Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

De Marollen. Een eeuwenoud misverstand.

Marollen.jpgVan alle volkswijken in België is de Marollen in Brussel ongetwijfeld de bekendste en de meest tot de verbeelding sprekende. Het kleurrijke stadsdeel is gevestigd tussen het Zuidstation en het Justitiepaleis. Straten als de Blaesstraat, de Hoogstraat en de Huidevettersstraat klinken als muziek in de oren van menig Brusselliefhebber. En dan laten we het Vossenplein/Place Jeu de balle nog buiten beschouwing, ook wel bekend onder de benamingen ‘Loeizemet’, ‘Marché aux puces’ en ‘Den â met’. Over de naam van de wijk kraaide een eeuwigheid geen haan. ‘Marollen’, zo werd voetstoots aangenomen, was een afleiding van ‘Maricolen’, een lekengemeenschap van vrouwen die eind 17deeeuw neerstreek in wat toen Bovendael heette en nu de Montserratstraat. Tot de Brusselse stadsgids Luc Surdiacourt aan de oorsprong van de naam begon te twijfelen toen hij een zoveelste gidswandeling door de Marollenwijk voorbereidde. Hij verrichtte daarop jaren archiefonderzoek dat uiteindelijk tot een boek leidde waarin hij ‘een eeuwenoud misverstand’ opheldert. Merkwaardig genoeg is het pas het eerste Nederlandstalige boek over de bekendste volkswijk van België.

Maricolen en Apostolinnen

De lekengemeenschap Maricolen had als oorspronkelijke naam ‘de zusters Apostolinnen’, die als motto ‘Mariam Colentes’ hanteerden, wat zoveel betekent als ‘zij die de Maagd vereren’. Verbasterd klinkt die naam als ‘maricolen’. Dat was tenminste de gangbare theorie. Om die te staven ging Luc Surdiacourt op zoek naar nog actieve Apostolinnen. Hij vond ze in Berchem-Antwerpen, waar hij tussen oude documenten het stichtingsboek van de lekengemeenschap vond, gepubliceerd in 1695. Daarin ontdekte hij dat de Apostolinnen wel degelijk ooit Brussel als verblijfplaats hadden. Alleen was dat niet in de huidige Marollen, maar elders in de Vijfhoek (= het oude stadscentrum van Brussel, omgeven door de Kleine Ring, nvdr), en ook hadden ze niets met de Maricolen te maken. Vanzelfsprekend vroeg Surdiacourt zich toen af waar de naam ‘Marollen’ dan wél vandaan kwam, en besefte hij dat verder etymologisch en kritisch bronnenonderzoek was geboden. Zeven jaar zoekwerk in 22 archieven verschafte finaal het antwoord op al zijn vragen.

Een van de eerste ontdekkingen die Surdiacourt deed, was dat de Maricolen en de Apostolinnen verschillende lekengemeenschappen waren. De verwarring tussen beide moet zijn ontstaan omdat ze allebei devote vrouwen in hun rangen hadden (en dus géén kloosterzusters of begijnen!). De Apostolinnen hadden een stek in Brussel, de Maricolen niet. De laatsten hadden wel verblijfplaatsen in Dendermonde, waar de orde gesticht is in 1663, en verder in Brugge, Gent, Antwerpen, Leuven, Mechelen en Deinze.

Zusters op de vlucht

Hoe de Apostolinnen in Brussel terechtkwamen?

Op uitdrukkelijke vraag van de toenmalige magistraat van de stad, zo staat te lezen in het stichtingsboek van de orde. Deze vroeg hen in 1691 om de Heilige Cruyscapelle – een ‘verbeterinstelling’ – te komen leiden, die al sinds het midden van de 17deeeuw bestond aan de Vismarkt en die plaats bood aan onder meer berouwvolle ex-prostituees. Dat ‘leiden’ bleek in de praktijk echter lelijk tegen te vallen. Al snel boterde het niet tussen de bewoonsters van de ‘capelle’ en de zusters. Het kwam zelfs zover dat de gewezen prostituees de zusters in een kamer opsloten en ermee dreigden hen te doden als ze niet snel zouden vertrekken. De zusters kozen eieren voor hun geld en namen de benen, of liever de boot naar Antwerpen. In die tijd was de Vismarkt immers nog een dok vanwaar men kon inschepen naar het noorden. Vanaf 1715 vestigden de zusters zich opnieuw in Brussel, ditmaal aan de Hooikaai, achter de huidige Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS). Behoorlijk ver van de Marollen dus, waardoor het etymologische spoor naar de herkomst en de benaming van de Marollen doodliep.

De Marolle/De Marollen

De Marollen, in het Frans ‘les Marolles’, is in het meervoud een relatief recente term. Oude Brusselaars verwijzen ermee naar een verzameling van diverse wijken: la Marolle, les Capucines, la Samaritaine, les Brigitinnes, la Querelle…

Het is vooral bij hevige protestacties vanaf 1969 dat er naast ‘de Marolle’ en ‘la Marolle’ meer en meer over ‘de Marollen’ en ‘les Marolles’ gesproken werd. Het toenmalige actiecomité tegen de Brusselse bouwplannen kreeg immers de naam ‘Comité Général d’Action des Marolles’. Drie ‘eilanden’ rond de Montserrratstraat, die het hart van de Marolle vormden, werden bedreigd door afbraak, omdat toenmalig justitieminister Alfons Vranckx het Justitiepaleis wilde uitbreiden. Het comité slaagde er echter in om deze speculatieplannen tegen te gaan.

Waar het bij de Marollen over 52 hectaren gaat, is de Marolle beperkt tot 5 hectaren, meteen de kleinste van de wijken, die uit vijf straten bestond, waarvan de belangrijkste de Montserratstraat was, ofwel ‘op de Marolle’. Qua ligging is dat vanaf de achterkant van het Justitiepaleis tot aan de Kleine Ring, waar zich de Hallepoort bevindt.

Bovendael

De Marolle was gelegen in een zone die voorheen Bovendael heette, waarvan de oudste vermelding van 1310 dateert. Bovendael bestond voor het merendeel uit verwaarloosde huizen waar vaak zelfs de meest elementaire voorzieningen niet aanwezig waren. Tot de bewoners behoorden onder meer prostituees en Spaanse soldaten (tijdens het Spaans Bewind in de Zuidelijke Nederlanden van 1598 tot 1713). Om te vermijden dat het prostitutienetwerk in de buurt zich zou uitbreiden naar andere stadsdelen, liet het stadsbestuur oogluikend toe dat de meisjes van plezier er hun boterham verdienden. De kerk trad strenger op en sprak geregeld straffen uit zoals een bedevaart naar Scherpenheuvel of Halle.

Op een kaart van Laboureur en Vander Baeren uit 1695 botste Luc Surdiacourt op een door historici en auteurs vergeten straat, de ‘Marolle straet’, gelegen aan de achterkant van het Justitiepaleis. Uit belastinggegevens van 1702 in de archieven van de Staten van Brabant maakte hij op dat in deze straat zeer arme mensen woonden die in ‘huijskens agter de Baracken’ leefden en hun ‘broodt om Godts wille’ haalden, wat zoveel wil zeggen dat ze op geluk moesten rekenen om in leven te blijven. De ‘Baracken’ waren inderhaast opgetrokken kazernes voor het Spaanse leger, dat de verdediging van de stad op zich moest nemen toen het leger van Lodewijk XIV, die expansieplannen had, al plunderend richting Brussel trok. Zover kwam het echter niet, want de Fransen trokken zich uiteindelijk terug achter de lijn gevormd door Maas, Samber en Schelde.

Verrassingen

Of daarmee de kous van dit boek af is? Integendeel, zo blijkt. Luc Surdiacourt houdt nog een aantal verrassingen voor zijn lezers achter de hand. Het zou echter te ver voeren om deze alle uit de doeken te doen. Het volstaat te zeggen dat De Marollen. Een eeuwenoud misverstand een boek is dat niet mag ontbreken in de boekenkast van elke oprechte Brusselliefhebber.

Luc Surdiacourt, De Marollen. Een eeuwenoud misverstand”, Davidsfonds, Leuven, 2018, 192 p., € 22,50.

De paters van Maroilles

Uit het voorgaande hebben we geleerd dat de Marollen in se een hoerenbuurt was. We weten nu ook dat er zich ooit een Marollestraat bevond. Maar daarmee is de oorsprong van de naam nog altijd niet verklaard. Luc Surdiacourt zocht dan ook verder. Professor Luk Draye van de KU Leuven hielp hem een handje door te verwijzen naar het gezaghebbende Französisches Etymologisches Wörterbuch. Daarin vond Surdiacourt bij het lemma ‘pucelle de Marolle’: ‘jeune fille qui n’est plus vièrge’. Het woordenboek steunde voor die verklaring op drie bronnen, waarvan de voornaamste te vinden is in het postuum verschenen werk Contes ou nouvelles récréations et joyeux devis de Bonaventure des Périers, valet de chambre de la Reine de Navarre (1558) van de Franse schrijver Bonaventure des Périers (1501-1544). Dat boek bevat een pikante novelle over drie zusters en hun eerste huwelijksnacht. Een zin eruit luidt als volgt: ‘Les lits se font, les trois pucelles [= maagden, nvdr]) se couchent et les maris après (…).’ Vanaf de derde druk van het boek wordt ‘pucelles’ uitgebreid tot ‘pucelles de Marolles’, met een voetnoot erbij ‘over de twijfelachtige reputatie die het Noord-Franse plaatsje Maroilles te danken had aan zijn losbandige paters’ (De Marollen, p. 141). Volgens de overlevering gedroegen de paters van de lokale benedictijnenabdij zich niet al te kuis met de meisjes van het dorp, wat dezen een slechte naam bezorgde. Betekent ‘pucelle’ maagd, ‘pucelle de Marolle’ drukt het het tegenovergestelde uit: ‘een vrouw die geen maagd meer is of bij uitbreiding vrouw van lichte zeden, hoer. (…) De etymologische oorsprong van de naam van de Marollen is dus gelegen in het karakter van de wijk als hoerenbuurt.’ (p. 142)

Bron: Patrick Auwelaert in Doorbraak.be, 26 mei 2018

Advertenties

L’Entr’Aide des travailleuses

aideSinds 1931 is l’Entr’Aide des Travailleuses gevestigd op de nummers 167-169 van de Huidevettersstraat.

Vandaag heet het centrum L’Entr’Aide des Marolles. Het centrum biedt hulp op medisch, sociaal en psychologisch vlak. O.N.E. organiseert er consultaties voor zuigelingen en voorts zijn er schrijf- en leeslessen en verschillende andere activiteiten.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde de directrice, Barones Van der Elst (Marie-Thérèse Robyns de Schneidauer), een grote rol bij het redden van talrijke joodse kinderen. Dankzij haar relaties kon zij Joodse ouders overtuigen om de kinderen te plaatsen in onthaalgezinnen of in internaten. In de herfst van 1941 ontving zij er koningin Elisabeth. Zij verstopte o.m. de twee dochterjes van Groot Rabijn Salomon Ullma – voorzitter van VJB – bij haar thuis, een paar dagen na de eerste grote razzia van 3 september 1942. Hij was bang voor represailles omdat hij het voorzitterschap van de Vereniging van Joden in België (VJB) had opgezegd.

Het ‚Kliniekske‘, zoals de inwoners van de Marollen het noemden, kwam de oorlog door zonder dat de bezetter argwaan kreeg van de échte rol die er gespeeld werd als beschermer van de opgejaagde families. De toeloop van honderden kinderen voor medische hulp was de perfecte dekmantel om de reddingsoperaties te verdoezelen.

Haar echtgenote, Baron Van der Elst, was eveneens actief binnen het verzet.  Meer bepaald bij ‚Socrate‘, een groep die hulp bood hen die zich verzetten tegen Verplichte Arbeid.

Bron: Stichting Auschwitz

Landelijke Anti-Joodse Centrale voor Vlaanderen en Wallonië

landelijkBelhicem, de internationale organisatie voor de coördinatie van de vluchtelingen van het Hicem, werd in 1939 opgericht aan Philippe de Champagnestraat 52. Het herbergde een aantal Joodse instellingen – liefdadigheidsinstellingen – zoals de JCA (Jewish Colonization Association), en de HIAS (Hebrew Sheltering and Immigrant Aid Society), die bijstand boden aan ballingen die de nazi’s ontvluchtten. Ze bieden o.m. hulp bij huisvesting, taallessen of leningen om uit Europa te vertrekken. In 1940 wordt het gebouw, dat eigendom is van Joden, opgeëist door de bezetter.

Op vraag van Sipo-SD (Gestapo) werd Pierre Beeckmans aangeduid om het de Landelijke Anti-Joodse Centrale voor Vlaanderen en Wallonië er te installeren en te leiden.

Beeckmans werd geboren te Gooik in 1894. Hij werkte in Antwerpen in het domein van de publiciteit in de jaren twintig. In 1937 beheert hij edities van de anti-Joodse organisatie Volksverwering. Hij wordt lid van de Algemeene SS-Vlaanderen. Hij maakt gebruik van de archieven van Belhicem om de lokale Joodse organisaties te observeren. De voornaamste taak is om de lijsten en de fiches van de Joden op te maken aan de hand van de registratielijsten die werden opgesteld door de lokale overheden en de Vereniging van Joden in België.

Het zijn die fiches die door de Sipo-SD zullen gebruikt worden om de identiteit van de gearresteerden te controleren die gedeporteerd worden naar Auschwitz via de Kazerne Dossin.

Bron: Stichting Auschwitz

Huis van de Tramwaymen

tramwayIn de Priemstraat 18 te Brussel vinden we Espace Magh, een cultureel centrum van Franse Gemeenschap dat er sinds 2009 gehuisvest is.

Aan het begin van de twintigste eeuw was het gebouw eigendom van een handelaar in huiden en leder. In 1926 trekt de Unie der Tramweymen erin, met steun van een lening van de Sovjet-vakbonden.

Allerlei linkse verenigingen vestigen zich in het gebouw.

Er is een grote vergaderzaal en een cafe, waar veel vluchtelingen vertoeven, die gevlucht zijn voor de nazi’s in de jaren dertig.

Op 22 mei 1939, voert de Brusselse politie er er een identiteitscontrole uit, op vraag van de Nationale Veiligheid. 106 mensen worden gecontroleerd, waarvan 24, “illegalen”, opgepakt werden.

Tijdens de tweede wereldoorlog zet de Unie zet haar activteiten clandestien voort.

Bij de bevrijding organiseert het Comité voor de Syndikale Strijd hier een nationale bijeenkomst. Tevens worden er de anti-Franco manifestaties georgansieerd en worden er Jiddische toneelstukken opgevoerd.

Het Huis van de Tramwaymen heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de buurt en de stad. De tenoren van de linkse vakbonden, de vrienden van de Spaanse Republikeinen en de joodse vluchtelingen ontmoetten mekaar hier regelmatig onder de vlaggen van solidariteit, betrokkenheid en weerstand.

Bron: Stichting Auschwitz

De Vereniging van Joden in België

vjbHet nummer 56 in de Brusselse Zuidlaan is vandaag een woonhuis als alle andere. De bewoners weten wellicht niet dat daar tijdens de tweede wereldoorlog de Vereniging van Joden in België gevestigd was.

De VJB werd aan de Handelskaai“Opgericht onder het bevel van de bezettende autoriteiten van 25 november 1941″. De Militärverwaltung en de Sipo-SD (Gestapo) benoemden de opperrabbijn van België, Solomon Ullmann, als voorzitter van de vereniging. Na de razzia’s in de herfst van1942 trad hij af en werd Marcel Blum – voorzitter van het Israëlisch Consistorie van Brussel – voorzitter.

De bezetter dwong de Joden om zich aan te sluiten bij de VJB, die o.m. instond voor de verdeling van de gele sterren. De verdeling van de verplichte gele ster verliep niet altijd zonder slag of stoot. Opstootjes en relletjes zorgden ervoor dat de VJB verhuisde naar de Zuidlaan 56.

Vanop die plaats werden vanaf de zomer van 1942 de “werkorders” verzonden naar de mensen die geselecteerd werden om zich aan te bieden in het Samellager Mecheln, de Dossinkazerne. Families konden pakketten afgeven voor hen aan de Zuidlaan 43.

Ondanks al de gedane moeite om de bevolking gerust te stellen, werd al snel duidelijk dat “aan het werk gezet” gepaard ging met georganiseerde deportatie naar het “Oosten”. Tegelijk werden de Joden meer en meer verbannen uit het sociale, educatieve en professionele leven. De VJB werd belast met het oprichten van instellingen exclusief voor de Joden: het werd hen verboden om zich in te schrijven in bijvoorbeeld kinderdagverblijven, scholen, tehuizen (voor kinderen en ouderen), ziekenhuizen, etc.

Velen werden argwanend en legden het bevel om zich aan te melden in Mechelen naast zich neer.

De Sipo-SD besloot toen om invallen te organiseren om het quotum van Joden die moesten gedeporteerd worden te bereiken.

In Brussel, vindt een inval plaats op 3 september 1942 om de niet-Belgische Joden te deporteren en vond plaats in de wijken grenzend aan het Zuidstation. Belgische Joden waren l precies een jaar later aan de beurt: 3 september 1943.

Degenen die eraan ontsnapten verdwenen in het ondergrondse.

De VJB-leiding stond voor een verscheurend dilemma. Er werd gekozen voor een politiek van het minste kwaad’. Sommigen werkten, ondanks hun opdracht, actief samen met het Verzet. Op die manier kreeg het het Comiteit voor de Verdediging van de Joden, informatie en kon het meer dan 3.000 joodse doen onderduiken in pleeggezinnen.

Op 25 juli 1942 bestormden partizanen het gebouw aan de Zuidlaan en probeerden er de jondenbestanden te vernietigen. De VBJ zelf verzocht koningin Elisabeth om tussen te komen bij de bezetter om de deportaties te stoppen. Noé Holzinger werd vermoord op 29 augustus 1942 door het Verzet, omdat hij verantwoordelijk werd gehouden voor de convocaties naar Mechelen.

Als reactie riep Kurt Asche, hoofd van Joodse zaken van de Sipo-SD, de VJB-leiding bijeen op zijn kantoor samenroepen aan de Louizalaan 510. Ullman, Benedictus, Van den Berg, Blum en Hellendahl werden gearresteerd op beschuldiging van sabotage. Ze werden opgesloten in de kelders van de Louizalaan. Op 24 september werden ze overgebracht naar naar Breendonk. Eén onder hen, Edouard Rotkel, werd onmiddellijk naar Auschwitz gedeporteerd vanwege zijn Hongaarse afkomst. Dankzij een tussenkomst van Gaston Schuind, secretaris-generaal van Justitie, konden de overigen Breendonk verlaten op 3 oktober 1942.

De VJB bleef actief in Brussel tot september 1944, de bevrijding van Brussel.

Bron: Stichting Auschwitz

Egmont en Horn

Egmont_en_Van_Hoorn_001

Op 5 juni 2018 is het precies 450 jaar geleden dat de graven Egmont en Horn onthoofd werden op de Brussels Grote Markt.

 

Lamoraal, graaf van Egmont, prins van Gavere, is geboren op het kasteel Lahamaide in Henegouwen. Hij stamt uit een van de rijkste en invloedrijkste families in de Nederlanden, voortgekomen uit de ‘advocati’ of voogden van de abdij van Egmond. Hij was de zoon van Jan IV van Egmont en Françoise van Luxemburg. Tijdens zijn jeugd kreeg hij een militaire opleiding in Spanje. Aan het eind van de 3e Gelderse successieoorlog (1543) verwoestte Lamoraal de toen Gelderse stad Düren. Door de stad in brand te laten steken en een groot deel van de inwoners te vermoorden stelde hij een voorbeeld, waarna andere Gelderse steden zich overgaven. Egmont was sinds 1544 ridder van het Gulden Vlies. Hij nam dienst in het Spaanse leger, werd in 1559 benoemd tot stadhouder van de graafschappen Vlaanderen en Artesië. Hij maakte deel uit van de Raad van State. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Horn verzette hij zich tegen kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, die de inquisitie invoerde in Vlaanderen. Na het vertrek van Granvelle in 1564 verzoende Egmont zich opnieuw met de koning.

Filips II van Montmorency of graaf van Horn was een krijgs- en staatsman in de Habsburgse Nederlanden vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De naam “Horne” of “Hoorne” verwijst naar het graafschap Horn, dat zijn naam ontleent aan het Limburgse dorp Horn, waar nog altijd het stamkasteel van de graven van Horn staat. Hij was de zoon van Jozef van Montmorency, graaf van Nevele. Filips was page, later kamerheer aan het hof van keizer Karel V. Zijn leven vertoont grote overeenkomsten met dat van zijn vriend graaf Lamoraal van Egmont. Graaf Horn was oorspronkelijk legeraanvoerder van het Leger van Vlaanderen. Hij werd in 1555 stadhouder van Gelre, in 1556 ridder van het Gulden Vlies en in 1561 lid van de Raad van State. In de Raad van State kwam hij met Willem van Oranje en de graaf van Egmont in opstand tegen het beleid van de kardinaal Antoine Perrenot Granvelle. Na diens afzetting bleef hij zich verzetten tegen de Spaanse heerser: als protest leverde hij zijn insignes van het Gulden Vlies in. Hij stond de calvinisten bij te Doornik, hetgeen later een van de aanklachten tegen hem zou vormen.

Hij is zijn hele leven overtuigd katholiek gebleven. Maar door zijn gedoogbeleid jegens de protestanten en zijn regelmatige afwezigheid, groeide Weert onder zijn bewind uit tot een bolwerk van de Reformatie.

Toen de founding fathers van het jonge België op zoek gingen naar een geschiedenis werden Egmont en Horn opgenomen in het pantheon van Belgische Helden. Op voorstel van minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier liet burgemeester Jules Anspach in 1864 hun standbeeld plaatsen op de Grote Markt, net voor de trappen van het Broodhuis. Dat liep niet van een leien dakje. In een stevige polemiek verweten de tegenstanders van de Katholieke Partij dat Egmont onvoldoende de godsdienstvrijheid had verdedigd en ontrouw geweest was aan koning Filips II. De liberale voorstanders vonden hem net daarom een held in wie de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid sterk zo aanwezig was dat hij zich tot het einde verzette tegen de Spaanse dwingelandij. Voor de katholieken was het standbeeld van Egmont en Horn een hulde aan landverraders, voor de liberalen een hulde aan de slachtoffers van het absolutisme en de Spaanse repressie.

Burgemeester Karel Buls maakte van de verbouwingen van de Grote Markt gebruik om het beeld te verplaatsen en een aantal beelden van geuzen te installeren op de rechtervleugel van het stadhuis, onder wie Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.

In 1879 besliste de gemeenteraad om het standbeeld te verplaatsen naar de Kleine Zavel, omringd door 10 tijdgenoten die een belangrijke rol speelden op politiek of maatschappelijk vlak. De beelden werden op 20 juli 1890 onthuld:

1. Willem de Zwijger, prins van Oranje (1533-1584), als leider van de opstand der Nederlanden tegen Spanje onder koning Filips II.

2. Lodewijk van Bodegem (ca.1470-1540), bouwmeester, betrokken bij de aanleg van het oorspronkelijke Brusselse Broodhuis.

3. Hendrik van Brederode (1531-1568), incarneert met De Zwijger en Marnix van Sint-Aldegonde het vaderlandsgezinde verzet tegen de dwingelandij. Hij overhandigde Margaretha van Parma het smeekschrift der Edelen van het Eedverbond der Edelen en stelde voor om de spotnaam van geuzen als erenaam aan te nemen: Fidèles au roi jusques à porter la besace (trouw aan de koning tot het dragen van de bedelnap toe).

4. Cornelis Floris De Vriendt (1518-1578), beeldhouwer en bouwmeester.

5. Rembert Dodoens (1518-1585), botanicus, geneesheer en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden.

6. Gerardus Mercator (1512-1594).

7. Jan van Locquenghien (1518-1574), burgemeester en Amman van Brussel, betrokken bij de aanleg van het kanaal van Willebroek.

8. Bernard van Orley (1492-1542), Brusselse Renaissance schilder.

9. Abraham Ortelius (1527-1598), geograaf van de eerste atlas van de wereld.

10. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1538-1598), diplomaat, schrijver, filosoof, voorvechter van de vrijheid van denken. Indien De Zwijger het hoofd en de arm voorstelt van de omslachtige onderneming die de strijd tegen Spanje was, dan stond Marnix voor de ziel en de gedachte.

In het plantsoen is de politieke visie van de toenmalige machthebbers duidelijk aanwezig. De opstand tegen de centrale Spaanse absolutistische overheersing begon bij het volk (met de Wederdopers), gevolgd door de verarmde adel, dan de rijke adel (Luthers), en na de bloedige repressie van Alva de ambachten en het volk met de geuzenrepubliek (Calvinisme).

Vooral de leiders van de tweede fase kregen hun beelden. De Brusselse geuzenrepubliek krijgt er geen, net als de Wederdopers.

Wel kregen 48 gilden of ambachten een afbeelding: de Vier Ghecroonden (metsers, steenkappers, beeldhouwers en leidekkers, Wapensmeden, Helmmakers en Zwaardvegers; Tinslagers-Loodgieters; Lei- of Pannendekkers; Blekers; Ketelmakers of Koperslagers en Bronsgieters; Stoeldraaiers, Mandenmakers, Stucwerkers en Rietdekkers; Hoedenmakers, Volders en Brandewijnstokers; Huidevetters of Leerlooiers; Stoelenmakers in Spaans leer en Pruikenmakers; Haakbusdragers of Geweermakers; Schoenlappers; Zoetwatervisverkopers; Schoenmakers; Lakenscheerders en –koopmannen; Wolververs; Gordelsnijders en Speldenmakers; Garen- en Brandverkopers; Smeden; Vlasbewerkers en Lijnwaadhandelaars; Uitdragers of Oude Kleerkopers; Timmerlieden; Schippers; Wolwevers en –handelaars; Kleermakers; Zadel- en Wagenmakers; Groenten- en Fruithandelaars; Schilders, Goudslagers en Glazeniers; Sloten- en Uurwerkmakers; Wijnhandelaars; Stoffenhandelaars en Kousenmakers; Barbiers en Chirurgijnen; Houthakkers en Boomzagers; Messenmakers; Tonnenmakers of Kuipers; Borduurders en Bontwerkers; Schrijnwerkers; Galonmakers of Passementwerkers; Edelsmeden; Vettewariërs of handelaars in zuivel en gevogelte; Handschoenmakers; Vergulders; Molenaars; Handelaars in gepekelde vis; Slagers;Tapijtwevers; Brouwers; Bakkers.

De selectiviteit van het liberale stadsbestuur had ongetwijfeld te maken met de opkomst van het socialisme. Hun voorlopers in Brussel waren de Wederdopers en de republikeinen. Bovendien waren de liberalen na de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht hun absolute meerderheid kwijt in de Brusselse gemeenteraad. Karel Buls meende dat “de socialisten stellen het collectivisme voor als de combinatie tussen een duizendjarige communistische droom, anarchisme, brood, vrije liefde en een aards paradijs”. En dat is wat de Wederdopers werd verweten.

In de 16de eeuw maakten de Nederlanden deel uit van het Spaanse wereldrijk van Keizer Karel V. Na zijn aftreden in 1555 werd zijn zoon Filips II de opvolger. Filips II zou de doelstellingen van zijn vader om religieuze en politieke uniformiteit na te streven meedogenloos verderzetten. De politieke oppositie en het protestantisme werden met harde hand bestreden.

De adel boette aan politieke invloed in ten voordele van een bureaucratisch en centralistisch regime uitgevoerd door technocraten en juristen van de absolutistische vorst. De bepalingen van zijn vader tegenover de protestanten gingen voort: afwijkende religieuze meningen werden niet geduld.

granvelle_2.jpgNa zijn vertrek naar Spanje werd de politiek uitgevoerd door Antoine Perrenot de Granvelle, een man van de harde lijn. In 1561 werd hij aangesteld als kardinaal-aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen. Hij vond dat de roerige provincies een lesje geleerd moest worden tijdens de Tachtigjarig Oorlog. Nederlandse geschiedschrijvers stelden Granvelle tegenover Willem van Oranje. Hij werd omschreven als “listigen, wreeden, laaghartichen aanhanger der Spaanse tiranij”. Later werd dat genunaceerd…

De oppositie werd vooral gevoerd door hoge edelen: militaire gouverneurs of stadshouders, vaak medewerkers van voormalig Keizer Karel of van koning Filips II. Zowel de keizer als de koning hadden geprobeerd om de hoge adel aan hen te binden door hen op te nemen in de Orde van het Gulden Vlies en de Raad van State. Er bestond echter ook een Geheime Raad en een Raad van Financiën waar de echte beslissingen genomen werden, voorbereid door technocraten, ambtenaren en juristen.

1563 wordt het jaar van de revolte tegen kardinaal Granvelle, het symbool van het regime en de repressie. Rederijker baron Gaspar Schitzt gaf in Brussel een diner waarbij de aanwezigen een zich tooiden met monninkskappen en paarse zotskappen. Paars was de kleur van de kardinaal. De Brussels burgers vonden dat leuk en begonnen overal hun deuren te versieren met dergelijke monniks- en zotskappen. De graaf van Egmont speelde eveneens het spelletje mee. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Hoorne vormt hij een driemanschap dat een brief stuurt naar koning Filips II: ofwel vertrekt Granvelle, ofwel nemen zij ontslag uit de Raad van State. Granvelle verliet in 1564 de Nederlanden.

willem van oranjeOndertussen radicaliseert het volk en vraagt het uitdrukkelijk aan Willem van Oranje om voor het calvinisme te kiezen door briefjes over de poort van zijn stadspaleis op de Koudenberg te gooien. Ondertussen was Filips Marnix van Sint-Aldegonde – die eveneens in Brussel woonde – al calvinist geworden.

In augustus 1566 breekt de Beeldenstorm uit in Zuidwest-Vlaanderen en verspreidt zich over de Nederlanden. In Brussel is hiervan in het begin niet veel te merken. Er zijn de ‘hagepreken’ en het protestantisme heeft zijn weg gevonden naar het gewone volk, dat net buiten de stadswallen bijeenkomt: Roodebeek, Josafatvallei… Bruegel, die in die periode in Brussel komt wonen, schildert de ‘hagepreken’.

De adel komt eveneens in beweging. Sinds de dood van Karel V is Brussel niet langer het financiële en politieke machtscentrum. De macht verschuift naar Spanje en zelfs Willem van Oranje moet inbinden. De hoge edelen – onder wie Willem van Oranje, Egmont, Horn en Brederode – waren niet zozeer gekant tegen de centralisatiepolitiek, maar vooral die tegen de bureaucratisering en technocratisering, waarbij zij nog enkel een adviserende, maar geen beslissende rol meer hadden.

De meeste edellieden hadden een optrekje in Brussel, ofwel in de buurt van het paleis op de Koudenberg, ofwel langs de straat die van het paleis naar de Paardenmarkt (nu Zavel) liep, die toen de Herenstraat heette (nu Karmelietenstraat en Wolstraat): Egmont bezat er het Egmontpaleis, Culemborg had een paleis waar nu de Albertkazerne is en Brederode verbleef op het huidige Poelaertplein (rechtover de Galgenberg).

Maar 1566 was vooral een hongerjaar. Er waren niet alleen misoogsten, maar er was vooral veel speculatie. De Zuidelijke Nederlanden importeerden graan uit de Baltische staten en uit het Noorden. Dat arriveerde via Amsterdam en Antwerpen. De graanhandelaren gebruikten de misoogst om woekerprijzen te vragen. Zo had de firma Pauwels van Dale in Antwerpen zoveel graan gestockeerd dat de zolder in elkaar zakte en het graan tot op straat stroomde, met oproer als gevolg.

Kardinaal Granvelle begreep er niets van. Hij vraagt zich af waarom het graan in de Nederlanden zo duur blijft. Maar de hongersnood blijft aanhouden. In een rapport over Brussel schrijft hij: “Wij hebben hier onder een vreselijke duurte van het graan te lijden, die met de dag erger wordt. Ik weet niet hoe wij het gemene volk in bedwang zullen houden… God moge ons voor een groot oproer beschermen! Wanneer het volk eenmaal opstaat, zal het, vrees ik, de godsdienst erin gaan betrekken.”

Ook Willem van Oranje vreesde dit en vroeg daarom op 24 januari 1566 aan de landvoogdes om de religieuze repressie te milderen: “De tijd schijnt mij slecht gekozen om de gedachten en gevoelens van het volk nog meer te prikkelen, dat toch al door de huidige schaarste en duurte van het graan meer dan genoeg is opgewonden en verontrust.”

Zelfs adel verarmt zienderogen. Willem van Oranje, de rijkste man van de Nederlanden, moet inbinden. Waar de kosten van zijn Brussels paleis vroeger 52.000 gulden per jaar bedroegen (160 personeelsleden), moet hij die terugbrengen tot ‘nog slechts’ 24.000 gulden (500x het jaarinkomen van een timmerman). Later zal hij in zijn apologie zijn motivatie voor de opstand zo samenvatten: “Voor de eer van God, de uitbreiding en de planting van zijn woord en het herstel van de welstand van het land.” Uiteraard vooral zijn welstand. Zijn welstand, die van de hoge adel en die van de graankooplui, werd bedreigt door een volksopstand.

In de zomer van 1565 is er in het kuuroord Spa overleg tussen vertegenwoordigers van de calvinistische kerkraden en Jan van Marnix van Sint-Aldegonde (broer van Marnix), Lodewijk van Nassau (broer van Willem), om een putsch te ondernemen en zo zelf hervormingen door te voeren. In april 1566 worden abdijen in Brabant geplunderd. Tijd om zelf, eventueel i.s.m. de rijkste laag van de handelsburgerij, het heft in handen te nemen. Maar Oranje en Egmont vrezen de reactie van het volk en Oranje komt met een nieuw plan. Het Verbond der Edelen zal een smeekbede opstellen en dat moet de landvoogdes ervan overtuigen dat een deel van de adel zich bij de oppositie heeft aangesloten. Het wordt psychologische oorlogsvoering, geen putsch. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde verwoordt het zo: “En zij die te voren, in afwachting van het treurige juk der tyrannieke inquisitie, besloten hadden een wanhoopsdaad te begaan en alles op het spel te zetten, voelden zich als uit de doden opgestaan en waren nu van vreedzamer gedachten vervuld.”

Het Verbond der Edelen kondigde begin april aan dat al zijn leden in volle oorlogsuitrusting naar Brussel zouden komen om gezamenlijk een klaagschrift te overhandigen. De landvoogdes was ontsteld en paniekerig. Vier- tot vijfhonderd edellieden, waarvan het merendeel met een groot gevolg, dat betekende een klein leger in Brussel. Er volgden onderhandelingen. Het Verbond bond in. Het zou maar een delegatie worden van kleine adel en slechts lichtbewapend. Blijkbaar bleef de adel loyaal en delandvoogdes haalde opnieuw adem. Oranje had morele druk onderschat. Het spel was op voorhand verloren.

Brederode trekt op 3 april 1566 ’s avonds met 200 ruiters Brussel binnen: allemaal edellieden, het pistool aan de gordel. Ze stallen hun paarden voor het Hof van Nassau, het huis van Willem van Oranje (nu Koninklijke Bibliotheek). Ze gaan akkoord over een gezamenlijke tekst: het Eedverbond der Edelen. Ze trekken naar het paleis op de Koudenberg: Willem van Oranje, Egmon en Hoorne zijn er niet bij. M.a.w. de hogere adel geeft verstek. Zij hebben veel te verliezen: hun positie én hun fortuin.

De raadgevers van de landvoogdes zijn niet onder de indruk: het zijn maar ‘bedelaars’, des geux.

De naam ‘geuzen’ was een verwijzing naar hun financiële situatie, hun schulden. Ze zijn adelijke bedelaars. Maar het gewone volk denkt dat de adel hun kant gekozen heeft.

Tijdens een banket verbroederen Egmont, Horn en Willem van Oranje. De gewapende opstand van de adel verdwijnt naar de achtergrond. De landvoogdes zou haar reactie op het smeekschrift overmaken op 18 augustus 1566 in aanwezigheid van de ridders van het Gulden Vlies en van het Verbond der Edelen. Maar op 10 augustus breekt de Beeldenstorm uit in West-Vlaanderen. Het is de bedoeling om de bijeenkomst in Brussel onder druk te zetten. Ook in Brussel breken onlusten uit.

Onder impuls van Egmont, Horn en Willem van Oranje doet de landvoogdes toegevingen: de plakkaten tegen de ketters worden opgeschort en de protestantse predikers worden (beperkt) toegelaten. Het driemanschap vreesde de gewapende opstand van het volk.

Het doek valt over de revolutie…

In oktober 1566 komen Willem van Oranje, Egmont, Horn en nog enkele anderen bijeen in Dendermonde om te spreken over verder verzet. Egmont wil het verzet stoppen uit vrees voor een volksopstand…

Ondertussen had koning Filips II de hertog van Alva opdracht gegeven om orde op zaken te stellen in de Nederlanden. Alva denkt dat hij het gemakkelijk zal hebben: de adel is getemd, de boeren zijn geïsoleerd, alleen nog de stedelijke burgerij en het werkvolk met terreur hun kettersheid ontnemen.

AlvaAlva neemt in augustus 1567 zijn intrek in het huis op de hoek van de Naamsestraat en de Herenstraat (nu Karmelietenstraat). Hij installeert de Raad van Beroerte of de Bloedraad en onteigent het Hof van Nassau, het stadspaleis van Willem van Oranje… De repressie start.

Eerst moet de adel het ondervinden omdat het in opstand gekomen: op 1 juni 1568 worden 19 edelen onthoofd op de Paardenmarkt (Zavel). Vier dagen later is het de beurt aan Egmont en Horn. Zij sympathiseerden met het Eedverbond, maar ondertekenden de smeekbede niet… Maar in Spanje was men niet vergeten dat beide graven, samen met Willem van Oranje, aan de basis lagen van het ontslag van kardinaal Granvelle. Alva nodigde Egmont en Horn uit op een diner, maar daarna worden ze aangehouden. Na een schijnproces, waarin hen onder meer verweten werd geageerd te hebben tegen Granvelle en het protestantisme en het Eedverbond te steunen, worden ze ter dood veroordeeld. Ze worden opgesloten in het Broodhuis op de Grote Markt. Na hun executie worden hun hoofden op staken gestoken en nadien – via Thurn en Taxis – worden ze verstuurd naar Madrid.

Nadien mag de bevolking het uitzweten.

Op piekmomenten worden tot 500 burgers gearresteerd. In heel de Nederlanden worden ongeveer 8000 mensen geëxecuteerd.

Vanaf 1569 voert Alva nieuwe belastingen in: de 100ste, de 20ste en de 10de Penning. Het verzet wordt groter: ongeveer overal is er verzet tegen de 10de Penning, maar het hevigst en het langst in Brussel. De nieuwe belastingen zijn eigenlijk een radicale aanval op de burgerlijke vrijheden: met de 10de Penning bepaalt de vorst voortaan zijn eigen dotatie, zonder inspraak van de Staten-Generaal.

Het protest in Brussel neemt grote proporties aan: bij weigering worden winkels gesloten, beroepsgroepen worden geviseerd, de Vleeshal sluit, de brouwers worden aangepakt, er breken stakingen uit… De onrusten duren tot ver in de jaren 70 van de 16de eeuw met als apotheose een eerste echte Brusselse geuzenrepubliek.

Bronnen:

“Brussel, van Renaissance tot Republiek”, Lucas Catherine, EPO/Berchem, 2014

– “De Graven Egmont en Horn : Slachtoffers van de politiek repressie in de Spaanse Nederlanden”, Gustaaf Janssens, Museum van de Stad Brussel, 2003

Wikipedia

De Gardevil es doe!

gardevil
www.gardevils.be

Lup, Lup, Lup, de Gardevil es doe, de Gardevil es doe, de Gardevil es doe
Lup,Lup, Lup de Gardevil es doe, de Gaaardeviiiil eeeees doooeee.

Hij es in koleire, ‘t es percies nen hoen,
Lot aale ni scheire, want ge zaat eroen,
Hij eit e karuur gelak een klaain fleske sidol
Mô dad es niks, hij mokt em toch nen dikke kol

 

 

 

Monument tegen nazisme en racisme

monumentOp de achtergevel van école n° 6 in de Lenglentierstraat 1a hangt hangt sinds 20 september 1987 een herdenkingsplaat van het “Uitvoerend Comité van Monumenten tegen het nazisme en racisme in de Marollen”, gemaakt door Jacques Raffeld.

Op de plaat staat in het Hebreeuws een Bijbelse passage:“En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en u zal doen opstaan uit uw graven, O mijn volk. Ik zal Mijn Heilige Geest in u laten varen, en gij zult leven, en Ik zal u rust geven op uw land, en je weet dat Ik, de HEERE, zeg en dat ik doe – orakel van Jahweh!” (Ezechiël XXXVII, 13-14).

De vers wordt gevolgd door twee korte teksten waarin staat dat het monument is opgericht “À la mémoire des Juifs du quartier des Marolles victimes du nazisme et du racisme” – “Ter nagedachtenis van de Joden van de marollenwijk slachtoffers van nazisme en racisme”.

Oorspronkelijk was er een vervolg dat later bedekt werd met pleister: “Hun martelaarschap verlicht onze strijd.”

Waarom de tekst gewist werd is onduidelijk: misten deze termen precisie en leidden ze tot verwarring?

Het monument is nochtans een herinnering aan gebeurtenissen die zich tijdens de tweede wereldoorlog afspeelden in de wijk.

In de jaren 1920-1942 leefde in de Marollen een grote Joodse gemeenschap. Die armoedige Brusselse volkswijk trok van oudsher inwijkelingen aan. In 1940 waren 5.640 mensen geregistreerd in het Brusselse Jodenregister. Het centrum ‘Entraide des Travailleuses’, in de Huidevettersstraat, redde tijdens de oorlog minstens negen joodse kinderen. Koningin Elisabeth bezocht het tijdens de winter van 1941.

Op 3 september 1942 hielden de nazi’s een eerste razzia waarbij buitenlandse Joden opgepakt en gedeporteerd werden. Een jaar later volgden de Belgische Joden.

Uit heel België werden 25.124 Joden en de 351 Roma en Sinti naar Auschwitz gedeporteerd. Minder dan 1.300 overleefden het.

Bron: Stichting Auschwitz

Paviljoen van Menselijke Driften

Het Horta-Lambeauxpaviljoen herbergt de grootste realisatie van de Antwerpse beeldhouwer Jef Lambeaux (1852-1908): het reliëf De Menselijke Driften. Het enorme witmarmeren werk werd geconcipieerd op het thema van het geluk en de zonden van de mensheid, gedomineerd door de Dood.

Menselijke driften

Het werk kende een bewogen ontstaansgeschiedenis. Aan de basis lag in eerste instantie een inschattingsfout van Lambeaux, gevolgd door een meningsverschil tussen de beeldhouwer en de jonge architect Victor Horta (1861-1947), die voor zijn eerste staatsopdracht rondom dit werk een tempeltje ontwierp. Vanaf 1886 werkte Jef Lambeaux in grote afzondering en met volledige overgave aan het ontwerp van De Menselijke Driften. In 1889 stelde hij het karton voor aan een beperkte groep critici, die er nadien met lovende woorden over berichtten in de pers. Toen het karton enkele maanden later werd geëxposeerd op het Salon van Gent, waren de verwachtingen bij de recensenten die dat ontwerp niet hadden gezien te hoog gespannen om bij het concept geen kanttekeningen te plaatsen. Men verweet het vooral gebrek aan cohesie.

Ondanks de polemiek die volgde, bestelde de Belgische Staat in 1890 het werk om het op te stellen in het Jubelpark. Datzelfde jaar kreeg Victor Horta de opdracht om een bouwwerk rondom het reliëf te ontwerpen. Hoewel de bouwmeester en de beeldhouwer in eerste instantie tot een akkoord kwamen over het architectonische concept, mondde de samenwerking uit in een onoverbrugbaar meningsverschil, gevolg van twee eigengereide persoonlijkheden. Het conflict draaide rond het feit dat Lambeaux tegen de wil van Horta in een muur wou achter de zuilengalerij. Deze onenigheid leidde ertoe dat het gebouw op 1 oktober 1899 in open toestand werd ingehuldigd en amper enkele dagen later met een houten barricade werd afgesloten. Lambeaux heeft de huidige toestand nooit gekend.

paviljoen

Pas na Lambeaux’ overlijden in 1908 vervulde Horta diens wens en werd de muur opgetrokken waardoor het reliëf definitief aan het zicht werd onttrokken. Het tempeltje met klassieke allure, dat door Horta werd bestempeld als “het einde van de voorbode van mijn loopbaan”, waarmee de bouwmeester verwees naar zijn faam als vernieuwende architect, kondigt effectief zijn geroemde art-nouveauperiode aan. Met het formele vocabularium van de klassieke architectuur, slaagde Horta er al in om alle elementen van de nieuwe stijl te verwerken. Elk klassiek detail werd opnieuw bestudeerd en heruitgevonden en is zodoende een illustratie van het genie van de architect.

Bron: www.kmkg-mrah.be/nl/horta-lambeauxpaviljoen

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑