Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

Sint-Jan-de-Doperkerk in Sint-Jans-Molenbeek

Deze art-decokerk dateert van de periode 1931-1932. Het gebouw werd opgetrokken in gewapend beton en ontworpen door archtitect wast Joseph Diongre, een overtuigd atheïst en socialist die onder meer het Flageygebouw, het gemeentehuis van Sint-Lambrechts-Woluwe en een hele woonwijk in Molenbeek ontwierp. De kerk laat de mensen denken aan een moskee. Misschien was dat het aantrekkingspunt om de Marokkaanse gemeenschap naar Molenbeek te lokken?

145_edifice_photo

Voorheen stond de oude kerk meer op het plein, met daarrond een kerkhof. In de tijd van de Kelten was er in de nabijheid van bron, toegewijd aan Freya, de godin van de vruchtbaarheid. De christenen bouwden er een kapel doopten haar rond 900 Sint-Geertrui, de dochter van de stichtster van de Abdij van Nijvel, van wie de Molenbeekse nederzetting afhing. Op zegels en andere afbeeldingen prijst Sint-Geertrui het heilzame water uit haar putten aan met beker in de hand. Het werd op akkers gesprenkeld om ongedierte te verdrijven en aan pelgrims aangeboden om genezing te bieden. Molenbeek werd een etappeplaats op weg naar Santiago de Compostella. Bij hun vertrek kregen de pelgrims een “Sint-Geerte-minne” te drinken voor een behouden reis en terugkeer.

Tijl Uilenspiegel: een Brussels verhaal

De legende van Tijl Uilenspiegel verscheen wellicht voor het eerst in het begin van de 16de eeuw in het Hoogduits door Johann Grünninger uit Straatsburg. Een paar jaar later werd het uitgegeven door Jan van Droesborch uit Antwerpen.

Het verhaal speelde zich af in Duitsland. Tijl Uilenspiegel werd in 1300 geboren in Knellingen aan de Elm in Duitsland. In de eerste Nederlandse vertaling heette hij niet Tijl maar Claes. Tijl zag het niet zitten om een ambacht te leren en probeert in zijn levensonderhoud te voorzien door allerhande trucjes en listen uit te halen. Ondertussen reist hij door Duitsland: Braunschweig, Maagdenburg, Lübeck, Berlijn… en ook door andere landen. Zo komt hij ook in Antwerpen, Rome, Praag en Parijs. De sage eindigt met zijn dood rond 1350. Hij is begraven in het Duitse plaatsje Mölln: bij de Sint Nicolai kerk vindt men er een gedenksteen uit de 16de eeuw.

Honderdvijftig jaar geleden, in 1867, gaf Charles De Coster “la Légende d’Ulenspiegel’ uit. In 1869 kreeg het de titel “La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d’ Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs”.

TUIn het verhaal van De Coster wordt Tijl Uilenspiegel geboren in Damme op 21 mei 1527, niet toevallig dezelfde dag als de latere koning Filips II – de zoon van Keizer Karel V die het aan de stok kreeg met de Nederlanden.

Na een dispuut met de geestelijkheid moet Tijl op boetereis naar Rome. Bij zijn terugkeer is zijn vader, Klaas, gedood op de brandstapel. Dat verklaart waarom Uilenspiegels verhaal zich afspeelt in het Vlaanderen tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648). Samen met Lamme Goedzak en zijn vriendin en zoogzuster Nele verzet hij zich tegen de Spaanse overheersing.

Charles De Coster werd op 20 augustus 1827 geboren in München, waar zijn vader werkte als hofmeester van de apostolische nuntius bij het Beierse hof en zijn moeder als linnenvrouw. Vader De Coster was een Vlaming afkomstig uit Ieper, zijn moeder was Waalse uit Hoei.

In 1831 verhuisde het gezin naar Brussel. Kort nadien overleed zijn vader. De middelbare school volgde Charles aan het “Collège Saint Michel”. Niet te verwarren met het huidige Collège Saint-Michel in Etterbeek, lag het toenmalige college in Brussel: daar waar nu het Sint-Jan-Berchmanscollege is.

Tijdens die jezuïetenopleiding verliest de streng katholiek opgevoede De Coster zijn geloof. Kan het ook anders?

Na het middelbaar onderwijs gaat hij aan de slag bij de Société Générale. Hij voelt er zich als een vis op het droge. Zijn dromen liggen elders en in 1850 neemt hij ontslag om rechten te studeren aan de ULB. Hier ontwikkelt hij zijn democratische en antiklerikale ideeën. In 1855 verlaat hij de ULB met een kandidaatsdiploma in de Letteren. Een academische carrière was niet meteen voor hem weggelegd.

In 1847 richt hij met enkele vrienden de literaire kring “La Société des Joyeux” op. Aan de ULB was hij lid van de literaire kring Lothoclo. Hij werd sterk beïnvloed door Alfons Willems, medestichter van het “Nederduits Taalminnend Studentengenootschap Schild en Vriend”, wat later “Geen Taal, Geen Vrijheid” werd.

Tijdens zijn studententijd werkte hij onder meer als journalist en als letterkundige. Hij publiceerde in La Revue Nouvelle” het tijdschrift van de kring Lothoclo, in het in 1854 opgerichte La Revue Trimestrielle” en in het door Félicien Rops opgerichte satirisch en antiklerikaal tijdschrift “Uylenspiegel : journal des débats artistiques et littéraires”.

Tegelijk wordt hij verliefd op de vijf jaar jongere Elise. Zij is nogal nuchter en verstaat zijn romantische bevlogenheden en literaire ambities niet goed. Zij begrijpt echter maar al te goed dat haar ouders nooit zullen instemmen dat zij met een dromer zonder status trouwt. Hun relatie stopt definitief in 1858 na zeven jaar hoop, ontgoocheling, twisten en verzoening.

CharlesdeCosterIn 1860 gaat Charles De Coster aan de slag op het rijksarchief. Daar verzamelt hij alle materiaal voor “La légende d’Ulenspiegel”. Hij nam ontslag in 1864 om het werk klaar te krijgen voor de vijfjaarlijkse literatuurprijs van 1867. Het werk had niet het verhoopte succes. Daarom werd hij in 1870 leraar aan de Krijgsschool en studiebegeleider aan de Militaire School.

De Coster stierf straatarm en zo goed als vergeten in 1879. Het zou nog meer dan dertig jaar duren vooraleer zijn “La légende d’Ulenspiegel’”de erkenning zou krijgen dat het verdiend. Vandaag wordt het vrijwel overal beschouwd als een meesterwerk van de wereldliteratuur.

De vrijzinnige, Franstalige Brusselaar uit Elsene is voor Vlamingen vaak een wat omstreden figuur.

Tussen 21 oktober 1860 en 11 augustus 1861 was hij actief als politiek journalist. Onder het pseudoniem Karel, schrijft hij een zestigtal artikels over het imperialisme van Napoleon III, de eenmaking van Italië, het klerikalisme en de arbeidsproblematiek (L’aventure blanquiste de Charles De Coster). Tevens was hij sinds 1858 ingewijd als Vrijmetselaar bij “Les Vrais Amis de L’Union et du Progrès” van het Grootoosten van België. Dat zal ongetwijfeld meegespeeld hebben bij de ondermaatse waardering van “La légende d’Ulenspiegel”. De legende speelt zich af in Vlaanderen, maar werd in het Frans geschreven door een Brusselaar. Hij vertolkte een visie uit de negentiende eeuw om een nationale symboliek te creëren.

Vlamingen hadden met de “Leeuw van Vlaanderen” van Hendrik Conscience hun legende over het enige deel van België dat ooit deel had uitgemaakt van Frankrijk: La Flandre. De leeuw stond symbool voor de koning der Belgen.

Charles De Coster vond de symboliek voor de Brusselse identiteit eveneens in de Vlaamse culturele traditie: Tijl Uilenspiegel uit Damme, de verzetsheld tegen de Spaanse totalitaire overheerser. Als Brusselse telg van het Franstalig onderwijs vertolkte hij die nationale symboliek via de Frans-Belgische literatuur. Als Franstalige wil hij “een taal die haar herkomst niet zou verloochenen en die de draagster kan zijn van de symboliek van een in het Frans geschreven Vlaams epos dat de Belgische identiteit moest helpen versterken”. [Christian Berg, De Frans-Belgische literatuur en haar ‘Vlaamse school’ (1830-1880) p. 127] Het is erkenning van de Vlaamse cultuur die we in de negentiende eeuw (en begin van de twintigste eeuw) terugvinden bij verschillende Frans-Belgische auteurs, zoals Camille Lemonnier, Emile Verhaeren, Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck, Max Elskamp, Michel de Gelderode en zelfs Jacques Brel, maar die tot op vandaag niet gesmaakt wordt in mainstream leidende Vlaamse kringen…

Deze manier van denken was zelfs de Brusselse politiek niet vreemd in die tijd: Brussels burgemeester Charel Buls en zijn schoonbroer, Léon Vanderkindere, burgemeester van Ukkel – beiden Franstalige liberalen – zetten zich in voor de erkenning van het Nederlands in België. Zij waren zelfs lid van de Vlaamsgezinde vereniging “Vlamingen Vooruit”.

Op die manier is “La légende d’Ulenspiegel” een Franstalig huldebetoon aan Vlaanderen. Ongewoon was dat niet in die tijd: Franstalig België (ook in Vlaanderen) vond in het Vlaamse hét element om zich van Frankrijk te onderscheiden.

De Vlaamse ontvoogdingsstrijders hielden en houden het liever bij Hendrik Conscience en het symbool voor de koning der Belgen…

Charles De Coster overlijdt op 7 mei 1879 te Elsene, waar hij sinds 1831 woonde. Hij ligt er begraven. Op 22 Juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Elsene op het Eugère Flageyplein een gedenkteken ingehuldigd. 

Bronnen: Roel Jacobs; VUB (website: Charles De Coster); Consciencebibliotheek (website 150 jaar Uilenspiegel); schrijversgewijs.be

Een driehonderdjarige weduwe

M'In 2017 bestaat de Vrijmetselarij 300 jaar: in 1717 bundelen vier Londense werkplaatsen de krachten en richten de Grootloge van Londen op.

Zes jaar later schrijft James Anderson, een Schotse predikant, de grondregels in “The Old Charges”, een constitutie waarin een nieuw begrip geïntroduceerd wordt: godsdienstige verdraagzaamheid.

Paus Clemens XII veroordeelt in 1738 de Vrijmetselarij met de Bul. “In Eminenti Apostoli Specula”.

Op 16 januari 1833 ziet het Grootoosten van België het Licht: de oudste Obediëntie met meer dan honderd werkplaatsen. In 1912 werd in het Oosten Brussel de eerste Belgische loge “45 Egalité” van de gemende Obediëntie Le Droit Humain opgericht. In 1959 verlaten enkele loges het Grootoosten van België en om de Grootloge van België op te richten. De Vrouwengrootloge van België bestaat sinds 17 oktober 1981. De jongste is de Confederatie van Loges Lithos, sinds 11 november 2006.

Naast de adogmatische vrijmetslarij is er in België nog de Reguliere Grootloge. Zij stelt het geloof in een Opperwezen voorop.

De Vrijmetselarij stond onder meer aan de wieg van de eeuw van de Verlichting, van de Franse revolutie en inspireerde de eerste Verklaring van de Rechten van de Mens. In de negentiende eeuw oefende de Vrijmetselarij een grote invloed uit op het onderwijs en op de openbare ordening: Brussel is hiervan een levend voorbeeld. Tijdens de tweede wereldoorlog engageerden talrijke vrijmetselaars zich in het verzet. In de tweede helft van de twintigste eeuw ging de aandacht vooral uit naar ethische dossiers zoals abortus- en euthanasiewetgeving.

MAlhoewel de Vrijmetselarij een besloten vereniging is die discretie hoog in het vaandel draagt, bestaat het Belgisch museum voor de Vrijmetselarij. De tentoonstelling is thematisch en didactisch opgesteld om informatie verstrekken die aanleiding kan geven tot reflectie en de doelstellingen van de Vrijmetselarij probeert te verduidelijken.

De verzameling telt verscheidene voorwerpen die getuigen van een rijke symboliek: medailles, kentekens van de werkplaatsen, linten, juwelen, boeken, decors, … van de 18de eeuw tot vandaag.

Het museum bevindt zich in de Lakensestraat 73-75 te Brussel.

Karl Marx in Brussel / Karl Marx à Bruxelles

MarxBrs

Een gegidste wandeling (N/F) langs de plaatsen waar hij geschreven, vergaderd en… gedronken heeft.

Afspraak: zondag 7 mei 2017 om 10.00u op het Voorplein te Sint-Gillis

 

 

 

MarxBrs'Promenade guidée (F/N) par les lieux où  il a écrit, s’est réuni et… a bu.

Rendez-vous: dimanche, le 7 mai 2017 à 10.00h au Parvis de Saint-Gilles

 

Organisatie(on): Vonk/Révolution – Meer info/plus d’info: 0479/25.77.35

 

“De grondslagen voor de wereldrevolutie werden gelegd in het Brussel van de 19e eeuw.” Als we alle dappere strijders vanaf Spartacus er niet bij rekenen, kan deze lichtelijk overdreven uitspraak best wel gelden voor alles wat er na de 19e eeuw gebeurde. Niemand heeft sindsdien zo’n enorme politieke invloed nagelaten als Karl Marx, die na zijn uitwijzing uit Frankrijk als een opgejaagde balling met vrouw en kinderen uitweek naar Brussel.

Marx verbleef drie jaar in Brussel (1845-1848), woonde op zeven verschillende plaatsen, en werd vervolgens van staatswege uit op een wel heel ongelukkige wijze uit het land gezet. Deze periode in Belgenland kan zonder twijfel gerekend worden tot een van de vruchtbaarste periodes zowel van de filosofische als politieke activiteiten van Marx.

Welkom en niet-welkom in België

De aankomst van Marx in België was niet bepaald de aangename verwelkoming die men kan verwachten als buitenlandse gast. Nochtans schreef Marx als een brave man een brief naar koning Leopold I om toelating te vragen het koninkrijk België binnen te mogen:

“Sire, Ik ondergetekende, Karl Marx, doctor in de filosofie, 26 jaar oud, uit Trier in het Koninkrijk Pruisen, heb de intentie mij met vrouw en kind in de Staat van Uwe Majesteit te vestigen, en neem daarom de eerbiedige vrijheid U te smeken hem de toelating te bezorgen om zijn woonplaats in België te kiezen. Met de diepste eerbied voor Uwe Majesteit, verblijf ik Uw zeer nederige en zeer gehoorzame dienaar. Dr. Karl Marx.” (Briefwechsel I, p.265 en Studien p.217)

Marx was welkom in België. Maar deze brief gericht aan de koning gaf het startschot voor het Belgische Bestuur der Openbare Veiligheid om Marx’ wandelgang nauwlettend in het oog te houden. Met een voorafgaande algemene inleiding tot het leven en denken van Marx, geeft de auteur vanaf deze onaangename verwelkoming een indringend portret van de veelvuldige activiteiten die de intellectuele duizendpoot Marx in België zowel in woord als daad ondernam. Tijdens zijn verblijf in ons land schreef Marx in totaal zeshonderd bladzijden notities bijeen. Zo schreef hij ondermeer het Communistisch Manifest samen met zijn strijdmakker Friedrich Engels.

Belgische misère alom

Het arbeidersproletariaat van Brussel kreeg Marx niet te zien omdat Brussel anders dan de industriesteden zoals Luik of de Borinage toentertijd werd gedomineerd door kleine bedrijfjes. Armoede was daarentegen in Brussel niettemin schering en inslag. Een kwart van de Brusselse bevolking stond op de lijst van de hulpbehoevenden. De arbeiders werkten veertien tot vijftien uren per dag en kwamen vaak niet toe om met hun magere loontjes het gezin te onderhouden. Om toch een klein beetje te kunnen overleven, werden de vrouwen en kinderen er ook maar op uitgestuurd om te werken. De afstand tussen arm en rijk werd des te groter toen vele Oost- en West-Vlaamse arbeiders de huisnijverheid in elkaar zagen storten door de concurrentie van de Britse gemechaniseerde producten. Ze stroomden haveloos in Brussel aan op zoek naar werk, naar eten. Neem daarbij ook de lange winter van 1845 die de koolzaadtarweoogst verwoestte, de grote aardappelplaag van 1846 en de graantekorten in 1847 en we begrijpen eens te meer dat Marx niet zomaar heel zijn leven in bibliotheken doorbracht. De economische ellende in België moet Marx als empirist vast en zeker niet zijn ontgaan! In deze crisisjaren leefde ongeveer een kwart van de Belgische bevolking in bijna onbeschrijfelijke omstandigheden.

De talloze pamfletten en diverse programma’s van Belgische sociale hervormers gaven daar uitdrukking aan.

Het ontstaan van de Bond der Communisten

Het jaar 1847 zal ook het jaar worden waarin Marx definitief de daad bij het woord voegde. Het communistisch correspondentiecomité waarmee hij het jaar daarvoor was begonnen, had z’n vruchten afgeworpen. De contacten die Marx en Engels onderhielden met een keur aan Europese revolutionairen legden de fundamenten voor de oprichting van de Bond der Communisten. Ondanks de opwakkerende en vooral noodzakelijke ideeënstrijd geeft het eerste artikel van de statuten duidelijk het doel aan die van de Bond een internationale partij zal maken:

“De Bond streeft naar de afschaffing van de slavernij van de mens; zij doet dat door het propageren van de theorie van de gemeenschap van goederen en door de zo spoedig mogelijke verwerkelijking daarvan.” (Der Bund der Kommunisten: Dokumente und Materialen : 9 juni 1847)

Natuurlijk onderhield Marx ook veelvuldig contacten met Belgische politieke strijders. Hij verwierf zelfs onverwacht een sleutelpositie in de Association Démocratique. Dat was een beweging die toentertijd alle democratische krachten uit België met inbegrip van buitenlandse radicalen verenigde. Eigenlijk was het een verzameling van enerzijds vroege communisten en anderzijds radicale democraten, dus de linkervleugel van de kleinburgerij, waarvan sommigen nog hadden deelgenomen aan de Belgische Revolutie van 1830. Ze opereerden vanuit Brussel onder de leiding van voorzitter Jottrand, een Belgische advocaat en publicist. In tegenstelling tot de (nog kleine) proletarische vleugel bestempelde de radicale liberaal Jottrand het opkomende revolutionaire karakter van de democratische vereniging als utopisch. Jottrand en anderen wilden verandering via grondwettelijke weg verkrijgen en hielden zich ver van arbeidersopstanden. Als radicale liberalen richtten zij hun pijlen niet op de bourgeoisie en waren bijvoorbeeld grote voorstanders van vrijhandel.

Marx koesterde onder meer ook sympathie voor Vlaamse sociale voorvechters zoals Jacob Kats, Jan Pellering en Jean-Louis Labiaux. Bekend was vooral Jacob Kats die zijn strijdbaarheid gehoor liet geven via tal van volkstoneelstukken. Daarin bekritiseerde hij op spottende wijze de maatschappij met zijn koning en clerici. Dit kostte hem natuurlijk zijn sociale positie. Na de Belgische revolutie ‘degradeerde’ hij van leraar tot handwever. Onder invloed van Jottrand begint Kats echter meetings te organiseren voor de arbeiders. Anders dan in het volkstoneel moesten de arbeiders niet meer passief toekijken op het verhaal van al het leed dat zij dagelijks moesten ondergaan, maar konden zij ook voor de eerste keer zichzelf in het debat mengen. Uiteraard stootte dit meeting-fenomeen, dat uit Engeland was komen overwaaien, op fel verzet van de Belgische staat. De nooit aflatende tussenkomsten van de politie maakten deze publieke meetings echter vaak een moeilijk actiemiddel. Niettemin was het een van de eerste collectieve actiemiddelen van de opkomende arbeidersbeweging.

“…Eerst als de regten des volks door het volk zelve zullen verdedigd worden, zal men het volk niet meer kunnen bedriegen; doch zoo lang het volk zich op anderen zal moeten betrouwen, zal het altyt bedrogen worden.” (Jacob Kats, (In:) H. Wouters. Documenten betreffende de geschiedenis der arbeidersbeweging, p.1229-1230)

De ideeën van Kats waren radicaal, maar ze bleven reformistisch. Hij was voorstander van de invoering van een republiek, algemeen stemrecht, kosteloos staatsonderwijs, nationalisering van de banken en de industrie en een tegenstander van privé-bezit. Hij geloofde daarentegen slechts in de mogelijkheid van geleidelijke hervormingen. Anderen volgden hem en werden radicaler, zoals Jean-Louis Labiaux die met Jan Pellering in april ‘46 in Brussel een hongermars organiseerde die dankzij de bereidwillige medewerking van de staat uitliep op een sisser. De arbeiders waren als maatschappelijke kracht nog te gering en een stevige arbeiderspartij ontbrak. Maar de arbeiders van toen wisten maar al te goed wat revolutie betekende! Ondanks de wet Le chapelier die samenscholing verbood, weergalmde de februarirevolutie in Frankrijk onverminderd door in de straten van Brussel, zoals Engels schrijft.

“Toen de Februarirevolutie uitbarstte, verwekte ze dadelijk een echo in Brussel. Een groot aantal mensen verzamelde zich elke avond op de Grote Markt voor het stadhuis, die bezet werd door de burgerwacht en de politie. De bier- en jeneverkroegen rond markt zaten stampvol. Men riep ‘Vive La République’, men zong de Marseillaise, men vergaderde, men drong op en werd teruggedreven. De regering hield zich ogenschijnlijk koest, maar mobiliseerde ondertussen de reservisten en riep de verlofgangers uit de provincie op.”
(Friedrich Engels, Die Neue welt, 8 juli 1876)

Plagerijen van de Belgische staat aan het adres van Marx

De laatste dagen van Marx’ verblijf in België naderden. De enige ‘fout’ die Marx beging, was het breken van zijn verbintenis om niets te publiceren over politieke toestanden. Op 28 februari 1848 ontving de Belgische minister van Justitie van Baron Hody een voorstel om Marx het land uit te zetten op grond van ‘verstoring van de openbare orde’. Op twee maart 1848 ondertekende koning Leopold zonder al te veel problemen een uitwijzingsbevel:

“Leopold, koning der Belgen gelast de genaamde Marx, doctor in de filosofie, oud circa 28 jaar, geboren in Trier, Pruisen, het Koninkrijk België te verlaten binnen een termijn van 24 uur, met verbod er ooit terug te keren, op straffe voorzien in artikel 6 van de wet van 22 december 1835.” (In: G. Ros. Adalbert von Bornstedt und seine Deutsche-Brüsseler Zeitung. Ein Beitrag zur Geschichte der deutschen Emigrantenpublizistik im Vormärz. Nr.51, pag. 39)

Bron: Vonk, april 2005

Pieter Breugel de Oude

In 2019 plannen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België de opening van het Bruegelmuseum in het huis in de Hoogstraat 132 in Brussel. Sinds 1924 hangt aan de gevel van het pand een gedenksteen die hulde brengt aan Pieter Bruegel, die er zou gewoond en gewerkt hebben. De kans dat de meester daar ooit een voet heeft binnengezet bestaat: misschien woonde er familie…

pieterbruegel
Brussel 1572: links ‘Tmenneken pist’, rechts het bogaardenklooster

 

Waar woonde Pieter Bruegel de Oude dan wel in Brussel?

Wellicht verhuisde Pieter Bruegel de Oude in augustus 1563 van Antwerpen naar Brussel, en niet in 1561 of 1562. Zijn woonplaats was niet in de Hoogstraat. Hij woonde niet ver van ‘het manneken pist’ en recht over de ‘bogaert’, het klooster van de bogaarden dat in de huidige bogaardenstraat stond.

Vandaag kan men van aan Manneke Pis het begin van de Bogaardenstraat zien. Op een plan van Brussel uit 1572 is het klooster getekend met een hof en boomgaard en met aan de overzijde enkele huizen, waaronder dat van Pieter Bruegel en zijn schoonfamilie.

Bruegel woonde dus niet in de Hoogstraat, maar aan de andere kant van de Kapellekerk.

(bron: http://www.tento.be – Openbaar Kunstbezit Vlaanderen)

Les Halles de Saint-Géry

L’église Saint-Géry qui s’élevait au centre des îles formées par les bras de la Senne accueillit les reliques de sainte Gudule avant qu’elles soient transférées, au milieu du XIe siècle, dans la future cathédrale qui porte aujourd’hui son nom. L’édifice gothique de la fin du Moyen Age fut démoli entre 1798 et 1801, sous le Régime français.

obelisk3

À son emplacement, la Ville fit aménager une place publique au centre de laquelle fut érigée en 1802 une fontaine pyramidale datant de 1767 et provenant de la cour principale de l’abbaye de Grimbergen. Cette place accueillit plusieurs marchés.

1881 vit le début de la construction des Halles, œuvre de l’architecte A. Vanderheggen Elles furent inaugurées en 1882 et abritaient alors quatre rangées de doubles étals et un comptoir de vente.

Le marché Saint-Géry continua ses activités de nombreuses années, mais délaissé de plus en plus par les commerçants après la seconde guerre mondiale, il fut finalement fermé le 28 février 1977.

Remarquable témoin de l’architecture des marchés couverts alliant un extérieur de style néo-renaissant flamand et un intérieur faisant appel aux techniques de l’ossature métallique, il compte aujourd’hui au nombre des édifices classés de la région bruxelloise depuis le 21 janvier 1987.

Depuis avril 1999, les Halles Saint-Géry accueillent un centre d’information et d’exposition consacré au patrimoine et au cadre de vie des Bruxellois, placé sous l’égide de la Région de Bruxelles-Capitale.

Jodentrap

In de veertiende eeuw vroegen de hertogen van Brabant aan de joden om handel te komen drijven aan de huidige Kunstberg. Daar ontstond een Joodse wijk met vier Jodentrappen en een Jodenberg. Vandaag is er nog één jodentrap over.

sam_0373-1

Op Goede Vrijdag 1370 zou men in de Synagoge van de wijk gestolen hosties met een dolk doorboord hebben zodat er bloed uitvloeide. Die profanatie kostte het leven aan zes Joodse families: ze werden beschuldigd van diefstal en profanatie en werden op de brandstapel gezet. Hun bezittingen werden verbeurd verklaard.

Hun schuld werd nooit bewezen: de legende van het heilig sacrament stamt dan ook niet alleen uit Brussel. Maar voor de katholieken waren de bloedende hosties een mirakel dat de terechtstelling legitimeerde. Nochtans is er een wetenschappelijke verklaring voor de verkleuring van de hosties: als ongedesemd brood in vochtige omstandigheden bewaard wordt, verschijnt er na een tijd een roodachtige schimmel: het bloed van Christus.

Een glasraam in de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele herinnert ons aan die antisemitische vervolging.

Tussen Bozar en Old England vind je de Ravensteinstraat, die in 1853 genoemd werd naar het huis van de Bourgondische familie Van Cleef-Ravenstein. De straat zoals we ze vandaag kennen, dateert van het begin van deze eeuw. Vroeger was ze veel smaller en slechts half zo lang toen ze van de Hofberg tot de Terarkenstraat liep, waar ze eindigde op een reeks trappen.

De overblijvende trap was de meest oostelijke van de vier zogenaamde Jodentrappen die in de 12de-13de eeuw door de Joodse bewoners in de noordflank van de Koudenberg werden uitgegraven en die ze ook bewoonden tot de jodenvervolging van 1370.

Later namen adellijke families er hun intrek. De huidige benaming kwam er in de 18de eeuw en verwijst naar de hertog van Villa Hermosa, gouverneur-generaal van de Nederlanden in 1675-1681, maar vermoedelijk afgeleid van een uithangbord. De oostzijde werd vanouds ingenomen door het voormalige Hof van Hoogstraten, met een teruggaand tot de 14de eeuw. Een ander ruim herenhuis op de westelijke hoek met Terarken werd in 1834 in loten verkocht. De straat werd een (doodlopende) gang na het optrekken van het Paleis van Schone Kunsten in de Ravensteinstraat.

Elisabethpark

Op de grens van de gemeenten Koekelberg en Ganshoren openen de boomrijke lanen van het Elisabethpark een van de verste en mooiste uitzichten op Brussel. Dat vergezicht loopt van de Basiliek van Koekelberg tot aan de Kruidtuin, langs de beroemde Leopold II-laan.

basilica-from-elisabeth

Een vleugje geschiedenis

Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw had Koekelberg twee verschillende gezichten: in de benedenstad was een groot aantal bedrijven gevestigd, omringd met werkmanswoningen in soms gore straatjes en steegjes. De bovenstad was nog halflandelijk, met een molen, moestuintjes, beken en enkele mooie burgerhuizen op het plateau dat over Brussel torent. De verstedelijking ervan maakte deel uit van de plannen van Leopold II om de hoofdstad een fraaier uitzicht te geven. Victor Besme kreeg als auteur van het ‘Samenvattend plan voor de uitbreiding en verfraaiing van de Brusselse agglomeratie’ de opdracht toegewezen. Hij bouwde voort op de idee om de Antwerpse laan in noordelijke richting door te trekken en stelde de aanleg voor van een grote verkeersas die het plateau van Koekelberg verbond met de stad Brussel (de latere Leopold II-laan). De gemeenteraad keurde zijn voorstel in 1868 goed. De Grondmaatschappij van de Koninklijke Wijk Koekelberg werd belast met de financiering van de werken en de verkaveling. Ze verbond zich ertoe om een deel van de vele hectaren gratis af te staan aan de gemeente voor de aanleg van een openbaar park langs de nieuwe laan. De werkzaamheden, die in het begin gehinderd werden door het faillissement van de Grondmaatschappij, duurden van 1870 tot 1891. Ze resulteerden in de aanleg van het Elisabethpark en alle lanen die het momenteel omringen (Leopold II-laan, Keiser Karellaan, Pantheonlaan, ’s Landsroemlaan, Onafhankelijheidslaan, Vrijheidslaan, Grondwetlaan). Met het oog op de viering van de vijftigste verjaardag van het land, stelde de koning in 1878 voor om op het plateau van Koekelberg een eretempel te bouwen voor de nationale helden. Hij vond dat met het mooie uitzicht over de geplande Leopold II-laan een uitstekende ligging. Niet iedereen was het eens met dat voorstel en men slaagde er ook niet in om de nodige fondsen bij elkaar te brengen. Daarom werd het plan uiteindelijk afgevoerd. Het terrein dat voorzien was voor het monument, werd in 1903 verkocht aan de katholieke kerk omdat de koning nu met een nieuw idee speelde: de bouw van een nationale basiliek, toegewijd aan het Heilig Hart van Christus. Op het einde van de jaren vijftig, werd het Elisabethpark in tweeën gesneden voor de doortocht van de snelle stadsverbindingsweg die de bezoekers naar de Wereldtentoonstelling in 1958 moest leiden. Later zorgde die weg voor het drukke verkeer tussen het Rogierplein en de Basiliek. De aanleg in 1985 van de Leopold II-tunnel (die het verkeer weghaalde van de afschuwelijke viaduct die de laan ontsierde) maakte het mogelijk om de centrale laan opnieuw aan te leggen. Die hervond al snel zijn roeping als laan voor wandeling en ontspanning.

Een lang wandelpad

Het Elisabethpark is een klassiek historisch park in dezelfde geest als het Jubelpark. Een centrale laan vormt de ruggengraat van deze grote en kaarsrechte wandellaan. Ze bestaat uit een met gras begroeide middenberm, omzoomd door twee rijen bomen die de letter ‘L’ van Leopold vormen, het monogram van de koning. Aan beide zijden liggen grasperken met kronkelende paden, boomgroepen en struiken. Aan het einde ervan wordt de rand van de lanen omzoomd door verschillende rijen bomen (een soort dreef). De geometrische strakheid, ja zelfs de strengheid, van de lange hoofdlanen van het park wordt doorbroken door de bochten die de laterale paden, gras- en bloemperken erin tekenen. Een speeltuin, een sportveld, een oude muziekkiosk, een paviljoen en zitbanken zorgen voor de sociale en recreatieve functies van het park. De manier waarop het park is aangelegd (in de eerste plaats de grote met gras begroeide middenberm) heeft als gevolg dat het elk jaar weer het podium is voor heel wat manifestaties. De omgeving van de Basiliek is aangeplant met struiken en grasperken. Rododendrons en lindebomen versieren de kooromgang aan de achterkant van de kerk.

Monumenten en beeldhouwwerken

De Basiliek van het Heilig Hart van Brussel of Basiliek van Koekelberg

Op 12 oktober 1905 legde Leopold II in Koekelberg de eerste steen van een basiliek die groter wilde zijn dan de Sacré-Coeur in Parijs. Architect Pierre Langerock ontwierp een enorm neogotisch gebouw. De kost voor de bouwwerken, de dood van de koning die de constructie deels wou financieren met inkomsten uit Congo, en daarna de oorlogsverklaring in 1914, maakten een einde aan de bouwwerken die amper begonnen waren. De werken werden in 1926 hervat, dit keer met de realistischer plannen van Albert Van Huffel. Zijn basiliek inspireerde zich op de neobyzantijnse stijl, maar ook op die van het Bauhaus en de Deutscher Werkbund. Hij gebruikte gewapend beton, bekleed met steen en terracotta. De basiliek werd in 1951 gewijd, hoewel de bouwwerken pas in 1970 werden voltooid. De architect was intussen overleden en werd vervangen door zijn medewerker Paul Rome. De basiliek van Koekelberg werd gefinancierd met subsidies van de Belgische Staat als aanvulling op privégiften. Ze is een van de grootste kerken op de wereld.

 

De Kiosk

kioskNiet ver van het kruispunt van de ’s Landsroemlaan en de Jettelaan staat de muziekkiosk die herinnert aan de tijden toen op zon- en feestdagen verschillende muziekmaatschappijen voorstellingen gaven in het park. De stenen basis is bedekt met kleine mozaïeksteentjes. Het bovenwerk is van hout.

 

Een zitbank voor twee (1996)

De uit Polen afkomstige Halinka Jakubowska (1952) woont nu in Luik. Haar ‘zitbank voor twee’ in blauwe hardsteen kreeg de eerste prijs in de beeldhouwwedstrijd 1996 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo kwam haar kunstwerk het jaar daarop in het Elisabethpark. Het kunstwerk is deels mat of gepolijst, deels onbewerkt of gegroefd, en roept een gevoel van evenwicht en harmonie op. De kunstenares werkte ook in andere werken rond het thema van de bank voor geliefden. Dat thema uit zich hier in een andere relatie: die tussen de mens en een spirituele entiteit. De basiliek staat immers vlakbij …

Avis de Mairie de Bruxelles

Na de slag bij Waterloo (18 juni 1815) bleven duizenden gewonden achter op het slagveld… Van Rode Kruis of georganiseerde hulpverlening was geen sprake. Plunderaars graaiden alles mee wat ze konden… Intussen lagen de gewonden te wachten op hulp.

avis Toenmalig burgemeester Joseph van der Linden d’Hooghvorst riep alle Brusselaars op om zich spoorslags naar het slagveld te reppen en gewonden op te halen en te verzorgen. “En de gene van vaartuygen voorsien zyn zonder Peerden ofte van Peerden sonder Voituren, worden ook versogt de zelve aan de Mairie aentekondigen om daar van in de ongelukige gevallen gebruykt te maeken. Brussel, den 20 Juny 1815.” 

Naar schatting vielen op het slagveld meer dan 50.000 slachtoffers.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑