiscoop

Rond 1850 ontdekt Madou een nieuwe passie met de fenakistiscoop, een animatietoestel dat de illusie van bewegend beeld schept door schijven met tekeningen snel te laten draaien. De Belg Joseph Plateau heeft het in 1831 uitgevonden en samen bedenken ze verschillende schijven die Madou illustreert.

Madou is intussen een gevierde kunstenaar in het jonge België en dat ontgaat de koninklijke familie niet. Koning Leopold II koopt zijn schilderij “La chasse au rat” uit 1857 en de vorst vraagt hem zijn kinderen tekenles te geven. Daarnaast geeft hij les aan de Koninklijke Militaire School.

Tot op hoge leeftijd blijft Madou bijzonder actief. Hij decoreert de wanden en plafonds van zijn huis in Brussel met taferelen uit de fabels van Jean de la Fontaine. Ook Leopold II vraagt hem in de jaren 1870 decoratieve panelen te ontwerpen en wel voor het kasteel van Ciergnon in de Ardennen.

Beroerte

Sterven doet Madou met enige zin voor drama. Op 31 maart 1877 is hij samen met de koning aanwezig op de opening van het Salon des Aquarellistes in het Academiënpaleis in Brussel. Tijdens de plechtigheden krijgt hij een beroerte. 3 dagen later overlijdt hij. Hij krijgt een laatste rustplaats op de begraafplaats van Sint-Joost-ten-Node. Even later vernoemt de gemeente een plein vlak bij zijn huis naar hem.


Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Georges Clemenceau

Clemenceau wordt op 28 september 1841 geboren in de Vendée, een vrome en koningsgezinde streek aan de Atlantische kust van Frankrijk. Zelf groeit hij echter op in een antiklerikale en republikeinsgezinde familie. Net als zijn vader studeert hij voor arts in Nantes en later in Parijs. Daarna trekt hij naar Engeland.

Clemenceau.jpg
David Lloyd George (Verenig Koninkrijk), Vittorio Orlando (Italië), Georges Clemenceau (Frankrijk), and Woodrow Wilson (VS)

In 1865 reist hij naar de VS waar de burgeroorlog net een hoogtepunt bereikt. Hij ontwikkelt een grote bewondering voor de vrije geesten in het land en voor de politici die een democratische samenleving proberen uit te bouwen. Hij geeft een poosje Franse les aan een meisjesschool in Connecticut waar hij met een van zijn leerlingen trouwt. Het huwelijk is geen succes, maar ze krijgen wel 3 kinderen.

Samen met zijn gezin keert Clemenceau in 1869 naar Frankrijk terug. Zijn vaderland staat aan de vooravond van woelige tijden. Een jaar later komt het tot een oorlog met Pruisen dat Frankrijk verslaat. De nederlaag betekent de doodsteek voor het zogenoemde Tweede Keizerrijk van Napoleon III, een regime dat Clemenceau altijd al hartgrondig haat.

Clemenceau kijkt in Parijs vanop de eerste rij toe hoe Léon Gambetta op 4 september de Derde Republiek uitroept. In de jaren die volgen is hij politiek actief als burgemeester van het 18e arrondissement van Parijs en als volksvertegenwoordiger. Hij staat bekend om zijn rebelse stijl en radicale opvattingen wat hem de bijnaam “de tijger” oplevert. 

Daarnaast is Clemenceau arts en journalist. In die hoedanigheid weegt hij op het publieke debat in Frankrijk, vaak met progressieve standpunten. Zo pleit hij voor een radicale scheiding tussen kerk en staat, is hij tegen kinderarbeid en voor pensioenen voor arbeiders.

Wanneer rond de eeuwwisseling de zogenoemde affaire-Dreyfus losbarst, bijt hij zich in de zaak vast. Op zijn aangeven publiceert de krant L’Aurore op 13 januari 1898 de beruchte open brief “J’accuse!” van filosoof en schrijver Emile Zola op de voorpagina. Het is Clemenceau die de iconische titel bedenkt. Zelf zou hij meer dan 700 artikels ten voordele van de Joodse officier in het Franse leger schrijven.

Met de affaire-Dreyfus staat Clemenceau volop in de belangstelling. In 1902 raakt hij verkozen in de Senaat en 4 jaar later treedt hij voor het eerst in zijn carrière tot een regering toe. In het kabinet van Ferdinand Sarrien wordt hij minister van Binnenlandse Zaken.

Wanneer Sarrien eind 1906 om gezondheidsredenen ontslag moet nemen, wijst hij Clemenceau als zijn opvolger aan. Tot 1909 mag “de tijger” zich premier van Frankrijk noemen. 

Al in 1908 zegt Clemenceau dat Duitsland Frankrijk via België zal binnenvallen in geval van oorlog, een voorspelling die uitkomt wanneer WO I in 1914 losbreekt. Als voorzitter van de Senaatscommissie voor het leger brengt hij regelmatig een bezoek aan het front waar hij zich het lot van de gewone soldaten aantrekt.

Opnieuw tot een regering toetreden, wil Clemenceau pas op 1 voorwaarde: het moet opnieuw als premier zijn. Hoewel president Raymond Poincaré hem niet kan luchten, vraagt hij hem in november 1917 een nieuwe regering te vormen.

Clemenceau stemt in en vormt op 1 dag een nieuw kabinet. Zijn vriend Ferdinand Foch benoemt hij tot generaal. Samen met hun bondgenoten leiden ze Frankrijk (en de rest van Europa) in 1918 naar de overwinning.

Aan de politieke carrière van Clemenceau komt in 1920 een einde. Overtuigd van zijn populariteit stelt hij zich kandidaat bij de presidentsverkiezingen, maar die verliest hij. Meteen neemt hij ontslag als premier.

Voor het zover is, schittert hij een laatste keer op het internationale politieke toneel met het Verdrag van Versailles in 1919. Het vormt het sluitstuk van de vredesgesprekken tussen de geallieerden en hun voormalige vijanden en Clemenceau werkt zich uit de naad om het voor te bereiden. Daarbij moet hij onder meer de VS, het Verenigd Koninkrijk en zijn eigen land op 1 lijn krijgen.

Clemenceau slaagt in zijn opzet, hoewel de geschiedenis later uitwijst dat het Verdrag van Versailles de kiemen voor een nieuwe wereldoorlog legt. Frankrijk krijgt de Elzas opnieuw in handen, Duitsland moet demilitariseren en het land moet forse herstelbetalingen ophoesten.

De geallieerden verdelen ook de Duitse kolonies onderling. België krijgt daarbij het mandaatgebied Ruanda-Urundi in handen (de latere landen Rwanda en Burundi).

In de laatste jaren van zijn leven maakt Clemenceau nog verschillende verre reizen, onder meer naar India en naar de VS. Hij schrijft zijn memoires, maar voor hij die kan afwerken, sterft hij op 28 maart 1929 in Parijs.



Bron: Alexander Verstraete op www.vrt.be/vrtnws

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑