Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

Koekelberg, het gemeentehuis

Koekelberg, la maison communale

Koekelberg is sinds 1841 een onafhankelijke gemeente, tot 1880 was er geen gemeentehuis. De gemeenteraad en het schepencollege kwamen achtereenvolgens bijeen bij de burgemeester thuis, in de Sint-Annakapel, in herberg ‘De Keizer’ en tenslotte in een gehuurd pand aan de huidige Herkoliersstraat 60.
Koekelberg est depuis 1841 une commune indépendante, jusqu’en 1880, il n’y avait pas de maison communale. Le conseil communal et le collège de bourgmestre et échevins se réunirent consécutivement au domicile du bourgmestre, dans la chapelle Sint-Anne, dans l’auberge ‘L’empereur’ et enfin dans un immeuble loué au rue Herkoliers 60.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is gemeentehuis-koekelberg-1.jpg

Na de aankoop van een terrein werd, op de huidige plaats, in 1882 een gemeentehuis opgetrokken naar de plannen van architect Deplace. In 1903 zorgde architect De Plaen voor een uitbreiding met een linkervleugel.
Après l’achat d’un terrain, une maison communale est construite sur le site actuel en 1882 selon les plans de l’architecte Deplace. En 1903, l’architecte De Plaen a aménagé une extension avec une aile gauche.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is gemeentehuis-koekelberg.pg_.jpg

Het gemeentebestuur besliste in 1939 besliste om te moderniseren. Architect Jacobs won de wedstrijd en ontwierp het huidige interieur, o.m. de prestigieuze trap met smeedijzeren hekwerk. Ook de gevelversiering, een bas-reliëf in witte steen, is van zijn hand: oogsten, broodbakken, schoonmaken en religie op de voorgevel, het koppel en de geboorte op de zijgevels.
Le conseil a décidé en 1939, de se moderniser. L’architecte Jacobs a remporté le concours et a conçu l’intérieur actuel, y compris le prestigieux escalier avec des balustrades en fer forgé. La décoration de la façade, un bas-relief en pierre blanche, est également dessinée par lui: la récolte, la cuisson du pain, le ménage et la religion sur la façade, le couple et la naissance sur les parois latérales.

In 1957 kreeg het gemeentehuis een rechtervleugel. De achterkant werd in 1970 aangepast door architect Hoebeke.
En 1957, la maison communale reçut une aile droite. Le dos a été adapté en 1970 par l’architecte Hoebeke.

Binnenin vind je enkele werken van Eugène Laermans, Roger Somville en Henri Logelain.
À l’intérieur, vous trouverez des œuvres d’Eugène Laermans, Roger Somville et Henri Logelain.

Het gemeenteplein is genoemd naar Henri Vanhuffel, de eerste socialistische burgemeester van de Brusselse agglomeratie tussen 1920 en 1925. Hij woonde op het nummer 8 van het plein.
La place communale porte le nom d’Henri Vanhuffel, premier bourgmestre socialiste de l’agglomération bruxelloise entre 1920 et 1925. Il habitait au numéro 8 de la place.

Op het Vanhuffelplein staat sinds 2008 een opvallend bronzen standbeeld: ‘Ontmoeting’, een beeld van 4 meter hoogte, ontworpen en vervaardigd door de Belgische kunstenares Annie Jungers. Als een brug strekt de boog zich uit over een wateroppervlak van 6 meter. De torso’s die voortvloeien uit de twee bogen en naar elkaar toe buigen, zijn versteend in een stijgende spanning die de oncontroleerbare dynamiek van de beweging uitdrukt. Dit symbool van ontmoeting van Annie Jungers belichaamt letterlijk de actuele situatie. Tot 2008 was het Vanhuffelplein een parkeerplaats, vandaag is het een ruimte voor ontmoetingen in het hart van de gemeente.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is hand.jpg

Une remarquable statue de bronze se dresse sur la place Vanhuffel depuis 2008: ‘Le Rencontre’, une statue de 4 mètres de haut, conçue et réalisée par l’artiste belge Annie Jungers. Tel un pont, l’arc s’étend sur une surface d’eau de 6 mètres. Les torses qui coulent des deux arcades et se plient l’un vers l’autre sont pétrifiés dans une tension montante qui exprime la dynamique incontrôlable du mouvement. Ce symbole de rencontre d’Annie Jungers incarne littéralement la situation actuelle. Jusqu’en 2008, la Place Vanhuffel était un parking, aujourd’hui c’est un lieu de rencontre au cœur de la commune.

Brussel en Brabant: een succesverhaal

door Dr. Paul De Ridder

IN HARMONIE MET BRABANT
In 1565 publiceerde Melchisedech van Hooren een gravure met het stadhuis van Brussel. Het onderschrift luidt : “Den stadthuyse triumphant staet te Bruessel in Brabant”. Uit die woorden blijkt niet alleen de trots van de Brusselaars over hun stadhuis maar evenzeer hun gehechtheid aan Brabant. Ook de befaamde Brusselse wandtapijten getuigen van de onverbrekelijke band tussen Brussel en Brabant. Dit kostbare weefwerk draagt immers als waarmerk “BB”, afkorting van: “Brussel in Brabant”.
Brabant is uiteraard veel groter dan wat men vandaag onder die term verstaat. Het omvat niet alleen “Vlaams-Brabant” (met de enclave Brussel) en “Waals-Brabant” maar ook de zogenaamde provincie “Antwerpen”. Ten slotte maakt de Nederlandse provincie Noord-Brabant evenzeer deel uit van Brabant. Dit gebied telde naast vier hoofdsteden (Brussel, Leuven, Antwerpen en ’s Hertogenbosch) ook nog een aantal kleinere centra (Lier, Turnhout, Herentals,Tienen, Zoutleeuw, Nijvel…).
Mechelen evenwel behoorde niet tot Brabant maar vormde een aparte heerlijkheid.
Eeuwenlang waren de steden het “staatsdragende” element in Brabant.
Bij het begin van de 18de eeuw lieten de Staten van Brabant een nieuwe gebouw optrekken aan de achterkant van het Brussels stadhuis. Op de wanden van de daarin ingerichte vergaderzaal prijken tot op de huidige dag de allegorische voorstellingen van Brussel, Leuven en Antwerpen. De vierde hoofdstad, ’s Hertogenbosch, ontbreekt omdat die Noord-Brabantse stad sinds 1629 niet meer tot de Spaanse Nederlanden behoorde maar tot de onafhankelijke “Verenigde Provincies”. Dit was het gevolg van wat er tijdens de tweede helft van de 16de eeuw in de Nederlanden gebeurd was.
Edelen en burgers waren toen in opstand gekomen tegen het autocratisch bewind van de Spaanse koning Filips II. Zij hadden hun onafhankelijkheid veroverd. Tussen 1579 -1585 slaagde Alexander Farnese er echter in om het Zuidelijke gedeelte van de Nederlanden te heroveren voor Filips II. Vanuit de Noordelijke Nederlanden poogde men het Zuiden opnieuw te bevrijden. Dit lukte slechts gedeeltelijk. In 1629 werd Noord-Brabant en ’s Hertogenbosch ingenomen door Frederik-Willem van Nassau. Brussel, Leuven en Antwerpen bleven verder onder Spaanse heerschappij. Sinds de Vrede van Münster behoorde de vierde hoofdstad van Brabant ’s Hertogenbosch “de iure” tot een ander land: de Verenigde Provinciën.
Toch blijkt uit archiefteksten dat de Brusselaars, zelfs op het einde van de 18de eeuw, ’s Hertogenbosch nog steeds als een Brabantse stad beschouwden.
Mensen uit Mechelen daarentegen, eeuwenlang een afzonderlijke heerlijkheid, golden niet als Brabanders. Het besef te behoren tot een grotere Brabantse ruimte leefde overigens niet alleen in Brussel maar evenzeer in Leuven en Antwerpen. Het is beslist geen toeval dat de wethouders van de Scheldestad tijdens de 16de eeuw de voorgevel van hun raadhuis lieten tooien met een monumentale “Leeuw van Brabant”. Alle Brabantse steden beseften dat onderlinge samenwerking een essentiële vereiste was voor hun macht en welvaart. Ook de Brusselaars waren zich daarvan ten volle bewust. Hoe trots zij ook waren op hun stad en hoe hardnekkig zij haar belangen ook verdedigden toch hebben zij er nooit aan gedacht zich op zichzelf terug te plooien. Laat staan dat zij zich zouden afzetten tegen de rest van Brabant ! De invloed en de rijkdom van hun stad hing immers in niet geringe mate af van het behoren tot de grotere Brabantse ruimte. Bovendien verzekerde Brabant aan Brussel en aan de andere steden een bevoorrechte plaats in de overkoepelende structuur van de Nederlanden, een van de rijkste cultuurgebieden in Europa.

GROEI VAN EEN VORSTENDOM
In tegenstelling tot “Vlaanderen” (Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen) dat vrijwel volledig tot Frankrijk behoorde, maakte Brabant in zijn totaliteit deel uit van het middeleeuwse Duitse Rijk waarin het overigens een grote zelfstandigheid genoot.
Vanaf het begin der 11de eeuw had Brabant zich stilaan ontwikkeld uit de oude graafschappen Leuven en Brussel. In 1085 verkreeg de graaf van Leuven het landgraafschap Brabant. Dit gebied werd in de loop der jaren vergroot. Op de Rijksdag van Schwabisch-Hall (1106) kreeg Godfried I van Leuven niet alleen de titel van hertog van Neder-Lotharingen maar ook het uitgestrekte markgraafschap Antwerpen. In 1184 verleende graaf Godfried III van Leuven stadsrechten aan ’s Hertogenbosch, een handelsnederzetting aan de samenloop van de Aa en de Dommel. Van toen af strekte Brabant zich uit van de Waals-Brabantse abdijstad Nijvel tot aan de grenzen van het graafschap Holland, dat net als Brabant tot het Duitse Rijk behoorde. Handel en nijverheid verschaften een steeds grotere rijkdom aan de burgers van de Brabantse steden. Ook hun politieke macht groeide. Tot dan toe moesten de Brabantse hertogen vooral rekening houden met de nogal roerige adel. Voortaan was ook een rol weggelegd voor de burgers van Brussel, Leuven, Antwerpen, ’s Hertogenbosch, Lier, Tienen, Zoutleeuw. Bij hen zochten de hertogen (financiële) steun voor hun ambitieuze politiek. Reeds tijdens de 12de eeuw stonden de Brabantse steden garant voor de naleving van overeenkomsten die de hertogen afsloten met andere Europese vorsten.
Vrij snel traden de steden niet afzonderlijk op maar in groep. Samen konden zij immers meer druk uitoefenen. Om hun onderhandelingspositie te versterken sloten Brussel, Leuven, Antwerpen, ’ s Hertogenbosch, Lier, Tienen, … onderlinge overeenkomsten. Meest bekend zijn de stedenbonden van 1261-1262, 1313, 1355, 1372 en 1428. In onderling overleg poogden zij niet alleen hun economische belangen te vrijwaren maar ook meer greep te krijgen op het bestuur van het land. Dit was overigens geen overbodige luxe.
De doelstellingen van de vorst enerzijds en die van de burgers anderzijds vielen niet altijd samen. De stedelingen ijverden in eerste instantie orde en veiligheid. Dat waren de noodzakelijke vereisten voor de bloei van nijverheid en handel, bron van hun welvaart. De burgers liepen niet hoog op met de ambitieuze, om niet te zeggen, megalomane expansiepolitiek van de Brabantse hertogen.

VORSTELIJKE AMBITIES
Die beroemden er zich op dat zij “Reichsfürsten” waren. In tegenstelling tot wat Henri Pirenne (1862-1935) later zal beweren, dachten zij er allerminst aan om zich los te maken uit het Duitse Rijk. Wel integendeel ! De hertogen streefden er naar om hun gezag aldaar te laten gelden. Als afstammelingen van Karel de Grote wierpen zij zich op als hertogen van Lotharingen. Dit gebied omvat ook Aken, destijds het machtscentrum bij uitstek van de legendarische Karolinger. In Lotharingen heersten evenwel nog andere vorsten. Ook die waren er op uit om hun gezag uit te breiden. Dit gold met name voor de aartsbisschoppen van Keulen.
Een conflict tussen de Brabantse hertog en de Keulse kerkvorst bleek dan ook onvermijdelijk. Dit werd op 5 juni 1288 beslecht te Woeringen. In dit dorp bij Keulen verpletterde Jan I van Brabant (1267-1294) een coalitie bestaande uit de aartsbisschop van Keulen en de graven van Gelderland en Luxemburg. Jan I kon rekenen op de steun van de burgers van Keulen die overhoop lagen met hun aartsbisschop. De grootse daden van de hertog en de Brabanders werden kort na de slag bezongen door Jan van Heelu in zijn befaamde Rijmkroniek van de slag van Woeringen. Dit epos is in het middeleeuws Nederlands geschreven. De tekst kwam tot ons omdat … de Brusselse wethouders die kroniek rond 1440 lieten kopiëren in een prachtig handschrift. Hieruit blijkt andermaal hoezeer de Brusselaars gehecht waren aan Brabant.
Na Woeringen (1288) genoot Jan I van Brabant hoog aanzien in het Duitse Rijk.

BRABANT IS VLAANDEREN NIET
Meteen blijkt duidelijk dat Brabant – anders dan Vlaanderen – van oudsher sterk op het Duitse Rijk georiënteerd is. Niet alleen politieke factoren droegen daartoe bij maar ook eenvoudigweg de geografische realiteit.
Via Maastricht – een stad die overigens mee bestuurd werd door de Brabantse hertogen – sluit Brabant aan bij Aken. Een weinig verderop ligt Keulen. Van oudsher dreven de Brabanders handel met die metropool aan de Rijn. De Brabantse steden hadden trouwens – niet zozeer hun ontstaan – dan wel hun welvaart te danken aan de handelsweg die Keulen met Londen verbond. Terloops: ook vandaag vormt de Brabantse ruimte de overgang naar Duitsland. Brabant was overigens niet alleen politiek en sociaal-economisch eng verbonden met het Duitse Rijk. Ook op cultureel gebied bestond er een sterke verwevenheid. Eerst en vooral taalkundig. Inderdaad !
Met uitzondering van het agrarische “Roman Païs de Brabant”, behoort immers héél Brabant, van Brussel en Leuven in het Zuiden tot ’s Hertogenbosch en Bergen-op-Zoom in het Noorden, tot het Nederlandse taalgebied. De hier gesproken taal, het “Neder-Duytsch” vertoont overigens nogal wat gelijkenissen met het (Hoog)-Duits. Filologen als Prof. Jozef Janssens maken trouwens gewag van “een grote Brabants-Rijnlandse literatuur-provincie”.
Het is overigens geen toeval dat Jan I van Brabant een plaats kreeg in het beroemde 14de eeuwse “Liederhand-schrift des Deutschen Minnesangs”. De Brabantse hertog staat er samen met dichters als Walter von der Vogelweide, Wolfram von Eschenbach, Gottfried von Strassburg…
Ook de romaanse architectuur in Brabant is volledig georiënteerd op die van het Duitse Rijk. Zo vertoonde de voormalige romaanse Sint-Goedele te Brussel sterke gelijkenissen met de dom van Worms aan de Rijn. Hetzelfde geldt overigens voor de (nog steeds bestaande) romaanse collegiale Sint-Gertrudiskerk in het Waals-Brabantse Nijvel. Die vertoont gelijkenissen met de abdijkerk van Maria Laach. Kortom: de geschiedenis van Brabant verschilt fundamenteel van die van Vlaanderen.

EN VLAANDEREN?
Vlaanderen was niet alleen politiek maar ook cultureel sterk op Frankrijk georiënteerd. Andermaal speelt de geografie ook hier een belangrijke rol. Tot op de huidige dag raken Vlamingen vanuit Kortrijk en Ieper direct in Frankrijk. Sommigen spreken van een “Communauté urbaine” tussen Kortrijk en Rijsel. Voor Brabanders ligt dat helemaal anders. Wanneer die naar Frankrijk willen, … moeten zij eerst héél Wallonië door.
De graven van Vlaanderen waren vazallen van de Franse koning. Enkel voor Rijks-Vlaanderen (vnl. de streek rond Aalst) dienden zij leenhulde te bewijzen aan de Duitse keizer. Waar de hertogen van Brabant een zeer ruime autonomie genoten, daar moesten de Vlaamse graven terdege rekening houden met hun Franse leenheer. Die poogde van oudsher zijn gezag in Vlaanderen te verstevigen. Dit leidde tot regelrechte conflicten met de graven van Vlaanderen en de Vlaamse steden. Meest bekend is de slag van de Gulden Sporen (11 juli 1302). Meteen stuit men op een ander treffend onderscheid tussen Vlaanderen en Brabant. Vlaanderen verdedigt zich wanneer het wordt aangevallen. De “Slag van de Gulden Sporen” (1302) wordt inderdaad uitgevochten op de Groeningekouter bij Kortrijk. Brabant daarentegen voert een offensieve, ja imperialistische politiek. De slag van Woeringen wordt niet in Brabant beslecht maar …in de buurt van Keulen.
De 19de eeuwse romanticus Henri Conscience – zoon van een Fransman ! – heeft de Guldensporenslag opgehemeld als symbool van het streven naar Vlaamse zelfstandigheid. Toch stond Vlaanderen eeuwenlang cultureel sterk onder Franse invloed. In tegenstelling tot de Brabanders volgden de Vlamingen de romaanse architectuur van Frankrijk.
Zelfs taalkundig was Vlaanderen schatplichtig aan Frankrijk. Uiteraard spraken de brede lagen van de bevolking in dit graafschap een Vlaams dialect. Het Frans was er echter de taal niet alleen van de graven van Vlaanderen en hun administratie maar ook van de bovenlaag van de stedelijke bourgeoisie (“leliaerts”). Sommigen zullen het niet graag horen, maar uit onderzoek in de oorkondenlijsten van Brugge, Gent en Ieper blijkt dat tussen 1250 en 1500 niet minder dan 30 tot 60 % van die akten … in het Frans gesteld zijn.
Van Vlaanderen gingen dus verfransende invloeden uit. Dit blijkt duidelijk in 1356. Dat jaar maakte Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, zich meester van grote delen van Brabant. De Brusselaars onder Everard Tserclaes (de man wiens arm gestreeld wordt door menige toerist) slaagden er echter in de Vlamingen te verdrijven. Ook Leuven werd bevrijd. De Brabantse stad Antwerpen bleef echter onder Vlaamse heerschappij. Welnu: vanaf dat ogenblik begint met in de Scheldestad naast het Nederlands ook het Frans te gebruiken. Tijdens de 15de eeuw verleenden de Bourgondische hertogen trouwens meer Franstalige oorkonden aan…de Antwerpenaars dan aan de Brusselaars…
Het Frans was overigens reeds tijdens de middeleeuwen de taal van het hof en van de adel in grote delen van Europa. Dit gold onder meer voor Engeland, een land dat na de slag bij Hastings (1066) veroverd was door de Normandiërs. Zelfs in Italië keken heel wat burgers op naar het Frans. De Florentijnse dichter Dante Alighieri (° 1265) ergerde zich dan ook over de Italianen die hun moedertaal verachtten.

VROEGTIJDIG GEBRUIK VAN HET NEDERLANDS TE BRUSSEL
Zelfs in Brabant raakte het Frans verspreid bij sommige adellijke families. Toch bleef het Nederlands hier tot het einde van de 18de eeuw de bestuurs- en cultuurtaal bij uitstek. Alleen in het Waals-Brabantse gebied rond Nijvel werd – volkomen logisch – het Frans gehanteerd.
Anders dan in Vlaanderen werd in Brabant de volkstaal gerespecteerd door de overheid. Rond 1280 schakelden de Brabanders voor hun ambtelijke stukken stilaan over van het Latijn naar de volkstaal. In Nijvel was dat het Frans, in Brussel daarentegen het Nederlands.
De overgang van het Latijn naar het “Duutsch” of “Duytsch” verloopt in Brussel trouwens iets vroeger dan in de andere Brabantse steden. Reeds in 1244 bezat Brussel – en dit is uniek ! – een stadszegel met een Nederlands randschrift: “INGESIGELE DER PORTERS VAN BRUSLE”.
In juni 1289 gaf Jan I een Nederlands privilege aan de visverkopers van de Zennestad. Ook de – in origineel bewaarde ! – oorkonde waarbij Jan I een visbank verleende aan de Brusselaar Henrike Vriendekine, “onsen cnape”, is in het Diets gesteld. In ruil voor de hem verleende financiële steun gaf Jan I in de jaren 1290-1291 een aantal privileges aan de Brabantse steden. Die hadden onderling overleg gepleegd om vervolgens van de vorst een aantal concrete toezeggingen af te dwingen. De steden lieten die concessies optekenen in een aantal privileges die door de hertog bezegeld werden. Welnu: in 1290-1291 waren de handvesten voor Leuven, Antwerpen, Lier en Tienen nog opgesteld in het Latijn. Alleen … de stad Brussel kreeg een oorkonde in het “Duytsch”. Dit feit past in een ruimer kader. De groeiende macht van de Brusselse burgerij zorgde ervoor dat de volkstaal meer en meer opgang maakte. Op het einde van de 13de eeuw werd de Latijnse stadskeure die hertog Hendrik I in 1229 aan de Zennestad gegeven had, vertaald in het Nederlands. Tussen 1294 en 1312 voerde het kapittel van Sint-Michiel en Sint-Goedele een proces met de erfgenamen van deken Jan Vander Hellen. Welnu zowel de aanklacht (1308) van het kapittel als het pleidooi (1309) van de partij Vander Hellen zijn in het Diets gesteld. Die documenten gelden als de oudste voorbeelden van soortgelijke stukken in het Nederlandse taalgebied die in de volkstaal werden opgesteld.
Die middelnederlandse aanklachten en verweerschriften stammen dus niet uit Brugge of uit Gent, niet uit Utrecht of Den Haag, maar uit …Brussel…
Ook op andere gebieden vervulde Brussel een voortrekkersrol.
In 1424 wordt in Brussel – als eerste stad in het Nederlandse taalgebied – een reglement uitgevaardigd om de uitoefening van de geneeskunde te regelen. Ook dit gebeurde in een Nederlandse akte. Tijdens de 15de eeuw trok vanuit Duitsland (Kleef) de familie van Wesel (in het Latijn “Vesalius”) naar Brussel. Dit geslacht van artsen en apothekers genoot hoog aanzien in Brussel. Anno 1514 wordt uit dit geslacht Andreas Vesalius geboren, de grondlegger van de moderne anatomie. Tot het begin van de 16de eeuw hanteerden de Brusselse schepenen voor het optekenen van goederentransacties nog vaak het Latijn. Men zag die taal van de oudheid blijkbaar als bijkomende garantie voor rechtsgeldigheid. Reglementen, statuten en verordeningen daarentegen die het dagdagelijkse leven in de stad regelden stellen de wethouders in het Nederlands. Dit was ook logisch: de Brusselaars moesten die teksten probleemloos kunnen begrijpen. Systematisch archiefonderzoek (àlle Brusselse documenten vóór 1500 werden onderzocht!) heeft aangetoond dat het Frans tijdens de middeleeuwen in Brussel slechts in uiterst beperkte mate verspreid was.
Meer nog ! De Brusselaars gaven blijk van een zekere taalgevoeligheid.
Naar aanleiding van gebeurtenissen in het jaar 1488 verklaart de Bourgondische kroniekschrijver Jean Molinet uitdrukkelijk dat de Brusselaars altijd Walen en Fransen gehaat hebben … omwille van hun taal. Vanaf de veertiende eeuw liet de stad Brussel haar privileges (“cartae”), reglementen en verordeningen kopiëren. Allerhande teksten van enig belang voor de stad werden overgeschreven in “cartularia” of “privilegieboeken”. De originele bezegelde – en dus ook rechtsgeldige – stukken lieten de wethouders veilig opbergen. De stadsklerken gebruikten bij het dagelijks beheer vrijwel steeds de afschriften. Het maken van dubbels bleek een zeer wijze maatregel.
Inderdaad !
Tussen 13 en 15 augustus 1695 liet de Franse koning Lodewijk XIV de stad Brussel beschieten door zijn maarschalk de Villeroi. De buurt van de Grote Markt werd in een laaiende vuurzee herschapen. Tijdens dit barbaarse bombardement gingen vrijwel alle originele bezegelde oorkonden van de Zennestad verloren. Gelukkig hadden de klerken een groot deel van die teksten gekopieerd in privilegie-boeken. Tot vandaag bezit Brussel de rijkste collectie stedelijke “cartularia” van de Nederlanden. Niet minder dan twintig privilegieboeken uit de 14de en 15de eeuw leggen getuigenis af van haar eeuwenoude administratieve traditie.

BELANGRIJKSTE CENTRUM VAN DE NEDERLANDSE LETTERKUNDE
De stad Brussel speelde ook een zeer belangrijke rol in de Nederlandse letterkunde. De relatie tussen administratieve traditie en literatuur is trouwens hechter dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Een voorbeeld uit het graafschap Vlaanderen illustreert dit ten volle. Jacob van Maerlant, “die vader der dietscher dichter algader” was … stadsklerk van Damme. De Brabantse kroniekschrijver Jan van Boendale (Boendaal is gehucht van Ukkel) verdiende de kost als klerk van de stad Antwerpen. Volgens Prof. Dr. Jozef Janssens zijn heel wat anonieme Brabantse literaire teksten uit de 13de eeuw ontstaan aan het hertogelijke hof te Brussel. Ook de wethouders van de Zennestad koesterden een levendige belangstelling voor de eigen Brabantse letterkunde. Zo is het dertiende-eeuwse Brabantse nationaal-epos, Jan van Heelu’s “Rijmkroniek” van de Slag van Woeringen , tot ons gekomen dank zij het afschrift dat de Brusselse wethouders ervan lieten maken rond 1440. In diezelfde periode voltooide de vermaarde kopiist Hendrik vanden Damme een afschrift van de volledige “Brabantsche Yeesten” van Jan van Boendale. Ook dit gebeurde in opdracht van de Brusselse wethouders.
Terloops: soortgelijke “nationale” geschiedschrijving in de volkstaal zoals Brabant die bezit, kent Vlaanderen niet. Pikant detail. Voor een relaas van de slag van de Gulden Sporen in het Nederlands is men aangewezen … op de Brabantse geschiedschrijver Lodewijk van Velthem (° ca 1260/1275) Jan van Ruusbroec (1293-1381), de grootste mysticus de Nederlanden, stamt uit Brussel. Hij schreef zijn eerste traktaten als eenvoudig priester in de Sint-Goedelekerk aldaar. Later zette Ruusbroec zijn werk verder in Groenendaal. Een aantal Brusselaars richtten anno 1362 een Onze-Lieve-Vrouwbroederschap op in Sint-Goedele. De statuten zijn in het Nederlands gesteld. Dit genootschap stimuleerde niet alleen de verering van Maria maar ook het literaire en artistieke leven. Is het toeval dat tijdens de 14de eeuw te Brussel één der mooiste Marialegenden gedicht wordt: de “Beatrijs”. Over dit werk schrijft de romanist Robert Guiette: “il m’était apparu que la version en vers moyen néerlandais était à la fois l’une des plus parfaites et des plus singulières parmi celles qui nous sont parvenues de toutes les régions de la Chrétienté”. Nog tijdens de 14de eeuw schenkt Brussel aan de Nederlandse literatuur het vermaarde “Hulthemse Handschrift” met onder meer de vermaarde “abele spelen”. Ook tijdens de 15de eeuw zet de bloei van de Nederlandse letterkunde zich verder door. Dr. Willem Van Eeghem wees erop dat Brussel onder het Bourgondische bewind volgende meesterwerken heeft geschonken aan de Nederlandse letterkunde: de mooiste mysteriespelen, namelijk de beroemde “Seven Bliscappen van Maria “.het eerste burgerlijk drama zijnde Collijn Van Rijssel’s “Spieghel der Minnen” en tenslotte het eerste “presentspel” uit de middelnederlandse letterkunde namelijk het gelegenheidswerk dat de Brusselse dichter Collijn Caillieu in 1480 schreef n.a.v. de geboorte van Margareta van Oostenrijk.
Uit al die werken spreekt een grote liefde en waardering voor de stad Brussel en voor Brabant.
In 1401 werd in Brussel de eerste rederijkerskamer van de Nederlanden opgericht “Den Boec” (ook genaamd de Tytelooskens, gesticht in 1401). Tijdens de Bourgondische vijftiende eeuw telt Brussel niet minder dan vier rederijkerskamers: “Den Boec”, “de Violette”, “de Lelie” en de “Corenblomme”.Naar aanleiding van de geboorte van de toekomstige Keizer Karel V schrijft de “stadsrhetorisijn” Jan De Baertmaker (genaamd Smeken) in 1500 een gelegenheidsgedicht. Daarin bezingt hij niet alleen de Bourgondische dynastie maar ook zijn geliefde stad Brussel. Hij vergelijkt haar met het antieke Troje: ” Dit Ylyon van Troeyen , dat es Bruessel bynnen Brabant gelegen”. Ook deze dichter legt andermaal de nadruk op de hechte band tussen Brabant en Brussel.

BEELDENDE KUNSTEN
Brussel heeft – steeds in samenhang met Brabant – niet alleen een uitzonderlijke bijdrage geleverd tot de middelnederlandse letterkunde maar evenzeer tot de bouwkunst en de beeldende kunsten. Deze stad aan de Zenne ligt mee ten grondslag aan de Brabantse gotiek. In Brussel ontwikkelde zich – onder invloed van Claus Sluter – een nieuwe, krachtige en realistische stijl. Die komt niet alleen tot uiting in monumentale stenen beelden maar ook in houten retabels. Ook de te Brussel geweven wandtapijten getuigen van het hoogwaardig vakmanschap. Dit kleurrijke weefwerk was destijds zeer gegeerd in heel Europa. Brusselse wandtapijten vormen ook vandaag nog de topstukken in kathedralen, kastelen en musea verspreid over de hele wereld. Rond 1435 wordt Roger de la Pasture, afkomstig uit het Franse Doornik, stadsschilder te Brussel. Hier vernederlandste hij zijn naam tot Rogier van der Weyden. Deze geniale kunstenaar ontwikkelde in Brussel een eigen dramatische en bewogen stijl.
Kortom : de samenwerking met de andere Brabantse steden zorgde ervoor dat Brussel tijdens de 14de en de 15de eeuw een ongeziene bloei kende, niet alleen op economisch maar evenzeer op cultureel en artistiek vlak.

DE BRABANTSE CONSTITUTIONELE TRADITIE
Er is echter meer ! Samen met haar zustersteden heeft Brussel ook een zeer belangrijke politiek-institutionele erfenis nagelaten: het Brabants constitutionalisme. Dit gedachtengoed vond weerklank niet alleen elders in de Nederlanden en elders in Europa maar zelfs in de Verenigde Staten van Amerika (Onafhankelijkheidsverklaring van 1776).
De stedelijke burgerij heeft er inderdaad voor gezorgd dat Brabant – reeds tijdens de middeleeuwen ! – beschikte over een geschreven constitutie. Ook het verwerven van dergelijke juridische garanties was enkel mogelijk dank zij de onderlinge samenwerking van de Brabantse steden. De welgestelde burgers van die machtscentra stelden alles in het werk om niet het slachtoffer worden van de risicovolle offensieve en imperialistische politiek van de Brabantse hertogen. Een dergelijk bijna megalomaan machtsstreven vergde uiteraard massa’s geld. De inkomsten uit het eigen hertogelijke domein (akkers, weilanden, bossen, vijvers, allerhande rechten) volstonden niet om een dergelijke politiek te voeren. Daarom waren de vorsten aangewezen op de financiële steun van hun onderdanen: de clerus, de adel en de steden.
Reeds vóór Woeringen (1288) hadden Brussel, Leuven, Antwerpen en ’s Hertogenbosch onderling overleg gepleegd wanneer de hertog tot hen de “bede” richtte om hem geld te geven. Dergelijke “bede” (lees “belasting”) vormde allerminst een automatisme, iets waarop de vorst zomaar aanspraak kon op maken. Wel integendeel ! Het stond de onderdanen vrij dergelijke “bede” al of niet in te willigen. Bovendien konden zij zeer concrete voorwaarden verbinden aan zulke toelagen.
Ooit hadden de vorsten zomaar geld van hun onderdanen geëist. Zij heersten zogezegd bij de “genade van God”. Zolang de onderdanen bereid waren dit ook nog te geloven, rezen er weinig problemen. Na verloop van tijd echter legden de burgers zich niet langer neer bij dergelijke dogma’s. Zij beseften immers dat die enkel tot doel hadden de onrechtmatige aanspraken van de hertog te vrijwaren. In Brabant echter was die tijd vrij snel voorbij. Voortaan stelden de onderdanen voorwaarden. Meer nog ! Zij eisten concrete tegenprestaties. Wanneer de Brabantse steden financiële steun toezegden aan de vorst dan gebeurde dit meestal in groep. Brussel (evenmin trouwens als Leuven, Antwerpen, Lier of ’s Hertogenbosch…) trok gewoonlijk niet alleen naar de vorst. De steden pleegden onderling overleg. Samen stonden zij sterker tegenover de landsheer. Bij dergelijke onderhandelingen weken de onderlinge geschillen en rivaliteiten tussen de Brabantse steden – en die waren er ! – voor het algemeen belang.

DE VORSTELIJKE MACHT AAN BANDEN GELEGD
Op het einde van de dertiende en tijdens de veertiende eeuw waren de Brabantse hertogen regelmatig aangewezen op de financiële steun van hun onderdanen. Zij moesten dan ook terdege rekening houden met de wensen van de stedelijke burgerij. Telkens wanneer de landsheren bij hun onderdanen aanklopten voor geld of materiële steun, eisten de Brabanders concrete tegenprestaties. Op die manier raakte de macht van de vorst steeds verder ingeperkt. Tezelfdertijd werden de rechten der burgers nauwkeuriger omschreven.
De steden lieten die toezeggingen optekenen in akten: “scripta manent”. Dit gebeurde soms in afzonderlijke privileges per stad. De Brabanders bekwamen echter ook privileges die voor het hele land golden. Zo verschaften zowel het testament van Hendrik II (1248) als dat van Hendrik III (1261) een aantal algemeen geldende waarborgen inzake rechtszekerheid en vrijheid. Het volstond echter niet om rechten te hebben op papier, of liever op perkament. Er was ook toezicht nodig ! De steden zetten dan ook een stap verder. Zij wilden ook garanties dat de vorst het hem toegekende geld goed zou besteden. Dit vergde controle op het gebruik van de door hen verstrekte gelden. Zo werd de hertog onder meer verplicht om eerst de schulden af te betalen die hij had gemaakt bij buitenlandse geldschieters. Op die manier konden de Brabantse steden vermijden dat hun handelaars elders in Europa moesten opdraaien voor het financieel wanbeleid van hun vorst. Het gebeurde immers maar al te vaak dat kooplui uit Brussel, Leuven Antwerpen, Den Bosch… in Frankrijk, Engeland of Italië werden aangehouden en pas vrij kwamen wanneer zij de schulden van hun hertog hadden betaald. Om dergelijke garanties te verwerven van de hertog, traden de steden vaak in groep op. Soortgelijke onderhandelingen tussen vorst en onderdanen leidden regelmatig tot ernstige wrijvingen. Toch zochten beide partijen naar een vergelijk tussen hun uiteenlopende belangen. Op die manier werd de verhouding tussen vorst en onderdanen in de loop der jaren steeds duidelijker afgebakend. Na de testamenten van Hendrik II (1248) en Hendrik III (1261) volgden nog een aantal andere handvesten. Tussen 1290 en 1293 verleende Jan I een hele reeks privileges niet alleen aan de steden maar ook aan diverse abdijen en aan de edellieden van zijn hertogdom. Al die “standen in wording” begonnen stilaan een of andere vorm van inspraak te eisen in het bestuur van het land. In 1312 was hertog Jan II verplicht het vermaarde Charter van Kortenberg uit te vaardigen. Er kwam een commissie die zou nagaan of de financiële, rechterlijke en stedelijke voorrechten werden gerespecteerd. Om hun belangen te verdedigen sloten de Brabantse steden in 1313 andermaal een alliantie. In 1314 moest Jan III (1312-1355), na bemiddeling van zijn schoonvader, de Franse koning, de zgn. “Waalse charters” uitvaardigen Die verleenden een zeer grote macht aan de Brabantse steden. Zij regelden niet alleen de aanzuivering van de hertogelijke schulden, maar beheerden ook de vorstelijke schatkist. In feite kwam het politiek bewind in handen van de steden. Na de dood van Jan III volgde opnieuw een stedenbond (1355). Kort daarna dienden Johanna, dochter van Jan III en haar gemaal Wenceslas van Bohemen de “Blijde Inkomst” uit te vaardigen. De vorst moest hierin o.m. beloven het Brabantse grondgebied onverdeeld te bewaren. Bovendien mocht hij geen oorlog voeren of belastingen heffen zonder instemming van zijn onderdanen. De onderdanen kregen het recht zich te verzetten tegen een vorst die zich niet aan de afspraken hield. Uiteraard hing de naleving van die landsprivileges telkens weer af van de effectieve macht waarover de steden beschikten. De Blijde Inkomst bleef overigens slechts een beperkte tijd effectief rechtsgeldig. De hertogen poogden immers voortdurend om de concessies – die zij in noodsituaties hadden moeten doen – achteraf opnieuw ongedaan te maken. Toch bleef Brabant tijdens de middeleeuwen grotendeels gespaard van heftige botsingen tussen vorst en onderdanen. Er ontwikkelde zich een eigen staatkundige traditie en een eigen politieke cultuur gebaseerd op rationeel overleg. Reeds op het einde van de dertiende eeuw vindt men in Brabant sporen van een door dynastieke aanhankelijkheid gekleurd “nationaal gevoel”.
Net als Engeland – bakermat van de moderne democratie – beschikte Brabant al tijdens de middeleeuwen over een eigen geschreven constitutie. Vooral de veertiende en de vijftiende eeuw waren belangrijk voor de ontwikkeling van het Brabantse constitutionalisme.
Hoogtepunten vormen naast de reeds vermelde “Blijde Incomste” (1356), het “privilegie van den ruwaert” (4 mei 1421) en het “Nieuw Regiment” (12 mei 1422). In 1422 had Brabant een bestuursvorm verworven die gelijkenis begon te vertonen met een parlementair regime. Voorlopers van iets wat op “ministers” leek, moesten voor een aantal zaken verantwoording afleggen tegenover een “landsvertegenwoordiging”.
Meer nog ! Lang vóór de Franse Revolutie (1789) verwierven de Brabanders het recht een vorst af te zetten die zich niet aan de afspraken hield. De strijders voor de Amerikaanse onafhankelijk-heid (1776) inspireerden zich op de eeuwenoude Brabantse tradities

BOERGONDIERS EN HABSBURGERS BREKEN DE MACHT VAN BRABANT
Jammer genoeg werd deze evolutie afgebroken na de machtsovername van een buitenlandse dynastie. Toen in 1406 de autochtone huis van Leuven was uitgestorven, raakte Brabant stilaan opgenomen in het Boergondische Rijk. In tegenstelling tot de Brabantse hertogen beschikten de Bourgondiërs wél over een zeer uitgebreid eigen patrimonium. Die inkomsten maakten de Bourgondische hertogen veel minder afhankelijk van de financiële steun van hun onderdanen. Met andere woorden: de Brabantse steden beschikten niet meer over de machtspositie die zij bezaten tijdens de 14de eeuw. De vorst – bijgestaan door een aantal hoge edelen en een aantal technocraten – kreeg dan ook een steeds sterkere greep op zijn onderdanen. Dit proces zette zich nog sterker door onder het bewind van de Habsburgers die sedert 1482 over de Nederlanden regeerden. Onder de regering van keizer Karel V (1515-1555) werd Brussel niet alleen de “Princelijcke Hoofdstadt van’t Nederland” maar ook van een uitgestrekt rijk dat naast Spanje, Duitsland ook delen van Italië omvatte. Bij het begin van de zestiende eeuw drong de reformatie vanuit Duitsland (Luther) en Frankrijk (Calvijn) de Nederlanden binnen. Karel V en vooral zijn in Spanje opgevoede zoon, Filips II (1555-1598) traden hardhandig op tegen de nieuwe leer. De onverdraagzaamheid tegenover andersdenkenden verwekte evenwel grote wrevel. Die groeide nog toen de Spanjaarden zware belastingen hieven. Op de koop toe verdrongen Spaanse hovelingen de eigen adel uit de Nederlanden.
De algemene ontevredenheid leidde uiteindelijk tot een regelrechte opstand tegen Filips II. Daarbij beriepen niet alleen de Brabanders maar zelfs de Hollanders en de Vlamingen zich op … de Brabantse privileges. Op 23 september I577 deed Willem van Oranje-Nassau, “de vader des vaderlands”, zijn plechtige intrede te Brussel. In die stad, op de flank van de Coudenberg, verrees trouwens het monumentale paleis van zijn geslacht.
Op 26 juli 1581 zegden de Nederlanders hun eed van trouw aan de koning op. Zij verklaarden hem vervallen van de troon. De troon was “verlaten”. Vandaar de naam “plakkaet van verlatinghe”. De Spaanse vorst had immers zijn verbond met de onderdanen geschonden omdat hij hun vrijheden (en meer bepaald de gewetensvrijheid) niet respecteerde. De Spanjaarden werden verdreven.
De Spanjaarden stelden evenwel alles in het werk om de Nederlanden te heroveren. In 1585 capituleerden de twee grootste Brabantse steden Brussel en Antwerpen voor de Spaanse overmacht. De noordelijke provincies (Holland, Zeeland, Gelderland en Friesland) voor een deel beschermd door de grote rivieren, konden de Spanjaarden echter niet heroveren. Zij bleven dan ook onafhankelijk.
Een volledig arbitraire militaire bestandslijn werd – na het Vrede van Münster (1648) – de grens tussen de (protestantse) Noordelijke Nederlanden enerzijds en de (katholieke) Zuidelijke Nederlanden anderzijds. Brabant werd in twee stukken gerukt. Van toen af woonden de van inwoners van Turnhout in een ander land dan die van Breda … De onafhankelijk gebleven Noordelijke Nederlanden die zelf beslisten hoe zij hun geld zouden besteden, groeiden in de kortste keren uit tot een machtige staat: “de Verenigde Provincies”. Die bouwde in Azië een koloniaal imperium op. De bloei van de Noordelijke Nederlanden was in belangrijke mate het werk van aanhangers van de hervorming uit de Zuidelijke Nederlanden. Velen onder hen waren naar het Noorden gevlucht om daar hun talent als ondernemer of kunstenaar te ontplooien .De Spaanse Nederlanden kenden nog een bescheiden bloei onder de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1633). Die vorsten stelden alles in het werk om de laatste sporen van de Hervorming te doen verdwijnen. De Roomse en katholieke Contra-Reformatie triomfeerde. De Zuidelijke Nederlanden, die een groot deel van hun intellectuelen en handelaars en ondernemers hadden zien uitwijken naar het vrije Noorden, raakten meer en meer in verval. De gevolgen hiervan waren rampzalig, ook op taalkundig vlak. Na het wegvallen van Holland, Zeeland, Gelderland en Friesland bleven Brabant, Vlaanderen en Loon (Limburg) achter in een staat waarin Franssprekende gewesten zoals Namen, Henegouwen en een deel van Luxemburg een groter gewicht hadden gekregen dan toen de Nederlanden nog één waren.
Dit gebeurde uitgerekend in een periode waarin het Frans een grote uitstraling kende in heel Europa.
Onder de Spaanse Habsburgers (1482-1713) was het Frans de voertaal aan het hof (naast het Spaans) en ook in de centrale staatsinstellingen van de Zuidelijke Nederlanden. In de loop van de 17de eeuw werden die gewesten meermaals geteisterd door oorlogsgeweld. Frankrijk poogde immers de Zuidelijke Nederlanden te annexeren. In augustus 1695 liet de Franse koning Lodewijk XIV op een barbaarse manier de stad Brussel bombarderen. Grote delen van de “Princelycke Hoofdstadt van’t Nederlandt” werden in de as gelegd. Talloze kunstwerken gingen daarbij reddeloos verloren. Dit geldt onder meer voor de “Gerechtigheid van Trajanus en Herkenbald.” Die monumentale schilderijencyclus (1439-1450) van Rogier Vander Weyden was driemaal zo groot als het “Lam Gods” (1432) van Jan Van Eyck in Gent. Gelukkig kon het in 1695 gebombardeerde Brussel rekenen op de solidariteit van de andere Brabantse steden: Antwerpen en Leuven leveren de Brusselaars brood. Het geld vereist voor de heropbouw wordt voorgeschoten door Antwerpse financiers. Bovendien zorgen ambachtslieden uit Leuven, Antwerpen, Nijvel en zelfs Mechelen voor het plaveien der straten. Een mooi staaltje van Brabantse solidariteit ! Na 1695 verrees de Brusselse Grote Markt uit haar as. Vanaf 1713 regeerde de Oostenrijkse tak van de Habsburgse dynastie over de Zuidelijke Nederlanden. De beslissingen werden in Wenen getroffen en vervolgens meegedeeld aan de landvoogden en gevolmachtigde ministers. Net als onder de Spaanse Habsburgers bleef het Frans de voertaal van de centrale staatsinstellingen. Dichters en schrijvers deden hun beklag over het verval van de moedertaal. Meest bekend is de Brusselse advocaat Jan Baptist Verlooy. Die publiceerde in 1788 zijn “Verhandeling op d’onacht der Moederlijke Taal in de Nederlanden “. Daarin pleit deze aanhanger van de “Aufklärung” voor de geestelijke verheffing van het verpauperde en ongeletterde volk. Verlooy’s basisgedachte is: mensen kunnen pas ten volle participeren aan het bestuur van het land, kunnen zich pas ten volle inzetten voor de gemeenschap wanneer zij dat probleemloos in hun eigen taal kunnen doen. Met andere woorden: de herwaardering van de eigen taal, cultuur en nationale identiteit vormt de “conditio sine qua non” voor een democratisering van de samenleving. Verlooy, die zeer goed op de hoogte was van de verlichte denkbeelden van de 18de eeuwse filosofen baseerde zich tezelfdertijd ook op de eigen eeuwenoude Brabantse tradities. Tijdens de Brabantse Onwenteling zal J.B.C. Verlooy een der drijvende krachten worden van de progressieve democraten. Er bestaan sterke aanduidingen dat hij vrijmetselaar was.

BRABANT BLIJFT HET LICHTENDE VOORBEELD
Zowel de Bourgondiërs Filips de Goede (1430-1467) en Karel de Stoute (1467-1477) als na hen de Habsburgers, keizer Karel V (1515-1555) en Filips II (1555-1598) hebben de Brabantse vrijheden fel beknot. Toch bleef Brabant eeuwenlang het lichtende voorbeeld voor de andere regio’s in de Nederlanden. Dit bleek duidelijk toen de Nederlanders tijdens de zestiende eeuw in opstand kwamen tegen het despotisme van de Spaanse koning Filips II. Op dat moment beriepen immers niet alleen de Brabanders maar zelfs de Hollanders en de Vlamingen, zich op het vermaarde “privilegium Brabantinum”. Dit deed ook Willem van Nassau. Die prins van Oranje behoorde overigens tot de topadel van het hertogdom Brabant. De “Vader des Vaderlands” beriep zich dan ook zeer uitdrukkelijk op de “contracten des hertoochdoms van Brabant”. Die bepaalden immers dat een heerser slechts gehoorzaamd moest worden voor zover hij recht en wet respecteerde.Welnu: Filips II had dit niet gedaan. De Spaanse koning had zich niet aan de afspraken met zijn onderdanen gehouden. Wel integendeel ! Hij had hun rechten en vrijheden – meer bepaald de vrijheid van geweten – met de voeten getreden. Precies daarom achtten Oranje – en vele anderen – zich vanaf 1568 niet langer gebonden door hun eed van trouw aan de vorst. De prins van Nassau was enkel bereid zijn houding te herzien wanneer Filips II de inbreuken op de Blijde Inkomst hersteld zou hebben. In 1580 verantwoordde Oranje zijn houding andermaal in zijn vermaarde “Apologie”. Hij herinnerde er aan “dat wy ter causen van onse baroeneyen ende heerlickeden, een van de voornaemste leden zijn van Brabant”. Daarom ook beriep hij zich op de Brabantse privileges. In 1581 weigerden de Nederlanders nog langer gehoorzaam te zijn aan de Spaanse koning omdat die vorst hun vrijheden niet had gerespecteerd.
Uit het beroemde “Plakkaet van Verlatinghe” spreekt het zelfbewustzijn van de ontvoogde Nederlander. Die tekst sluit zeer nauw aan bij de grote landsprivileges die Brussel en de andere Brabantse steden, na gezamenlijk overleg, hadden afgedwongen tijdens de veertiende en vijftiende eeuw.
In de “Verlatinghe” staat letterlijk: “De onderzaten en zijn niet van Godt gheschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hij beveelt- weder het goddelick oft ongoddelick, recht oft onrecht is – onderdanich te wesen ende als slaven te dienen, maer den Prince om d’onderzaten wille – sonder dewelcke hij egeen Prince en is – om dezelver met rechte ende redene te regeren”.
Onderdanen moeten met andere woorden de overheid niet als slaven dienen. De vorst is er voor de onderdanen, aan hen ontleent hij immers zijn macht. Bovendien moeten de machthebbers de mensen besturen volgens de beginselen van het recht en de Rede.

BRABANTSE OMWENTELING
Niet alleen tijdens de 16de eeuw maar ook op het einde van de 18de eeuw eisten de Brabanders respect voor hun privileges. Vooral de Blijde Inkomst vormde een wapen in de strijd tegen het despotisme van de Oostenrijkse keizer Jozef II. Zowel de conservatieve “statisten” als de progressieve “democraten” beriepen zich toen op dit handvest. Tot die progressieve strekking behoorde de reeds vermelde J.B.C. Verlooy. Die Brabander – hij werd geboren in het Kempense Hulshout – was als advocaat verbonden aan de Raad van Brabant in Brussel. Het 18de eeuwse gebouw waarin deze rechtbank zetelde, bestaat nog steeds. Het doet vandaag dienst als Belgisch Federaal Parlement . Als geen andere kende Verlooy de Brabantse instellingen en de tradities. In 1781 had hij een “Codex Brabanticus” gepubliceerd. Reeds in dit werk maar vooral in zijn beroemde “Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788) herinnert Verlooy vol trots aan de grote cultuurhistorische betekenis van Brabant: “Maer eventwel daer is genoeg om te doen sien dat het Nederland of zelfs Braband alleen, meer goeds en nutte uytvonden aen de wereld heeft gegeven als alle d’andere hedendaegsche natiën samen”
Ook de Brusselaars bleven in die tijd nog steeds zeer sterk gehecht aan hun Brabantse identiteit en hun tradities. Dit blijkt uit verscheidene “memories” die tot vandaag berusten in de archieven van de Brusselse ambachten, naties en sermenten. Een typisch voorbeeld vormt het “Tractaet van vereeninghe ende opregtinge van’t Souvereyn Congres der Vereenigde Nederlandsche staeten” (1790). Die tekst herinnert er aan dat “de volckeren dewelcke tegenwoordich uytmaecken de Vereenigde Staeten der Nederlanden” na de dood van Maria Theresia (1780) haar zoon Jozef II hadden erkend als haar opvolger. Dit was evenwel gebeurd onder een aantal zeer uitdrukkelijke voorwaarden. Eén ervan was de handhaving van de grondwettelijke vrijheden zoals die vervat waren in de Blijde Inkomst. Ook Jozef II had – net als zijn voorgangers – onder ede beloofd dit verbond tussen vorst en onderdanen te eerbiedigen. De keizer-koster had die belofte evenwel flagrant geschonden.
De Brusselaars namen er vooral aanstoot aan dat Jozef II de persoonlijke vrijheid – die hen als Nederlanders zo nauw aan het hart lag – door al zijn hervormingen geschonden had “den personelyken vrydom, van de welcken de Nederlanders van alle tijden soo nijdieverig geweest sijn en waeren niet meer gedekt tegens de grondwethstrydige ondernemingen” Er is echter meer !
Op het einde van de achttiende eeuw herinneren de Brusselaars er meermaals aan dat de onderdanen zelf moeten beslissen wat er met het door hen zuur verdiende geld zal gebeuren. Nog in 1791 verklaarden de Brusselse brouwers dat één van de belangrijkste voorrechten van een vrij volk erin bestaat niet belast te kunnen worden zonder zijn instemming: “een van de besonderste voorrechten zynde van een vry volck met geen lasten hoegenaemt beswaert te connen worden sonder syne toestemminge”
Ook vandaag vormt dit beginsel een van de belangrijkste machtsmiddelen voor het afdwingen van rechten en voor het uitoefenen van politieke macht.

BESLUIT
1° Brussel heeft nooit de ambitie gekoesterd enkel op zichzelf te staan. Wel integendeel ! Eeuwenlang werkte de stad intens samen met haar Brabantse zustersteden: Leuven, Antwerpen, ’s Hertogenbosch… Bovendien leefde Brussel in harmonie met haar ommeland. De Zennestad zag zich als onderdeel van een ruimer Brabantse geheel. De Brusselaars waren er zich van bewust dat hun welvaart en welzijn afhing van de constructieve samenwerking met andere centra. Zonder die samenhang met Brabant had de stad overigens nooit de bloei gekend die de hare is geweest.
2° Brussel en Brabant hebben steeds de taal van het volk gerespecteerd. Tot aan de Franse Bezetting werd overal in Brabant het “Neder-Duytsch” gebruikt. In 1788 telde de stad Brussel 95 % nederlandstaligen. Enkel in “le roman pays de Brabant” bediende men zich van het Frans. Dit respect voor de landstaal heeft in niet geringe mate bijgedragen tot de onderlinge samenwerking tussen de verschillende steden in Brabant en daaruit voortvloeiende welvaart van dit gebied.
3° Samen met de andere Brabanders waren de Brusselaars er zich van bewust dat zij over het onvervreemdbaar recht beschikten om zelf te beslissen over het gebruik van de door hen verdiende gelden. Eeuwenlang hebben zij dit financiële wapen gebruikt om hun rechten te doen respecteren en hun machtspositie te verstevigen. Zij hebben er dus nooit aan gedacht aan de overheid geld te geven “uit solidariteit”. Wel integendeel ! Telkens werden daaraan concrete voorwaarden verbonden. Enkel horigen en lijfeigenen betalen en zwoegen zonder eisen te stellen. Welnu in Brabant werden de horigheid en de lijfeigenschap afgeschaft in 1247.

Uit: Het Poelaertplein (Vlaams Pleitgenootschap bij de balie te Brussel), 18de jaargang, nr. 2, november-december 2011, p. 10-18.

La Grande Brasserie de Koekelberg

Op 13 februari 2021 werd The Brewery ingehuldigd: 107 spiksplinternieuwe appartementen, geconcipieerd rond duurzaamheid en gemeenschapsvorming voor de bewoners. Het project bevindt zich aan de Vrijheidslaan te Koekelberg, op de plek waar de de KUB stond. The Brewery verwijst naar La Grande Brasserie de Koekelberg die er stond van het einde van de 19de eeuw tot de jaren ’70 van vorige eeuw, gekend voor zijn pils, Bock en Munich.

Het was de tijd toen architect Besme de koninklijke wijk rond de plateau van Koekelberg bedacht. In 1880 werd op het stuk grond dat nu begrensd wordt door Elisabethparkstraat, Dapperenstraat, Félix Vande Sandestraat en de Vrijheidslaan een taxibedrijf geïnstalleerd. Vier jaar later werden er stallen en een pakhuis opgetrokken. Op 27 mei 1886 werd er de ‘Duitse bierbrouwerij Koekelberg’ gesticht. Het eerste bier werd er gebrouwen op 15 januari 1887. De 17de mei van dat jaar worden drie bieren aan het publiek voorgestel: een Münich, het huisbier Petite Bavière en de Bock van Koekelberg. Dat laatste werd verkocht Hotel Continental op het Brouckèreplein te Brussel. tot groot voordeel van het establishment zal men dan zeggen.

Op 12 december 1887 veranderde de brouwerij van naam: Grande Brasserie de Koekelberg-lez-Bruxelles was geboren.

De brouwerij won gouden medailles op de wereldtentoonstellingen van Brussel (1888) en Parijs (1889). Vanaf 1892 werden werden de aandelen verhandeld op de Brusselse beurs. In 1895 wordt een eredoctoraat ontvangen in Amsterdam, nadien ook in Londen en Gent.

Op de Internationale Tentoonstelling in Brussel in 1888 en het jaar daarop op de Tentoonstelling van Parijs won de brouwerij telkens een gouden medaille. Daarna wordt het een eredoctoraat in Amsterdam in 1895, daarna in Londen en Gent in 1896.

Vanaf 1898 werd het merk München- Hahnenbräu gelanceerd. De brouwers uit München trokken naar de rechter om een schadevergoeding te eisen. De rechtbank oordeelde dat de naam zonder meer mocht gebruikt worden omdat de herkomst – Koekelberg – duidelijk vermeld was.

Meester-brouwer Max Edelmann stierf om 19 juli 1912. Het gemeentebestuur eerde hem door een straat naar hem te noemen. De Edelmannstraat liep langs de spoorweg. Edelmann was Duitser, na de eerste wereldoorlog werd de straatnaam veranderd in de Wapenstilstandstraat.

Tijdens de eerste wereldoorlog plunderde de Duitse bezetter de brouwerij. Het koper van de tanks werd gesmolten en verwerkt tot wapens en munitie. Na de oorlog werd de brouwerij gemoderniseerd en de productie ging de hoogte in.

In 1927 viert de brouwerij haar veertigste verjaardag met een open deur voor het publiek. Het personeel wordt uitgenodigd op een banket en ontvangt een souvenirmedaille en een biljet van 100 frank.

In 1933 wordt de brouwerij verbouwd. Bij de vijftigste verjaardag in 1936 wordt op 17 mei een carnavalsoptocht georganiseerd langs de Leopold II-laan en op het Simonisplein. Een week later is er feest in het Elisabethpark.

Na de tweede wereldoorlog volgt de tijd van fusies en overnames. In 1947 wordt de Brasserie Duvieusart de Nivelles overgenomen en op 1 februari 1954 fuseert la Grande Brasserie de Koekelberg met les Grandes Brasseries d’Ixelles. De nieuwe naam is Brasseries de Koekelberg et d’Ixelles oftewel Ixelberg.

In 1969 wordt het geheel opgeslorpt door SA Anciennes Brasseries Vandenheuvel & Cie – Brasserie Saint-Michel. Een jaar later wordt de Britsegroep Watney hoofdaandeelhouder van Vandenheuvel en stopt de productie in Koekelberg.

Het terrein en de gebouwen worden verkocht aan de vzw Universitaire Faculteiten Sint-Aloysisus (UFSAL) dat de bestemming verandert in een universiteitscampus. In 1991 veranderde UFSAL haar naam in KUB (Katholieke Universiteit Brussel) en in 2007 in HUB (Hogeschool-Universiteit Brussel). De activiteiten in Koekelberg werden stopgezet in 2013.

Tijdens de verbouwingswerken aan de Unescoschool vonden de leerlingen van het Atheneum Koekelberg onderdak in de oude Universiteitsgebouwen.

In 2018 opende campus Comenius de deuren langs de Félix Vande Sandestraat en vanaf nu is er ook een wooncomplex: The Brewery.

Bezette stad

Armand, Front Wanderer, arts en burgmeester

Armand Swartenbroeks ziet het levenslicht in Laken op 30 juni 1892. Zijn ouders verhuizen naar Koekelberg. In de Jetselaan 36 baten ze – samen met een oom – een kruidenierswinkel uit. Armand en zijn jongere broer Alexis steken tijdens de schoolvakanties een handje toe en worden op die manier twietoelige Brusseleirs. Tijdens het schooljaar zitten ze allebei op internaat te Namen. Na het middelbaar studeert Armand geneeskunde aan de ULB. Ondertussen voetbalt hij bij de universiteitsploeg.

foto: Wikipedia

In 1911 stapt hij over naar eersteklasser Daring Club de Bruxelles, toen – samen Union St. Gilles – dé voetbalploeg van het land. Daring Club de Bruxelles werd in 1895 door studenten opgericht in Koekelberg, in café Au Tivoli op het huidige Simonisplein. Hun voetbalplein is daar waar vandaag de basiliek staat. In 1900 fusioneert de ploeg met Brussels Football Club tot Daring Bruxelles. Hun nieuwe terrein is aan de Jetsesteenweg. Na nog een fusie met sporting Molenbeek en Skill FC komt de ploeg in eredivsie. Tijdens het seizoen 1911-1912 behaalt de ploeg, samen met Armand, de eerste landstitel.

De eerste wereldoorlog gooit flink wat roet in het eten. Armand wordt opgeroepen voor het leger en doet dienst als toegewijde arts-in-opleiding. Voetbal blijft zijn andere passie. Er ontstaat een legerploeg met internationals die onder de wapens zijn. De ploeg maakt furore tijdens internationale wedstrijden. Albert I zorgt ervoor dat ze echte voetbalschoenen krijgen. Met benefietwedstrijden zamelen ze geld in om het lot van zowel Belgische vluchtelingen als van de piotten aan het front te verlichten. De Front Wanderers zijn een begrip.

Armand Swartenbroeks : 2de links

Na het einde van de eerste wereldoorlog wordt Armand gedemobiliseerd. Hij verhuist naar de Leopold II-laan 285, waar later zijn dokterspraktijk zal komen.

Ondertussen gaat hij verder met voetballen. In augustus 1920 wordt hij in Antwerpen met de nationale ploeg Olympisch kampioen. Zo waren de rode duivels eerste wereldkampioen voetbal ooit.
Een jaar later wordt Daring landskampioen. In 1930 stopt hij met voetbal en concentreert zich op zijn artsenpraktijk, is hij controlearts en werkt hij in het militair hospitaal. Samen met zijn goede vriend – en ploegmaat Oscar Bossaert (patron van de Victoriafabrieken) – is hij actief in de Liberale Partij. In 1939 wordt hij schepen van ‘Instruction Publique’ te Koekelberg. In datzelfde jaar wordt opnieuw onder de wapens geroepen: Capitain médecin de réserve… Na de tiendaagse veldtocht volgt een korte periode als krijgsgevangene. Na zijn vrijlating belandt hij in het verzet.

In 1956 overlijdt zijn vriend Oscar Bossaert. Armand volgt hem op als burgemeester tot in 1970. Hij stierf op 3 oktober 1980.

Marc Hendrickx en Dirk Dobbeleers sloegen de handen in elkaar om het levensverhaal van Armand in een theaterstuk en een boek te gieten. Kevin Le Forain brengt de première oktober in Koekelberg (als COVID19 dat toelaat). Uiteraard in beide landstalen.

Discover Brussels maakt van jou graag een Koekelberg Wanderer en neemt je mee langs interessante plekjes in de gemeente waar iedereen zich thuis voelt. Info: discover.brussels@outlook.com

Dokter Jourdan in Koekelberg

Dokter Jean-Bapitiste Jourdan liet na zijn dood, bij testament, belangrijke sommen geld aan enkele Brusselse gemeenten, waaronder Sint-Gillis, Etterbeek en uiteraard Koekelberg.
Dit legaat diende om scholen rusthuizen op te richten en armen op te vangen.

Tijdens zijn leven engageerde dokter Jean-Baptiste Jourdan reest als humanist: hij was niet alleen arts, hij bouwde een opvangtehuis voor armen, waarin de mensen niet alleen overnachtten, maar eveneens zelfstandig konden leven in afzonderlijke ruimtes, huishoudelijke taken deelden, een moestuin onderhouden en op die manier structuur in hun leven konden brengen. 

Uit respect voor die humanistische waarden en omdat men – zeker vandaag – lessen moet trekken uit de geschiedenis, wil Koekelberg de naam Jourdan en noemt ze het nieuwe woonzorgcentrum Jourdan Village.

Zeker in tijden waarin meer en meer krachten de kop op steken om de sociale zekerheid af te bouwen, armen meer en meer de schuld te geven voor hun armoede en humanistische waarden over boord te gooien, is dat van groot belang.

Stolpersteine, herinneringen aan de tweede wereldoorlog

10 mei 1940, Nazi-Duitsland viel België binnen. Na 18 dagen gaf Leopold III de strijd op.

Brussel lag niet op de frontlijn, maar had – net als de rest van het land – te lijden onder de gevolgen van economische plunderingen, rantsoeneringen, voedselbeperkingen, verplichte tewerkstelling en Jodenvervolging. Ondanks de loyaliteitsverklaringen, kozen extreemrechtse partijen en bewegingen (VNV, REX,…) het kamp van de Nazi-bezetter. Tegelijk werd de hoofdstad het hoofdkwartier van de “Militärverwaltung in Belgien und Nordfrankreich”, o.l.v. generaal von Falkenhausen.

De liberale burgemeester, Joseph Vandemeulebroeck, werd vervangen door Jules Coelst. In 1942 fuseerde de bezetter de verschillende gemeenten tot Groot-Brussel, o.l.v. de collaborateur Jean Grauls. Op die manier kon efficiënt worden bestuurd.

In september 1942 vond een razzia plaats in de buurt van de Huidevettersstraat: honderden buitenlandse Joden werden opgepakt en via de Mechelse Dossinkazerne naar Auschwitz gedeporteerd. Het jaar nadien waren Belgische Joden aan de beurt.

Trouw aan hun reputatie organiseerden Brusselaars het verzet. In Schaarbeek werd het “Onafhankelijkheidsfront” opgericht, studenten verenigden zich in de “Groep G”, etc. La Libre Belgique werd illegaal gedrukt en in het geheim verspreid. Op 9 november 1943 lag een vals editie van Le Soir in de kiosken. Nazi’s en collaborateurs reageerden woest en repressief.

Brussel werd bevrijd op de avond van 3 september 1944. Het was nog wachten tot 8 mei 1945 tot de tweede wereldoorlog volledig voorbij was.

Discover Brussels neemt je mee langs sporen van de tweede wereldoorlog in buurt van de razzia’s van 1942 en 1943. De Stolpersteine herinneren ons aan de plaatsen waar mensen door de Nazi’s werden opgepakt en wat er met hen is gebeurd. Achter gevels zitten verhalen verborgen van verzet, solidariteit of collaboratie….

De buik van Brussel

In “De buik van Brussels” schrijft Lucas Catherine over de vergeten historie van de haven in hartje Brussel. Een wijk vol handel en feestgedruis, maar ook het theater van grote drama’s, bezongen in Brusselse liekens. 
In de jaren 1950 sprak men over de markt van Sint-Katelijne en over de Vismet als de Buik van Brussel. Die Buik ontstond na het dempen van de oude havendokken. Een haven in hartje Brussel? Jazeker. Deze vergeten historie begint bij keizer Karel en de aanleg van het kanaal Brussel-Willebroek. Maar het boek gaat ook over de staminees rond de haven, de dokwerkers, de handelaars en de hoeren. Het verhaalt over de eerste karakollen, de mosselen, de paling, de boestering, het gevogelte, de koffie, de cacao en de banaan. Centraal staan ook de restaurants en de boîtes waarin Brussel zijn roaring twenties beleefde. C’était au temps où Bruxelles bruxellait, zong Brel daar al over. Maar Lucas Catherine besteedt niet alleen aandacht aan het feestgedruis. In de wijk speelden zich ook grote drama’s af, bezongen in Brusselse liekens: de verschrikkelijke moord op Jeanneke van Calck, de prachtige liefdeshistorie van de Peerlemoergang, of het trieste einde van twee brouwersknechten die zich in de Bummelstraat na een uit de hand gelopen weddingschap dood zopen.  
Knack.be publiceerde in februari 2019 een fragment. U leest het hieronder. 

‘In 1874 openden langs de Zenne de Centrale Hallen. Het was een prachtig gebouw in gietijzer en glas en bestond uit twee langwerpige paviljoenen van elk zeventig meter. Het diende voor de groothandel en gaf een geweldige boost aan de groentemarkt op het Sint-Katelijneplein. Dit plein was ontstaan toen het dok daar in 1853 werd gedempt.

De slagerwinkels waar het verse vlees en de vleeswaren verleidelijk liggen uitgestald… De staminees die uitpuilen van het volk omdat het bier er zo goed is… Deze levendige buurt kan je bijna de buik van Brussel noemen.

Op het noordelijke deel werd de Sint-Katelijnekerk gebouwd en op het zuidelijke deel de groentemarkt. Voor die groentemarkt is nog gevochten. Te volks volgens het stadsbestuur, en in oktober 1897 kwam het tot hevige rellen tussen de politie en de fruit- en groenteverkoopsters. Het nieuwe stadsreglement wou dat zij hun kramen samen met de Hallen zouden sluiten, om klokslag twaalf uur ‘s middags. Dat was buiten de groentewijven gerekend. Zij haalden hun slag thuis.

Het laatste dok dat gedempt werd, was het Koopliedendok. Een eerste stuk, langs de kant van de Sint-Katelijnekerk, werd gedempt nadat de eerste plannen voor een nieuwe haven buiten de wallen opdoken. Op dat stuk verscheen in 1882 de Vismet. Samen met de Sint-Katelijnemarkt betekende dit een nieuw leven voor de wijk. Nu arriveerden alle soorten producten, bijvoorbeeld uit het Pajottenland, vanwaar de boeren met hun karren afkwamen om hun waren te verkopen.

Zo verkocht mijn overgrootmoeder vóór de Groote Oorlog melk en eieren op Sint-Katelijne. Ze kwam met haar stootkar vanuit een dorp drie uur gaans, en dat was heuvel op, heuvel af. Daarom liet ze zich helpen door een trekhond, een Duitse scheper. Tijdens de oorlog sloegen de Duitsers om ik weet niet welke reden de hond aan. Na de oorlog eiste mijn overgrootmoeder een schadevergoeding, want zonder trekhond kon ze niet naar de markt en was ze een inkomen kwijt. Ze kreeg 110 frank compensatie, maar haar ‘marktcarrière’zat erop.

Van delicatessen tot basisvoedsel

Er kwamen ook producten van veel verder, zelfs uit het buitenland. Zo kregen de Vismet en het Sint-Katelijneplein vanaf de jaren 1950 de bijnaam ‘de Buik van Brussel’. Zoals journalist Fernand Brunfaut in 1950 in het tijdschrift Germinal schreef: ‘… de slagerwinkels waar het verse vlees en de vleeswaren verleidelijk liggen uitgestald… de staminees die uitpuilen van het volk omdat het bier er zo goed is… deze levendige buurt kan je bijna de buik van Brussel noemen.’

Dat de buurt bruiste van het leven blijkt ook uit de beschrijving van de lokale braderie in 1928 door Cypriaan Verhavert, journalist bij Het Laatste Nieuws:

’Van alle wijkfeesten die in onze Goedige Stede worden gehouden, heeft ditmaal de wijk van de Sinte-Katharinamarkt en den Vlaamschen Steenweg de pompom weggehaald! De herbergiers in hun estaminets, de specerijenverkoopers te hunnent, de beenhouwers, de koekjesbakkers, de vischverkoopers, de marchands van Gerrenoot, de oranjeappelkens- en citroenenwijven, de fruitverkoopers, binnen of buiten met hun étalages, in vitrienen of op karretjes, of met bloemen en groen gepaleerde tafels en allen gekostumeerd. (…)

Onze Maïeur Max [burgemeester Adolf Max, n.v.d.a.] heeft er gekust de appetitelijkste maagdekens en mokskens van de Sinte-Katharinamarkt en van den Vlaamschen Steenweg; gekust zoals een brave en degelijke Burgervader en jonkman zou doen die de eer van zijn Goedige Stede en van zijn geslacht heeft hoog te houden!’

Je kon er alles vinden. Luxeproducten als bananen, champignons, het eerste witloof. Die groente werd voor het eerst gekweekt in de jaren 1830 door Frans Breziers in Schaarbeek. Ze dook voor het eerst op de markt op in 1846. Er waren ook aardappelensoorten te koop die je vandaag nog zelden vindt: polderpatatten in het seizoen, Haspengouwse Cornes de Gatte waar Pierre Wynants, de peetvader van de huidige Belgische keuken, zo zot van is, of ook nog livèche (lavas), dat Wynants als kruid mee in zijn Salade Liègoise verwerkt.

Er was voor elk wat wils: op de hoek van de Vismet en het Zaterdagplein was tot in de jaren 1990 op nummer 1 een kleine kaviaarwinkel gevestigd, een herinnering aan de années folles en de golden sixties. Er waren ook koffiebranderijen. De laatste, Branderij De Boe, verdween pas in het jaar 2000 uit de Vlaamsesteenweg. (…)

Kiekenfretters

In de Melsensstraat, die uitgeeft op het Sint-Katelijneplein, had je na de Tweede Wereldoorlog nog de Halles Centrales et Halles Modernes Réunie. Een indrukwekkende naam voor een niet zo groot gebouw, een nawee van het verdwijnen in 1890 van de grote Centrale Hallen, die toen plaats moesten maken voor Le Pôle Nord en Le Palais d’Eté.

Alle ingrediënten voor de klassieke Brusselse viskeuken waren te vinden: stokvis, boestering, lammeke zoet en andere haring, met in het seizoen maatjes, karakollen en de schèregosj

In die Halles Centrales et Halles Modernes Réunie waren tot 2005 een champignonwinkel gevestigd en – Brusselaars heten niet voor niets ‘Kiekefretters’- de bekendste handelaars in wild en gevogelte van heel Brussel: Matthys & Van Gaever. De champignonwinkel overleeft nog in de Sint-Katelijnestraat, de wildhandel is ondertussen failliet. De winkel gaf jaarlijks een wildkalender uit, eigenlijk een grote tabel met voor Vlaanderen, Brussel en Wallonië telkens de data wanneer het jachtseizoen open was en daarnaast de data wanneer wild in de drie regio’s mocht verkocht worden. Niet één datum was hetzelfde voor de drie gewesten. Je kon er dus ook uit leren hoe ingewikkeld onze staatshervorming is.

De poeliers verkochten vooral Mechelse koekoek. Die werd vetgemest in Merchtem, iets buiten Brussel, en kwam via de Steenweg op Merchtem en de Vlaamse Poort in de Buik van Brussel terecht. Maar behalve echt wild, konijn of Mechelse koekoek kon je in de Buik van Brussel ook merels, lijsters en spreeuwen kopen voor consumptie! Dat was voor het gewone volk. Net als jonge duifjes. Duivenmelkers keken bij de jongen na of ze sterke vleugels hadden, was dat niet het geval dan gingen ze naar de poelier en wat waren ze lekker, bereid met jonge erwtjes, zonder peul! Naast poeliers en gewone slagers had je ook triperies. Tot vijftien jaar geleden was er nog een in de Vlaamsesteenweg.

De Vismet

En dan was er de beruchte Vismet met haar viswijven en vooral vis. Aan het gedempte Koopliedendok werden de firma’s in bouwmaterialen vervangen door vishandelaars die zich zo kort mogelijk bij de Vismet wilden vestigen, maar ook door visrestaurants. Een van de eerste was Au Poisson, gevolgd door La Marée (nu restaurant Grimbergen) en Au Port (later Aux Vieux Port, nu Moussaillon).

Alle ingrediënten voor de klassieke Brusselse viskeuken waren er sinds vanouds te vinden: stokvis (gedroogde schol, pladijs), boestering, lammeke zoet en andere haring, met in het seizoen maatjes, karakollen en de schèregosj. Mosselen kwamen uit Zeeland, en paling uit de Zuiderzee (nu het IJsselmeer). Maar er was ook paling uit de beken van het Pajottenland. Haring en mosselen werden er ook opgelegd voor verkoop in heel het land. De stokvis werd in de Zeehondstraat gemaakt en dat kon je tot ver in het rond rieken.

Er was ook gezouten en gedroogde wijting. Daarvoor moest de vis eerst gezouten worden en dat ging zo: men nam een heel grote ijzeren waterbekken, legde daar de vissen in samen met een dikke aardappel. Dan goot men zout in het water tot de aardappel kwam bovendrijven. Dat was het teken dat het water zout genoeg was. Later werd die wijting dan te drogen gehangen tot hij klaar was om in cafés verkocht te worden, in repen met vel en graten eraan.

Cypriaan Verhavert bracht in Het Laatste Nieuws uitgebreid verslag uit over de viering van vijftig jaar Vismet op 29 oktober 1933. Hieronder een stuk uit zijn verhaal:

(…) Op een namiddag trokken wij naar de Vischmarkt op zoek naar de oudste verkoopster. (…) wij kwamen aan de ‘bank’van het gezochte wijveken. Het zat ietwat verdoken achter haar breede, schuine uitstaltafel.’Ha, daar zit Bomma’, riep onze begeleidster en madammeke Vleminckx kwam tevoorschijn. (…)

Bomma dacht aan de gebeurtenissen van een halve eeuw en meer geleden. ‘In daanen bleeken-blauven patatentijd was’t leven toch uuk plezant’, zei ze.’Weile woere joenk, en da was al iet gezeid. Naa es de wereld gielegans oemgekeet, moe dat est toch gin rede om van verdriet in den grond te kroeipe…’

Haar ouderdom? Juist 74 voorbij, en de helft daarvan gewoond in een zijstraat van den Vlaamschensteenweg. Van kindsbeen af moest zij hard werken. ‘Dat is gezond’, zegt Bomma. Hoe die menschen het aldaar zoolang uithouden, zonder opgevreten te worden van de rheumatiek, is een raadsel. Van ‘s morgens tot’s avonds zitten zij onder een open afdak, met de handen en voeten in ‘t water.’s Winters is het er nijpend koud en het tocht er om omver te vliegen.’

’En de beenen, hoe zit het daar mee?’, vroegen wij haar. ‘Kom moe ne ki noe de kermis. Ga goet ons zien flikkeren.’

Tot daar Het Laatste Nieuws over de Vismet.’

Uit: De Buik van Brussel, Lucas Catherine, EPO, 2019, 19,99 euro )

Brussel Anders Bekeken

BrusselNoord_Zuid

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑