Zoeken

Discover Brussels – Brussel Ontdekken – Découvrez Bruxelles

Discover Brussels the way you want – Découvrez Bruxelles la façon dont vous voulez – Ontdek Brussel zoals jij het wil

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten

In de Zuidstraat staat de Académie Royale des Beaux-Arts, een instelling van het kunstonderwijs van de Franse Gemeenschap oftewel Fédération Wallonie-Bruxelles. Er wordt lesgegeven op het niveau van het secundair en het hoger onderwijs.

KASK-1935De geschiedenis ervan gaat terug tot in het begin van de 18de eeuw. In 1711 gaf het stadsbestuur aan gilden de toestemming om tekenles te geven in een aantal kamers van het stadhuis. Na onenigheid verhuisden de lessen na een herberg.

Het was Karel van Lotharingen die de academie in 1762 opnieuw tot leven wekte door de school zijn ‘hoge bescherming’ te verlenen. In 1768 werd het de Académie de Peinture, Sculpture et Architecture. Na de inval van de Fransen werd de school opnieuw gesloten tot in 1800.

Na de Belgische onafhankelijkheid kreeg de academie het voorzetsel ‘Koninklijk’ en vond het onderdak in het voormalige Granvellepaleis in de huidige Stuiverstraat en in de kelders van het Nijverheidspaleis, waar vandaag het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten gevestigd is.

De academie betrekt de huidige gebouwen sinds 1876. Architect Pierre-Victor Jamaer paste het voormalige Bogaardenklooster en weeshuis aan voor de onderwijsactiviteiten. Op de gevel ontdekken we de letters S.P.Q.B., een devies dat refereert aan het Romeinse S.P.Q.R. en dat we terugvinden in wapenschilden en -spreuken van verschillende steden (o.m. Brugge). In het geval hier refereert het zowel naar het grootse verleden van Brussel (Senatus Populusque Bruocsella) als naar het streven van de jonge Belgische 19de eeuwse natie (Senatus Populusque Belgicus) om een plaats te veroveren op de wereldkaart. 

De leiding van de school was in handen van o.m. Victor Horta en Paul Delvaux. Koekelbergse beeldhouwers Eugène Simonis en Charles Stepman gaven er les. Bekende leerlingen waren onder andere Vincent van Gogh, James Ensor, Paul Delvaux, René Margritte, Constantin Meunier, Rik Wouters, Rik Poot en vele anderen. Sommigen studeerden er af, anderen vonden dat hun leraren er niets van bakten…

Egmont en Horn

Egmont_en_Van_Hoorn_001

Op 5 juni 2018 is het precies 500 jaar geleden dat de graven Egmont en Horn onthoofd werden op de Brussels Grote Markt.

 

Lamoraal, graaf van Egmont, prins van Gavere, is geboren op het kasteel Lahamaide in Henegouwen. Hij stamt uit een van de rijkste en invloedrijkste families in de Nederlanden, voortgekomen uit de ‘advocati’ of voogden van de abdij van Egmond. Hij was de zoon van Jan IV van Egmont en Françoise van Luxemburg. Tijdens zijn jeugd kreeg hij een militaire opleiding in Spanje. Aan het eind van de 3e Gelderse successieoorlog (1543) verwoestte Lamoraal de toen Gelderse stad Düren. Door de stad in brand te laten steken en een groot deel van de inwoners te vermoorden stelde hij een voorbeeld, waarna andere Gelderse steden zich overgaven. Egmont was sinds 1544 ridder van het Gulden Vlies. Hij nam dienst in het Spaanse leger, werd in 1559 benoemd tot stadhouder van de graafschappen Vlaanderen en Artesië. Hij maakte deel uit van de Raad van State. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Horn verzette hij zich tegen kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, die de inquisitie invoerde in Vlaanderen. Na het vertrek van Granvelle in 1564 verzoende Egmont zich opnieuw met de koning.

Filips II van Montmorency of graaf van Horn was een krijgs- en staatsman in de Habsburgse Nederlanden vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog. De naam “Horne” of “Hoorne” verwijst naar het graafschap Horn, dat zijn naam ontleent aan het Limburgse dorp Horn, waar nog altijd het stamkasteel van de graven van Horn staat. Hij was de zoon van Jozef van Montmorency, graaf van Nevele. Filips was page, later kamerheer aan het hof van keizer Karel V. Zijn leven vertoont grote overeenkomsten met dat van zijn vriend graaf Lamoraal van Egmont. Graaf Horn was oorspronkelijk legeraanvoerder van het Leger van Vlaanderen. Hij werd in 1555 stadhouder van Gelre, in 1556 ridder van het Gulden Vlies en in 1561 lid van de Raad van State. In de Raad van State kwam hij met Willem van Oranje en de graaf van Egmont in opstand tegen het beleid van de kardinaal Antoine Perrenot Granvelle. Na diens afzetting bleef hij zich verzetten tegen de Spaanse heerser: als protest leverde hij zijn insignes van het Gulden Vlies in. Hij stond de calvinisten bij te Doornik, hetgeen later een van de aanklachten tegen hem zou vormen.

Hij is zijn hele leven overtuigd katholiek gebleven. Maar door zijn gedoogbeleid jegens de protestanten en zijn regelmatige afwezigheid, groeide Weert onder zijn bewind uit tot een bolwerk van de Reformatie.

Toen de founding fathers van het jonge België op zoek gingen naar een geschiedenis werden Egmont en Horn opgenomen in het pantheon van Belgische Helden. Op voorstel van minister van Binnenlandse Zaken Charles Rogier liet burgemeester Jules Anspach in 1864 hun standbeeld plaatsen op de Grote Markt, net voor de trappen van het Broodhuis. Dat liep niet van een leien dakje. In een stevige polemiek verweten de tegenstanders van de Katholieke Partij dat Egmont onvoldoende de godsdienstvrijheid had verdedigd en ontrouw geweest was aan koning Filips II. De liberale voorstanders vonden hem net daarom een held in wie de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid sterk zo aanwezig was dat hij zich tot het einde verzette tegen de Spaanse dwingelandij. Voor de katholieken was het standbeeld van Egmont en Horn een hulde aan landverraders, voor de liberalen een hulde aan de slachtoffers van het absolutisme en de Spaanse repressie.

Burgemeester Karel Buls maakte van de verbouwingen van de Grote Markt gebruik om het beeld te verplaatsen en een aantal beelden van geuzen te installeren op de rechtervleugel van het stadhuis, onder wie Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.

In 1879 besliste de gemeenteraad om het standbeeld te verplaatsen naar de Kleine Zavel, omringd door 10 tijdgenoten die een belangrijke rol speelden op politiek of maatschappelijk vlak. De beelden werden op 20 juli 1890 onthuld:

1. Willem de Zwijger, prins van Oranje (1533-1584), als leider van de opstand der Nederlanden tegen Spanje onder koning Filips II.

2. Lodewijk van Bodegem (ca.1470-1540), bouwmeester, betrokken bij de aanleg van het oorspronkelijke Brusselse Broodhuis.

3. Hendrik van Brederode (1531-1568), incarneert met De Zwijger en Marnix van Sint-Aldegonde het vaderlandsgezinde verzet tegen de dwingelandij. Hij overhandigde Margaretha van Parma het smeekschrift der Edelen van het Eedverbond der Edelen en stelde voor om de spotnaam van geuzen als erenaam aan te nemen: Fidèles au roi jusques à porter la besace (trouw aan de koning tot het dragen van de bedelnap toe).

4. Cornelis Floris De Vriendt (1518-1578), beeldhouwer en bouwmeester.

5. Rembert Dodoens (1518-1585), botanicus, geneesheer en hoogleraar aan de Universiteit van Leiden.

6. Gerardus Mercator (1512-1594).

7. Jan van Locquenghien (1518-1574), burgemeester en Amman van Brussel, betrokken bij de aanleg van het kanaal van Willebroek.

8. Bernard van Orley (1492-1542), Brusselse Renaissance schilder.

9. Abraham Ortelius (1527-1598), geograaf van de eerste atlas van de wereld.

10. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde (1538-1598), diplomaat, schrijver, filosoof, voorvechter van de vrijheid van denken. Indien De Zwijger het hoofd en de arm voorstelt van de omslachtige onderneming die de strijd tegen Spanje was, dan stond Marnix voor de ziel en de gedachte.

In het plantsoen is de politieke visie van de toenmalige machthebbers duidelijk aanwezig. De opstand tegen de centrale Spaanse absolutistische overheersing begon bij het volk (met de Wederdopers), gevolgd door de verarmde adel, dan de rijke adel (Luthers), en na de bloedige repressie van Alva de ambachten en het volk met de geuzenrepubliek (Calvinisme).

Vooral de leiders van de tweede fase kregen hun beelden. De Brusselse geuzenrepubliek krijgt er geen, net als de Wederdopers.

Wel kregen 48 gilden of ambachten een afbeelding: de Vier Ghecroonden (metsers, steenkappers, beeldhouwers en leidekkers, Wapensmeden, Helmmakers en Zwaardvegers; Tinslagers-Loodgieters; Lei- of Pannendekkers; Blekers; Ketelmakers of Koperslagers en Bronsgieters; Stoeldraaiers, Mandenmakers, Stucwerkers en Rietdekkers; Hoedenmakers, Volders en Brandewijnstokers; Huidevetters of Leerlooiers; Stoelenmakers in Spaans leer en Pruikenmakers; Haakbusdragers of Geweermakers; Schoenlappers; Zoetwatervisverkopers; Schoenmakers; Lakenscheerders en –koopmannen; Wolververs; Gordelsnijders en Speldenmakers; Garen- en Brandverkopers; Smeden; Vlasbewerkers en Lijnwaadhandelaars; Uitdragers of Oude Kleerkopers; Timmerlieden; Schippers; Wolwevers en –handelaars; Kleermakers; Zadel- en Wagenmakers; Groenten- en Fruithandelaars; Schilders, Goudslagers en Glazeniers; Sloten- en Uurwerkmakers; Wijnhandelaars; Stoffenhandelaars en Kousenmakers; Barbiers en Chirurgijnen; Houthakkers en Boomzagers; Messenmakers; Tonnenmakers of Kuipers; Borduurders en Bontwerkers; Schrijnwerkers; Galonmakers of Passementwerkers; Edelsmeden; Vettewariërs of handelaars in zuivel en gevogelte; Handschoenmakers; Vergulders; Molenaars; Handelaars in gepekelde vis; Slagers;Tapijtwevers; Brouwers; Bakkers.

De selectiviteit van het liberale stadsbestuur had ongetwijfeld te maken met de opkomst van het socialisme. Hun voorlopers in Brussel waren de Wederdopers en de republikeinen. Bovendien waren de liberalen na de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht hun absolute meerderheid kwijt in de Brusselse gemeenteraad. Karel Buls meende dat “de socialisten stellen het collectivisme voor als de combinatie tussen een duizendjarige communistische droom, anarchisme, brood, vrije liefde en een aards paradijs”. En dat is wat de Wederdopers werd verweten.

In de 16de eeuw maakten de Nederlanden deel uit van het Spaanse wereldrijk van Keizer Karel V. Na zijn aftreden in 1555 werd zijn zoon Filips II de opvolger. Filips II zou de doelstellingen van zijn vader om religieuze en politieke uniformiteit na te streven meedogenloos verderzetten. De politieke oppositie en het protestantisme werden met harde hand bestreden.

De adel boette aan politieke invloed in ten voordele van een bureaucratisch en centralistisch regime uitgevoerd door technocraten en juristen van de absolutistische vorst. De bepalingen van zijn vader tegenover de protestanten gingen voort: afwijkende religieuze meningen werden niet geduld.

granvelle_2.jpgNa zijn vertrek naar Spanje werd de politiek uitgevoerd door Antoine Perrenot de Granvelle, een man van de harde lijn. In 1561 werd hij aangesteld als kardinaal-aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen. Hij vond dat de roerige provincies een lesje geleerd moest worden tijdens de Tachtigjarig Oorlog. Nederlandse geschiedschrijvers stelden Granvelle tegenover Willem van Oranje. Hij werd omschreven als “listigen, wreeden, laaghartichen aanhanger der Spaanse tiranij”. Later werd dat genunaceerd…

De oppositie werd vooral gevoerd door hoge edelen: militaire gouverneurs of stadshouders, vaak medewerkers van voormalig Keizer Karel of van koning Filips II. Zowel de keizer als de koning hadden geprobeerd om de hoge adel aan hen te binden door hen op te nemen in de Orde van het Gulden Vlies en de Raad van State. Er bestond echter ook een Geheime Raad en een Raad van Financiën waar de echte beslissingen genomen werden, voorbereid door technocraten, ambtenaren en juristen.

1563 wordt het jaar van de revolte tegen kardinaal Granvelle, het symbool van het regime en de repressie. Rederijker baron Gaspar Schitzt gaf in Brussel een diner waarbij de aanwezigen een zich tooiden met monninkskappen en paarse zotskappen. Paars was de kleur van de kardinaal. De Brussels burgers vonden dat leuk en begonnen overal hun deuren te versieren met dergelijke monniks- en zotskappen. De graaf van Egmont speelde eveneens het spelletje mee. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Hoorne vormt hij een driemanschap dat een brief stuurt naar koning Filips II: ofwel vertrekt Granvelle, ofwel nemen zij ontslag uit de Raad van State. Granvelle verliet in 1564 de Nederlanden.

willem van oranjeOndertussen radicaliseert het volk en vraagt het uitdrukkelijk aan Willem van Oranje om voor het calvinisme te kiezen door briefjes over de poort van zijn stadspaleis op de Koudenberg te gooien. Ondertussen was Filips Marnix van Sint-Aldegonde – die eveneens in Brussel woonde – al calvinist geworden.

In augustus 1566 breekt de Beeldenstorm uit in Zuidwest-Vlaanderen en verspreidt zich over de Nederlanden. In Brussel is hiervan in het begin niet veel te merken. Er zijn de ‘hagepreken’ en het protestantisme heeft zijn weg gevonden naar het gewone volk, dat net buiten de stadswallen bijeenkomt: Roodebeek, Josafatvallei… Bruegel, die in die periode in Brussel komt wonen, schildert de ‘hagepreken’.

De adel komt eveneens in beweging. Sinds de dood van Karel V is Brussel niet langer het financiële en politieke machtscentrum. De macht verschuift naar Spanje en zelfs Willem van Oranje moet inbinden. De hoge edelen – onder wie Willem van Oranje, Egmont, Horn en Brederode – waren niet zozeer gekant tegen de centralisatiepolitiek, maar vooral die tegen de bureaucratisering en technocratisering, waarbij zij nog enkel een adviserende, maar geen beslissende rol meer hadden.

De meeste edellieden hadden een optrekje in Brussel, ofwel in de buurt van het paleis op de Koudenberg, ofwel langs de straat die van het paleis naar de Paardenmarkt (nu Zavel) liep, die toen de Herenstraat heette (nu Karmelietenstraat en Wolstraat): Egmont bezat er het Egmontpaleis, Culemborg had een paleis waar nu de Albertkazerne is en Brederode verbleef op het huidige Poelaertplein (rechtover de Galgenberg).

Maar 1566 was vooral een hongerjaar. Er waren niet alleen misoogsten, maar er was vooral veel speculatie. De Zuidelijke Nederlanden importeerden graan uit de Baltische staten en uit het Noorden. Dat arriveerde via Amsterdam en Antwerpen. De graanhandelaren gebruikten de misoogst om woekerprijzen te vragen. Zo had de firma Pauwels van Dale in Antwerpen zoveel graan gestockeerd dat de zolder in elkaar zakte en het graan tot op straat stroomde, met oproer als gevolg.

Kardinaal Granvelle begreep er niets van. Hij vraagt zich af waarom het graan in de Nederlanden zo duur blijft. Maar de hongersnood blijft aanhouden. In een rapport over Brussel schrijft hij: “Wij hebben hier onder een vreselijke duurte van het graan te lijden, die met de dag erger wordt. Ik weet niet hoe wij het gemene volk in bedwang zullen houden… God moge ons voor een groot oproer beschermen! Wanneer het volk eenmaal opstaat, zal het, vrees ik, de godsdienst erin gaan betrekken.”

Ook Willem van Oranje vreesde dit en vroeg daarom op 24 januari 1566 aan de landvoogdes om de religieuze repressie te milderen: “De tijd schijnt mij slecht gekozen om de gedachten en gevoelens van het volk nog meer te prikkelen, dat toch al door de huidige schaarste en duurte van het graan meer dan genoeg is opgewonden en verontrust.”

Zelfs adel verarmt zienderogen. Willem van Oranje, de rijkste man van de Nederlanden, moet inbinden. Waar de kosten van zijn Brussels paleis vroeger 52.000 gulden per jaar bedroegen (160 personeelsleden), moet hij die terugbrengen tot ‘nog slechts’ 24.000 gulden (500x het jaarinkomen van een timmerman). Later zal hij in zijn apologie zijn motivatie voor de opstand zo samenvatten: “Voor de eer van God, de uitbreiding en de planting van zijn woord en het herstel van de welstand van het land.” Uiteraard vooral zijn welstand. Zijn welstand, die van de hoge adel en die van de graankooplui, werd bedreigt door een volksopstand.

In de zomer van 1565 is er in het kuuroord Spa overleg tussen vertegenwoordigers van de calvinistische kerkraden en Jan van Marnix van Sint-Aldegonde (broer van Marnix), Lodewijk van Nassau (broer van Willem), om een putsch te ondernemen en zo zelf hervormingen door te voeren. In april 1566 worden abdijen in Brabant geplunderd. Tijd om zelf, eventueel i.s.m. de rijkste laag van de handelsburgerij, het heft in handen te nemen. Maar Oranje en Egmont vrezen de reactie van het volk en Oranje komt met een nieuw plan. Het Verbond der Edelen zal een smeekbede opstellen en dat moet de landvoogdes ervan overtuigen dat een deel van de adel zich bij de oppositie heeft aangesloten. Het wordt psychologische oorlogsvoering, geen putsch. Filips van Marnix van Sint-Aldegonde verwoordt het zo: “En zij die te voren, in afwachting van het treurige juk der tyrannieke inquisitie, besloten hadden een wanhoopsdaad te begaan en alles op het spel te zetten, voelden zich als uit de doden opgestaan en waren nu van vreedzamer gedachten vervuld.”

Het Verbond der Edelen kondigde begin april aan dat al zijn leden in volle oorlogsuitrusting naar Brussel zouden komen om gezamenlijk een klaagschrift te overhandigen. De landvoogdes was ontsteld en paniekerig. Vier- tot vijfhonderd edellieden, waarvan het merendeel met een groot gevolg, dat betekende een klein leger in Brussel. Er volgden onderhandelingen. Het Verbond bond in. Het zou maar een delegatie worden van kleine adel en slechts lichtbewapend. Blijkbaar bleef de adel loyaal en delandvoogdes haalde opnieuw adem. Oranje had morele druk onderschat. Het spel was op voorhand verloren.

Brederode trekt op 3 april 1566 ’s avonds met 200 ruiters Brussel binnen: allemaal edellieden, het pistool aan de gordel. Ze stallen hun paarden voor het Hof van Nassau, het huis van Willem van Oranje (nu Koninklijke Bibliotheek). Ze gaan akkoord over een gezamenlijke tekst: het Eedverbond der Edelen. Ze trekken naar het paleis op de Koudenberg: Willem van Oranje, Egmon en Hoorne zijn er niet bij. M.a.w. de hogere adel geeft verstek. Zij hebben veel te verliezen: hun positie én hun fortuin.

De raadgevers van de landvoogdes zijn niet onder de indruk: het zijn maar ‘bedelaars’, des geux.

De naam ‘geuzen’ was een verwijzing naar hun financiële situatie, hun schulden. Ze zijn adelijke bedelaars. Maar het gewone volk denkt dat de adel hun kant gekozen heeft.

Tijdens een banket verbroederen Egmont, Horn en Willem van Oranje. De gewapende opstand van de adel verdwijnt naar de achtergrond. De landvoogdes zou haar reactie op het smeekschrift overmaken op 18 augustus 1566 in aanwezigheid van de ridders van het Gulden Vlies en van het Verbond der Edelen. Maar op 10 augustus breekt de Beeldenstorm uit in West-Vlaanderen. Het is de bedoeling om de bijeenkomst in Brussel onder druk te zetten. Ook in Brussel breken onlusten uit.

Onder impuls van Egmont, Horn en Willem van Oranje doet de landvoogdes toegevingen: de plakkaten tegen de ketters worden opgeschort en de protestantse predikers worden (beperkt) toegelaten. Het driemanschap vreesde de gewapende opstand van het volk.

Het doek valt over de revolutie…

In oktober 1566 komen Willem van Oranje, Egmont, Horn en nog enkele anderen bijeen in Dendermonde om te spreken over verder verzet. Egmont wil het verzet stoppen uit vrees voor een volksopstand…

Ondertussen had koning Filips II de hertog van Alva opdracht gegeven om orde op zaken te stellen in de Nederlanden. Alva denkt dat hij het gemakkelijk zal hebben: de adel is getemd, de boeren zijn geïsoleerd, alleen nog de stedelijke burgerij en het werkvolk met terreur hun kettersheid ontnemen.

AlvaAlva neemt in augustus 1567 zijn intrek in het huis op de hoek van de Naamsestraat en de Herenstraat (nu Karmelietenstraat). Hij installeert de Raad van Beroerte of de Bloedraad en onteigent het Hof van Nassau, het stadspaleis van Willem van Oranje… De repressie start.

Eerst moet de adel het ondervinden omdat het in opstand gekomen: op 1 juni 1568 worden 19 edelen onthoofd op de Paardenmarkt (Zavel). Vier dagen later is het de beurt aan Egmont en Horn. Zij sympathiseerden met het Eedverbond, maar ondertekenden de smeekbede niet… Maar in Spanje was men niet vergeten dat beide graven, samen met Willem van Oranje, aan de basis lagen van het ontslag van kardinaal Granvelle. Alva nodigde Egmont en Horn uit op een diner, maar daarna worden ze aangehouden. Na een schijnproces, waarin hen onder meer verweten werd geageerd te hebben tegen Granvelle en het protestantisme en het Eedverbond te steunen, worden ze ter dood veroordeeld. Ze worden opgesloten in het Broodhuis op de Grote Markt. Na hun executie worden hun hoofden op staken gestoken en nadien – via Thurn en Taxis – worden ze verstuurd naar Madrid.

Nadien mag de bevolking het uitzweten.

Op piekmomenten worden tot 500 burgers gearresteerd. In heel de Nederlanden worden ongeveer 8000 mensen geëxecuteerd.

Vanaf 1569 voert Alva nieuwe belastingen in: de 100ste, de 20ste en de 10de Penning. Het verzet wordt groter: ongeveer overal is er verzet tegen de 10de Penning, maar het hevigst en het langst in Brussel. De nieuwe belastingen zijn eigenlijk een radicale aanval op de burgerlijke vrijheden: met de 10de Penning bepaalt de vorst voortaan zijn eigen dotatie, zonder inspraak van de Staten-Generaal.

Het protest in Brussel neemt grote proporties aan: bij weigering worden winkels gesloten, beroepsgroepen worden geviseerd, de Vleeshal sluit, de brouwers worden aangepakt, er breken stakingen uit… De onrusten duren tot ver in de jaren 70 van de 16de eeuw met als apotheose een eerste echte Brusselse geuzenrepubliek.

Bronnen:

“Brussel, van Renaissance tot Republiek”, Lucas Catherine, EPO/Berchem, 2014

– “De Graven Egmont en Horn : Slachtoffers van de politiek repressie in de Spaanse Nederlanden”, Gustaaf Janssens, Museum van de Stad Brussel, 2003

Wikipedia

Sint-Jan-de-Doperkerk in Sint-Jans-Molenbeek

Deze art-decokerk dateert van de periode 1931-1932. Het gebouw werd opgetrokken in gewapend beton en ontworpen door archtitect wast Joseph Diongre, een overtuigd atheïst en socialist die onder meer het Flageygebouw, het gemeentehuis van Sint-Lambrechts-Woluwe en een hele woonwijk in Molenbeek ontwierp. De kerk laat de mensen denken aan een moskee. Misschien was dat het aantrekkingspunt om de Marokkaanse gemeenschap naar Molenbeek te lokken?

145_edifice_photo

Voorheen stond de oude kerk meer op het plein, met daarrond een kerkhof. In de tijd van de Kelten was er in de nabijheid van bron, toegewijd aan Freya, de godin van de vruchtbaarheid. De christenen bouwden er een kapel doopten haar rond 900 Sint-Geertrui, de dochter van de stichtster van de Abdij van Nijvel, van wie de Molenbeekse nederzetting afhing. Op zegels en andere afbeeldingen prijst Sint-Geertrui het heilzame water uit haar putten aan met beker in de hand. Het werd op akkers gesprenkeld om ongedierte te verdrijven en aan pelgrims aangeboden om genezing te bieden. Molenbeek werd een etappeplaats op weg naar Santiago de Compostella. Bij hun vertrek kregen de pelgrims een “Sint-Geerte-minne” te drinken voor een behouden reis en terugkeer.

Tijl Uilenspiegel: een Brussels verhaal

De legende van Tijl Uilenspiegel verscheen wellicht voor het eerst in het begin van de 16de eeuw in het Hoogduits door Johann Grünninger uit Straatsburg. Een paar jaar later werd het uitgegeven door Jan van Droesborch uit Antwerpen.

Het verhaal speelde zich af in Duitsland. Tijl Uilenspiegel werd in 1300 geboren in Knellingen aan de Elm in Duitsland. In de eerste Nederlandse vertaling heette hij niet Tijl maar Claes. Tijl zag het niet zitten om een ambacht te leren en probeert in zijn levensonderhoud te voorzien door allerhande trucjes en listen uit te halen. Ondertussen reist hij door Duitsland: Braunschweig, Maagdenburg, Lübeck, Berlijn… en ook door andere landen. Zo komt hij ook in Antwerpen, Rome, Praag en Parijs. De sage eindigt met zijn dood rond 1350. Hij is begraven in het Duitse plaatsje Mölln: bij de Sint Nicolai kerk vindt men er een gedenksteen uit de 16de eeuw.

Honderdvijftig jaar geleden, in 1867, gaf Charles De Coster “la Légende d’Ulenspiegel’ uit. In 1869 kreeg het de titel “La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d’ Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs”.

TUIn het verhaal van De Coster wordt Tijl Uilenspiegel geboren in Damme op 21 mei 1527, niet toevallig dezelfde dag als de latere koning Filips II – de zoon van Keizer Karel V die het aan de stok kreeg met de Nederlanden.

Na een dispuut met de geestelijkheid moet Tijl op boetereis naar Rome. Bij zijn terugkeer is zijn vader, Klaas, gedood op de brandstapel. Dat verklaart waarom Uilenspiegels verhaal zich afspeelt in het Vlaanderen tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648). Samen met Lamme Goedzak en zijn vriendin en zoogzuster Nele verzet hij zich tegen de Spaanse overheersing.

Charles De Coster werd op 20 augustus 1827 geboren in München, waar zijn vader werkte als hofmeester van de apostolische nuntius bij het Beierse hof en zijn moeder als linnenvrouw. Vader De Coster was een Vlaming afkomstig uit Ieper, zijn moeder was Waalse uit Hoei.

In 1831 verhuisde het gezin naar Brussel. Kort nadien overleed zijn vader. De middelbare school volgde Charles aan het “Collège Saint Michel”. Niet te verwarren met het huidige Collège Saint-Michel in Etterbeek, lag het toenmalige college in Brussel: daar waar nu het Sint-Jan-Berchmanscollege is.

Tijdens die jezuïetenopleiding verliest de streng katholiek opgevoede De Coster zijn geloof. Kan het ook anders?

Na het middelbaar onderwijs gaat hij aan de slag bij de Société Générale. Hij voelt er zich als een vis op het droge. Zijn dromen liggen elders en in 1850 neemt hij ontslag om rechten te studeren aan de ULB. Hier ontwikkelt hij zijn democratische en antiklerikale ideeën. In 1855 verlaat hij de ULB met een kandidaatsdiploma in de Letteren. Een academische carrière was niet meteen voor hem weggelegd.

In 1847 richt hij met enkele vrienden de literaire kring “La Société des Joyeux” op. Aan de ULB was hij lid van de literaire kring Lothoclo. Hij werd sterk beïnvloed door Alfons Willems, medestichter van het “Nederduits Taalminnend Studentengenootschap Schild en Vriend”, wat later “Geen Taal, Geen Vrijheid” werd.

Tijdens zijn studententijd werkte hij onder meer als journalist en als letterkundige. Hij publiceerde in La Revue Nouvelle” het tijdschrift van de kring Lothoclo, in het in 1854 opgerichte La Revue Trimestrielle” en in het door Félicien Rops opgerichte satirisch en antiklerikaal tijdschrift “Uylenspiegel : journal des débats artistiques et littéraires”.

Tegelijk wordt hij verliefd op de vijf jaar jongere Elise. Zij is nogal nuchter en verstaat zijn romantische bevlogenheden en literaire ambities niet goed. Zij begrijpt echter maar al te goed dat haar ouders nooit zullen instemmen dat zij met een dromer zonder status trouwt. Hun relatie stopt definitief in 1858 na zeven jaar hoop, ontgoocheling, twisten en verzoening.

CharlesdeCosterIn 1860 gaat Charles De Coster aan de slag op het rijksarchief. Daar verzamelt hij alle materiaal voor “La légende d’Ulenspiegel”. Hij nam ontslag in 1864 om het werk klaar te krijgen voor de vijfjaarlijkse literatuurprijs van 1867. Het werk had niet het verhoopte succes. Daarom werd hij in 1870 leraar aan de Krijgsschool en studiebegeleider aan de Militaire School.

De Coster stierf straatarm en zo goed als vergeten in 1879. Het zou nog meer dan dertig jaar duren vooraleer zijn “La légende d’Ulenspiegel’”de erkenning zou krijgen dat het verdiend. Vandaag wordt het vrijwel overal beschouwd als een meesterwerk van de wereldliteratuur.

De vrijzinnige, Franstalige Brusselaar uit Elsene is voor Vlamingen vaak een wat omstreden figuur.

Tussen 21 oktober 1860 en 11 augustus 1861 was hij actief als politiek journalist. Onder het pseudoniem Karel, schrijft hij een zestigtal artikels over het imperialisme van Napoleon III, de eenmaking van Italië, het klerikalisme en de arbeidsproblematiek (L’aventure blanquiste de Charles De Coster). Tevens was hij sinds 1858 ingewijd als Vrijmetselaar bij “Les Vrais Amis de L’Union et du Progrès” van het Grootoosten van België. Dat zal ongetwijfeld meegespeeld hebben bij de ondermaatse waardering van “La légende d’Ulenspiegel”. De legende speelt zich af in Vlaanderen, maar werd in het Frans geschreven door een Brusselaar. Hij vertolkte een visie uit de negentiende eeuw om een nationale symboliek te creëren.

Vlamingen hadden met de “Leeuw van Vlaanderen” van Hendrik Conscience hun legende over het enige deel van België dat ooit deel had uitgemaakt van Frankrijk: La Flandre. De leeuw stond symbool voor de koning der Belgen.

Charles De Coster vond de symboliek voor de Brusselse identiteit eveneens in de Vlaamse culturele traditie: Tijl Uilenspiegel uit Damme, de verzetsheld tegen de Spaanse totalitaire overheerser. Als Brusselse telg van het Franstalig onderwijs vertolkte hij die nationale symboliek via de Frans-Belgische literatuur. Als Franstalige wil hij “een taal die haar herkomst niet zou verloochenen en die de draagster kan zijn van de symboliek van een in het Frans geschreven Vlaams epos dat de Belgische identiteit moest helpen versterken”. [Christian Berg, De Frans-Belgische literatuur en haar ‘Vlaamse school’ (1830-1880) p. 127] Het is erkenning van de Vlaamse cultuur die we in de negentiende eeuw (en begin van de twintigste eeuw) terugvinden bij verschillende Frans-Belgische auteurs, zoals Camille Lemonnier, Emile Verhaeren, Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck, Max Elskamp, Michel de Gelderode en zelfs Jacques Brel, maar die tot op vandaag niet gesmaakt wordt in mainstream leidende Vlaamse kringen…

Deze manier van denken was zelfs de Brusselse politiek niet vreemd in die tijd: Brussels burgemeester Charel Buls en zijn schoonbroer, Léon Vanderkindere, burgemeester van Ukkel – beiden Franstalige liberalen – zetten zich in voor de erkenning van het Nederlands in België. Zij waren zelfs lid van de Vlaamsgezinde vereniging “Vlamingen Vooruit”.

Op die manier is “La légende d’Ulenspiegel” een Franstalig huldebetoon aan Vlaanderen. Ongewoon was dat niet in die tijd: Franstalig België (ook in Vlaanderen) vond in het Vlaamse hét element om zich van Frankrijk te onderscheiden.

De Vlaamse ontvoogdingsstrijders hielden en houden het liever bij Hendrik Conscience en het symbool voor de koning der Belgen…

Charles De Coster overlijdt op 7 mei 1879 te Elsene, waar hij sinds 1831 woonde. Hij ligt er begraven. Op 22 Juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Elsene op het Eugère Flageyplein een gedenkteken ingehuldigd. 

Bronnen: Roel Jacobs; VUB (website: Charles De Coster); Consciencebibliotheek (website 150 jaar Uilenspiegel); schrijversgewijs.be

Een driehonderdjarige weduwe

M'In 2017 bestaat de Vrijmetselarij 300 jaar: in 1717 bundelen vier Londense werkplaatsen de krachten en richten de Grootloge van Londen op.

Zes jaar later schrijft James Anderson, een Schotse predikant, de grondregels in “The Old Charges”, een constitutie waarin een nieuw begrip geïntroduceerd wordt: godsdienstige verdraagzaamheid.

Paus Clemens XII veroordeelt in 1738 de Vrijmetselarij met de Bul. “In Eminenti Apostoli Specula”.

Op 16 januari 1833 ziet het Grootoosten van België het Licht: de oudste Obediëntie met meer dan honderd werkplaatsen. In 1912 werd in het Oosten Brussel de eerste Belgische loge “45 Egalité” van de gemende Obediëntie Le Droit Humain opgericht. In 1959 verlaten enkele loges het Grootoosten van België en om de Grootloge van België op te richten. De Vrouwengrootloge van België bestaat sinds 17 oktober 1981. De jongste is de Confederatie van Loges Lithos, sinds 11 november 2006.

Naast de adogmatische vrijmetslarij is er in België nog de Reguliere Grootloge. Zij stelt het geloof in een Opperwezen voorop.

De Vrijmetselarij stond onder meer aan de wieg van de eeuw van de Verlichting, van de Franse revolutie en inspireerde de eerste Verklaring van de Rechten van de Mens. In de negentiende eeuw oefende de Vrijmetselarij een grote invloed uit op het onderwijs en op de openbare ordening: Brussel is hiervan een levend voorbeeld. Tijdens de tweede wereldoorlog engageerden talrijke vrijmetselaars zich in het verzet. In de tweede helft van de twintigste eeuw ging de aandacht vooral uit naar ethische dossiers zoals abortus- en euthanasiewetgeving.

MAlhoewel de Vrijmetselarij een besloten vereniging is die discretie hoog in het vaandel draagt, bestaat het Belgisch museum voor de Vrijmetselarij. De tentoonstelling is thematisch en didactisch opgesteld om informatie verstrekken die aanleiding kan geven tot reflectie en de doelstellingen van de Vrijmetselarij probeert te verduidelijken.

De verzameling telt verscheidene voorwerpen die getuigen van een rijke symboliek: medailles, kentekens van de werkplaatsen, linten, juwelen, boeken, decors, … van de 18de eeuw tot vandaag.

Het museum bevindt zich in de Lakensestraat 73-75 te Brussel.

Karl Marx in Brussel / Karl Marx à Bruxelles

MarxBrs

Een gegidste wandeling (N/F) langs de plaatsen waar hij geschreven, vergaderd en… gedronken heeft.

Afspraak: zondag 7 mei 2017 om 10.00u op het Voorplein te Sint-Gillis

 

 

 

MarxBrs'Promenade guidée (F/N) par les lieux où  il a écrit, s’est réuni et… a bu.

Rendez-vous: dimanche, le 7 mai 2017 à 10.00h au Parvis de Saint-Gilles

 

Organisatie(on): Vonk/Révolution – Meer info/plus d’info: 0479/25.77.35

 

“De grondslagen voor de wereldrevolutie werden gelegd in het Brussel van de 19e eeuw.” Als we alle dappere strijders vanaf Spartacus er niet bij rekenen, kan deze lichtelijk overdreven uitspraak best wel gelden voor alles wat er na de 19e eeuw gebeurde. Niemand heeft sindsdien zo’n enorme politieke invloed nagelaten als Karl Marx, die na zijn uitwijzing uit Frankrijk als een opgejaagde balling met vrouw en kinderen uitweek naar Brussel.

Marx verbleef drie jaar in Brussel (1845-1848), woonde op zeven verschillende plaatsen, en werd vervolgens van staatswege uit op een wel heel ongelukkige wijze uit het land gezet. Deze periode in Belgenland kan zonder twijfel gerekend worden tot een van de vruchtbaarste periodes zowel van de filosofische als politieke activiteiten van Marx.

Welkom en niet-welkom in België

De aankomst van Marx in België was niet bepaald de aangename verwelkoming die men kan verwachten als buitenlandse gast. Nochtans schreef Marx als een brave man een brief naar koning Leopold I om toelating te vragen het koninkrijk België binnen te mogen:

“Sire, Ik ondergetekende, Karl Marx, doctor in de filosofie, 26 jaar oud, uit Trier in het Koninkrijk Pruisen, heb de intentie mij met vrouw en kind in de Staat van Uwe Majesteit te vestigen, en neem daarom de eerbiedige vrijheid U te smeken hem de toelating te bezorgen om zijn woonplaats in België te kiezen. Met de diepste eerbied voor Uwe Majesteit, verblijf ik Uw zeer nederige en zeer gehoorzame dienaar. Dr. Karl Marx.” (Briefwechsel I, p.265 en Studien p.217)

Marx was welkom in België. Maar deze brief gericht aan de koning gaf het startschot voor het Belgische Bestuur der Openbare Veiligheid om Marx’ wandelgang nauwlettend in het oog te houden. Met een voorafgaande algemene inleiding tot het leven en denken van Marx, geeft de auteur vanaf deze onaangename verwelkoming een indringend portret van de veelvuldige activiteiten die de intellectuele duizendpoot Marx in België zowel in woord als daad ondernam. Tijdens zijn verblijf in ons land schreef Marx in totaal zeshonderd bladzijden notities bijeen. Zo schreef hij ondermeer het Communistisch Manifest samen met zijn strijdmakker Friedrich Engels.

Belgische misère alom

Het arbeidersproletariaat van Brussel kreeg Marx niet te zien omdat Brussel anders dan de industriesteden zoals Luik of de Borinage toentertijd werd gedomineerd door kleine bedrijfjes. Armoede was daarentegen in Brussel niettemin schering en inslag. Een kwart van de Brusselse bevolking stond op de lijst van de hulpbehoevenden. De arbeiders werkten veertien tot vijftien uren per dag en kwamen vaak niet toe om met hun magere loontjes het gezin te onderhouden. Om toch een klein beetje te kunnen overleven, werden de vrouwen en kinderen er ook maar op uitgestuurd om te werken. De afstand tussen arm en rijk werd des te groter toen vele Oost- en West-Vlaamse arbeiders de huisnijverheid in elkaar zagen storten door de concurrentie van de Britse gemechaniseerde producten. Ze stroomden haveloos in Brussel aan op zoek naar werk, naar eten. Neem daarbij ook de lange winter van 1845 die de koolzaadtarweoogst verwoestte, de grote aardappelplaag van 1846 en de graantekorten in 1847 en we begrijpen eens te meer dat Marx niet zomaar heel zijn leven in bibliotheken doorbracht. De economische ellende in België moet Marx als empirist vast en zeker niet zijn ontgaan! In deze crisisjaren leefde ongeveer een kwart van de Belgische bevolking in bijna onbeschrijfelijke omstandigheden.

De talloze pamfletten en diverse programma’s van Belgische sociale hervormers gaven daar uitdrukking aan.

Het ontstaan van de Bond der Communisten

Het jaar 1847 zal ook het jaar worden waarin Marx definitief de daad bij het woord voegde. Het communistisch correspondentiecomité waarmee hij het jaar daarvoor was begonnen, had z’n vruchten afgeworpen. De contacten die Marx en Engels onderhielden met een keur aan Europese revolutionairen legden de fundamenten voor de oprichting van de Bond der Communisten. Ondanks de opwakkerende en vooral noodzakelijke ideeënstrijd geeft het eerste artikel van de statuten duidelijk het doel aan die van de Bond een internationale partij zal maken:

“De Bond streeft naar de afschaffing van de slavernij van de mens; zij doet dat door het propageren van de theorie van de gemeenschap van goederen en door de zo spoedig mogelijke verwerkelijking daarvan.” (Der Bund der Kommunisten: Dokumente und Materialen : 9 juni 1847)

Natuurlijk onderhield Marx ook veelvuldig contacten met Belgische politieke strijders. Hij verwierf zelfs onverwacht een sleutelpositie in de Association Démocratique. Dat was een beweging die toentertijd alle democratische krachten uit België met inbegrip van buitenlandse radicalen verenigde. Eigenlijk was het een verzameling van enerzijds vroege communisten en anderzijds radicale democraten, dus de linkervleugel van de kleinburgerij, waarvan sommigen nog hadden deelgenomen aan de Belgische Revolutie van 1830. Ze opereerden vanuit Brussel onder de leiding van voorzitter Jottrand, een Belgische advocaat en publicist. In tegenstelling tot de (nog kleine) proletarische vleugel bestempelde de radicale liberaal Jottrand het opkomende revolutionaire karakter van de democratische vereniging als utopisch. Jottrand en anderen wilden verandering via grondwettelijke weg verkrijgen en hielden zich ver van arbeidersopstanden. Als radicale liberalen richtten zij hun pijlen niet op de bourgeoisie en waren bijvoorbeeld grote voorstanders van vrijhandel.

Marx koesterde onder meer ook sympathie voor Vlaamse sociale voorvechters zoals Jacob Kats, Jan Pellering en Jean-Louis Labiaux. Bekend was vooral Jacob Kats die zijn strijdbaarheid gehoor liet geven via tal van volkstoneelstukken. Daarin bekritiseerde hij op spottende wijze de maatschappij met zijn koning en clerici. Dit kostte hem natuurlijk zijn sociale positie. Na de Belgische revolutie ‘degradeerde’ hij van leraar tot handwever. Onder invloed van Jottrand begint Kats echter meetings te organiseren voor de arbeiders. Anders dan in het volkstoneel moesten de arbeiders niet meer passief toekijken op het verhaal van al het leed dat zij dagelijks moesten ondergaan, maar konden zij ook voor de eerste keer zichzelf in het debat mengen. Uiteraard stootte dit meeting-fenomeen, dat uit Engeland was komen overwaaien, op fel verzet van de Belgische staat. De nooit aflatende tussenkomsten van de politie maakten deze publieke meetings echter vaak een moeilijk actiemiddel. Niettemin was het een van de eerste collectieve actiemiddelen van de opkomende arbeidersbeweging.

“…Eerst als de regten des volks door het volk zelve zullen verdedigd worden, zal men het volk niet meer kunnen bedriegen; doch zoo lang het volk zich op anderen zal moeten betrouwen, zal het altyt bedrogen worden.” (Jacob Kats, (In:) H. Wouters. Documenten betreffende de geschiedenis der arbeidersbeweging, p.1229-1230)

De ideeën van Kats waren radicaal, maar ze bleven reformistisch. Hij was voorstander van de invoering van een republiek, algemeen stemrecht, kosteloos staatsonderwijs, nationalisering van de banken en de industrie en een tegenstander van privé-bezit. Hij geloofde daarentegen slechts in de mogelijkheid van geleidelijke hervormingen. Anderen volgden hem en werden radicaler, zoals Jean-Louis Labiaux die met Jan Pellering in april ‘46 in Brussel een hongermars organiseerde die dankzij de bereidwillige medewerking van de staat uitliep op een sisser. De arbeiders waren als maatschappelijke kracht nog te gering en een stevige arbeiderspartij ontbrak. Maar de arbeiders van toen wisten maar al te goed wat revolutie betekende! Ondanks de wet Le chapelier die samenscholing verbood, weergalmde de februarirevolutie in Frankrijk onverminderd door in de straten van Brussel, zoals Engels schrijft.

“Toen de Februarirevolutie uitbarstte, verwekte ze dadelijk een echo in Brussel. Een groot aantal mensen verzamelde zich elke avond op de Grote Markt voor het stadhuis, die bezet werd door de burgerwacht en de politie. De bier- en jeneverkroegen rond markt zaten stampvol. Men riep ‘Vive La République’, men zong de Marseillaise, men vergaderde, men drong op en werd teruggedreven. De regering hield zich ogenschijnlijk koest, maar mobiliseerde ondertussen de reservisten en riep de verlofgangers uit de provincie op.”
(Friedrich Engels, Die Neue welt, 8 juli 1876)

Plagerijen van de Belgische staat aan het adres van Marx

De laatste dagen van Marx’ verblijf in België naderden. De enige ‘fout’ die Marx beging, was het breken van zijn verbintenis om niets te publiceren over politieke toestanden. Op 28 februari 1848 ontving de Belgische minister van Justitie van Baron Hody een voorstel om Marx het land uit te zetten op grond van ‘verstoring van de openbare orde’. Op twee maart 1848 ondertekende koning Leopold zonder al te veel problemen een uitwijzingsbevel:

“Leopold, koning der Belgen gelast de genaamde Marx, doctor in de filosofie, oud circa 28 jaar, geboren in Trier, Pruisen, het Koninkrijk België te verlaten binnen een termijn van 24 uur, met verbod er ooit terug te keren, op straffe voorzien in artikel 6 van de wet van 22 december 1835.” (In: G. Ros. Adalbert von Bornstedt und seine Deutsche-Brüsseler Zeitung. Ein Beitrag zur Geschichte der deutschen Emigrantenpublizistik im Vormärz. Nr.51, pag. 39)

Bron: Vonk, april 2005

Pieter Breugel de Oude

In 2019 plannen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België de opening van het Bruegelmuseum in het huis in de Hoogstraat 132 in Brussel. Sinds 1924 hangt aan de gevel van het pand een gedenksteen die hulde brengt aan Pieter Bruegel, die er zou gewoond en gewerkt hebben. De kans dat de meester daar ooit een voet heeft binnengezet bestaat: misschien woonde er familie…

pieterbruegel
Brussel 1572: links ‘Tmenneken pist’, rechts het bogaardenklooster

 

Waar woonde Pieter Bruegel de Oude dan wel in Brussel?

Wellicht verhuisde Pieter Bruegel de Oude in augustus 1563 van Antwerpen naar Brussel, en niet in 1561 of 1562. Zijn woonplaats was niet in de Hoogstraat. Hij woonde niet ver van ‘het manneken pist’ en recht over de ‘bogaert’, het klooster van de bogaarden dat in de huidige bogaardenstraat stond.

Vandaag kan men van aan Manneke Pis het begin van de Bogaardenstraat zien. Op een plan van Brussel uit 1572 is het klooster getekend met een hof en boomgaard en met aan de overzijde enkele huizen, waaronder dat van Pieter Bruegel en zijn schoonfamilie.

Bruegel woonde dus niet in de Hoogstraat, maar aan de andere kant van de Kapellekerk.

(bron: http://www.tento.be – Openbaar Kunstbezit Vlaanderen)

Les Halles de Saint-Géry

L’église Saint-Géry qui s’élevait au centre des îles formées par les bras de la Senne accueillit les reliques de sainte Gudule avant qu’elles soient transférées, au milieu du XIe siècle, dans la future cathédrale qui porte aujourd’hui son nom. L’édifice gothique de la fin du Moyen Age fut démoli entre 1798 et 1801, sous le Régime français.

obelisk3

À son emplacement, la Ville fit aménager une place publique au centre de laquelle fut érigée en 1802 une fontaine pyramidale datant de 1767 et provenant de la cour principale de l’abbaye de Grimbergen. Cette place accueillit plusieurs marchés.

1881 vit le début de la construction des Halles, œuvre de l’architecte A. Vanderheggen Elles furent inaugurées en 1882 et abritaient alors quatre rangées de doubles étals et un comptoir de vente.

Le marché Saint-Géry continua ses activités de nombreuses années, mais délaissé de plus en plus par les commerçants après la seconde guerre mondiale, il fut finalement fermé le 28 février 1977.

Remarquable témoin de l’architecture des marchés couverts alliant un extérieur de style néo-renaissant flamand et un intérieur faisant appel aux techniques de l’ossature métallique, il compte aujourd’hui au nombre des édifices classés de la région bruxelloise depuis le 21 janvier 1987.

Depuis avril 1999, les Halles Saint-Géry accueillent un centre d’information et d’exposition consacré au patrimoine et au cadre de vie des Bruxellois, placé sous l’égide de la Région de Bruxelles-Capitale.

Jodentrap

In de veertiende eeuw vroegen de hertogen van Brabant aan de joden om handel te komen drijven aan de huidige Kunstberg. Daar ontstond een Joodse wijk met vier Jodentrappen en een Jodenberg. Vandaag is er nog één jodentrap over.

sam_0373-1

Op Goede Vrijdag 1370 zou men in de Synagoge van de wijk gestolen hosties met een dolk doorboord hebben zodat er bloed uitvloeide. Die profanatie kostte het leven aan zes Joodse families: ze werden beschuldigd van diefstal en profanatie en werden op de brandstapel gezet. Hun bezittingen werden verbeurd verklaard.

Hun schuld werd nooit bewezen: de legende van het heilig sacrament stamt dan ook niet alleen uit Brussel. Maar voor de katholieken waren de bloedende hosties een mirakel dat de terechtstelling legitimeerde. Nochtans is er een wetenschappelijke verklaring voor de verkleuring van de hosties: als ongedesemd brood in vochtige omstandigheden bewaard wordt, verschijnt er na een tijd een roodachtige schimmel: het bloed van Christus.

Een glasraam in de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele herinnert ons aan die antisemitische vervolging.

Tussen Bozar en Old England vind je de Ravensteinstraat, die in 1853 genoemd werd naar het huis van de Bourgondische familie Van Cleef-Ravenstein. De straat zoals we ze vandaag kennen, dateert van het begin van deze eeuw. Vroeger was ze veel smaller en slechts half zo lang toen ze van de Hofberg tot de Terarkenstraat liep, waar ze eindigde op een reeks trappen.

De overblijvende trap was de meest oostelijke van de vier zogenaamde Jodentrappen die in de 12de-13de eeuw door de Joodse bewoners in de noordflank van de Koudenberg werden uitgegraven en die ze ook bewoonden tot de jodenvervolging van 1370.

Later namen adellijke families er hun intrek. De huidige benaming kwam er in de 18de eeuw en verwijst naar de hertog van Villa Hermosa, gouverneur-generaal van de Nederlanden in 1675-1681, maar vermoedelijk afgeleid van een uithangbord. De oostzijde werd vanouds ingenomen door het voormalige Hof van Hoogstraten, met een teruggaand tot de 14de eeuw. Een ander ruim herenhuis op de westelijke hoek met Terarken werd in 1834 in loten verkocht. De straat werd een (doodlopende) gang na het optrekken van het Paleis van Schone Kunsten in de Ravensteinstraat.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑